Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Polysynthetische taalstructuur

betekenis & definitie

Het Blackfoot als voorbeeld van Polysynthetische taalstructuur Het Nederlands en de overige moderne leden der IndoEuropese taalfamilie zijn vooral gekenmerkt door een overwegend analytische structuur, d.w.z. dat de verschillende elementen van een volzin grotendeels door zelfstandige woorden en grammatische buigingsvormen worden uitgedrukt. Zo is de inhoud van het zinnetje: ‘het moet lang geleden zijn, dat hij hem op die manier behandeld heeft’ in een aantal begrippen ontleed, die afzonderlijk door een of meer zelfstandige woorden zijn weergegeven.

Geheel anders gebeurt dit in talen van overwegend synthetische structuur. Zo wordt in het Blackfoot, een Indianentaal behorende tot de Algonkische taalfamilie in N.Amerika, de inhoud van het aangehaalde zinnetje uitgedrukt door het complex ‘achksistsinikatakanistaistotojioeatsiksaie’.

Men kan dit complex niet letterlijk in het Ned. vertalen. Het bevat één enkele werkwoordelijke stam of liever wortel: -istot(o)(doen); de rest bestaat uit 6 verschillende voorvoegsels die uitdrukken: 1. mogelijkheid of waarschijnlijkheid;
2. voltooidheid;
3. gedurende lange tijd;
4. reeds;
5. op die manier;
6. voortduring van de handeling; en een buigingsuitgang die te kennen geeft:
1.dat er sprake is van een derde persoon enkelvoud die een vierde persoon enkelvoud iets aandoet;
2. dat die vierde persoon is ingedeeld bij de ‘levende’ klasse van naamwoorden;
3. ontkenning.

Zulk een complex wordt voor ons dan nog onoverzichtelijker door vele toevallige en regelmatige veranderingen, die de ‘wortels’ of andere delen binnen zulk een complex kunnen vertonen. ‘Napi’ (oude man) wordt ‘nitsapi’ (ik ben een oude man), ‘nitsitapi’ (Indiaan) wordt ‘kanaitsitapi’ (alle Indianen). In beide gevallen valt de n weg. De lezer zal deze verschijnselen, die in wezen algemeen-linguistisch zijn, in het vervolg nog telkens tegenkomen.

Een ander kenmerk van het BI. is dat de woordsoorten niet, zoals in het Ned., scherp gescheiden zijn. Zo kan elke werkwoordsvorm bij gelegenheid worden gebruikt en behandeld als een naamwoord: ‘itaujopi’ betekent ‘waar wij eten’ en ‘eetplaats’,‘ixtaujopi’: ‘waarmee wij eten’en ‘vork’, ‘apotakioea’: ‘hij werkt’ en ‘arbeider’. Ook bestaan er geen scherpe grenzen tussen het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord en kan elke vorm van een onovergankelijk werkwoord als bijvoeglijk naamwoord dienst doen.

Ofschoon ook in het BI. elk der ons bekende woordsoorten wel door een aantal zelfstandige woorden vertegenwoordigd is (zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden, telwoorden, bijwoorden enz.), komen ook deze veel vaker in een verkorte of stam-, dan in een volledige vorm voor. Dit hangt ten nauwste samen met de voorliefde voor werkwoordelijke samenstellingen, waarin zoveel mogelijk elementen van de zinsinhoud zijn opgenomen. Zo zal men ‘ik jaag op een antilope’ vertalen met ‘nitauakasauakimmau’ (‘nitauakimatau’: ‘ik jaag op hem’; ‘auakasi’: ‘antilope’). Op dezelfde manier kan een werkwoordsvorm met naamwoordelijke, voornaamwoordelijke, werkwoordelijke, bijwoordelijke en andere stammen als vóór- en achtervoegsels tot één geheel verenigd zijn. Een aantal woorden wordt in zulke samenstellingen vervangen door andere stammen, die nooit op zichzelf gebruikt worden, zo b.v. vele namen van lichaamsdelen, maar ook wel andere, zoals b.v. ‘achke’ (water), dat in samenstellingen gewoonlijk vervangen wordt door ‘-komi’ (vloeistof).

Het BI. kent een naamwoordelijke classificatie die te vergelijken is met ons ‘grammatisch geslacht’. Door deze onderscheiding worden alle wezens en dingen Naam verdeeld in twee groepen, die wij, bij gebrek aan een betere term, ‘levend’ en ‘levenloos’ noemen. Tot de levende groep behoren echter ook voorwerpen en de levenloze groep omvat ook een aantal namen van bomen en andere gewassen. Van de lichaamsdelen van mens en dier zijn de meeste levenloos, maar sommige levend. Enkele woorden zijn levend of levenloos, al naar de betekenis waarin ze gebruikt worden. Zo is ‘-kos’ in de betekenis van ‘houten drinknap’ levend, maar in die van ‘bord van aardewerk’ levenloos. ‘Naipistoi’ (wol) is levenloos, maar ‘naipistsi’ (deken) is levend. ‘Motokis’ (huid) is gewoonlijk levend, maar in de betekenis van ‘geprepareerde buffelhuid’ is het woord levenloos. De sexe-onderscheiding staat hier geheel buiten. Het natuurlijk geslacht van dieren kan zo nodig worden aangeduid door de woorden ‘ski’m’ (vrouwelijk dier) en ‘napim’ (mannelijk dier), maar het sexe-verschil wordt nooit door grammatische middelen uitgedrukt. De classificatie ‘levend-levenloos’ doordringt de hele grammatica doordat vele woordsoorten en buigingsuitgangen in twee vormen voorkomen, al naar zij betrekking hebben op een levend of een levenloos naamwoord. ‘Oma ninau ikokapsioe’: ‘die man is heel slecht’; maar ‘omi nitojis itokapioe’: ‘die tent is heel slecht; ‘auatsioe aatsistai’: ‘hij eet een konijn’; maar ‘auatom matoejis’: ‘hij eet gras’. Het meervoud van levende woorden wordt gewoonlijk aangeduid door het achtervoegsel ‘-ks(i)’, dat van levenloze woorden door ‘-sts(i)’. Groepen van mensen of dieren worden weergegeven door voorvoeging van ‘ot-’ en achtervoeging van ‘-sina’, b.v. ‘ake’: ‘vrouw’; ‘otakesina’: ‘al de vrouwen’.

Van veel belang is de onderscheiding van onafhankelijke en ondergeschikte vormen van het naamwoord. De onafhankelijke vorm, die als zodanig gekenmerkt kan worden door de achtervoegsels .. ‘-oea’ (na klinkers) of ‘-a’ (na medeklinkers), wordt gebruikt als het naamwoord een derde persoon aanduidt, die in het zinsverband niet aan een andere derde persoon ondergeschikt is. De derde persoon, die dat wél is en die wij vierde persoon zullen noemen, wordt als zodanig door een bijzondere uitgang gekarakteriseerd. En zo is er ook nog een vijfde persoonsvorm, die dus ondergeschiktheid in het zinsverband aan een vierde persoon uitdrukt. Enkele voorbeelden. ‘Nitakau’: ‘mijn vriend’ (3de pers.); ‘itanistsioe nitakai’: ‘hij zei tegen mijn vriend’ (hij 3de pers., mijn vriend 4de pers.); ‘otochkeman’: ‘zijn vrouw’ (4de pers., omdat hij zelf 3de pers. is); ‘oma ninaua (3de pers.) maachsi (4de pers.) ki otochkemaniaii (5de pers.)’: ‘die man (3de pers.) zijn schoonvader (4de pers.) en zijn (d.w.z. zijn schoonvaders) vrouw’ (5de pers.). Als bedoeld was: zijn eigen vrouw, dan zou deze 4de pers. geweest zijn en zou dus in plaats van ‘otochkemaniaii’ de 4de persoonsvorm ‘otochkeman’ gebruikt zijn. Dit verschil tussen de drie derde personen speelt ook een belangrijke rol in de werkwoordelijke vervoeging en de 4de persoon wordt onderscheiden bij de persoonlijke, aanwijzende en andere voornaamwoorden.

De bezitter wordt niet, zoals in het Ned., door zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden aangeduid, maar door voornaamwoordelijke voor- en achtervoegsels. Hier volgen enkele voorbeelden uit de bezittelijke verbuiging van de woordstammen voor: jongere broer en tent (levenloos):

niskani (mijn jongere broer), nokoa (mijn tent), kiskani (jouw jongere broer), kokoa (jouw tent), oeskani (zijn jongere broer), okoai (zijn tent), niskanana (onze jongere broer, exclusief, d.w.z. met uitsluiting van de aangesproken persoon), nokoenana (onze tent, exclusief), kiskanoena (onze jongere broer, inclusief, d.w.z. met insluiting van de aangesproken persoon), kokoenoena (onze tent, inclusief), kiskauaua (jullie jongere broer), kokoauaua (jullie tent), oeskauai (hun jongere broer), okoauai (hun tent).

Er zijn onafhankelijke bijvoeglijke naamwoorden met aparte uitgangen voor levend en levenloos in het meer voud. Men gebruikt echter liever bijvoeglijke voorvoegsels, die veel talrijker zijn en , waarvan de meeste met als zelfstandige bijvoeglijke naamwoorden voorkomen. In plaats van een bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt men een onovergankelijke werkwoordsvorm. Zo b.v. van het voorvoegsel ‘achs-’: (goed); ‘achssioe’: ‘is goed’ (levend), ‘achsioe’: ‘is goed’ (levenloos). De levende en levenloze uitgangen zijn niet altijd dezelfde: ‘ksiksinam’: ‘is wit’ (levend), ‘ksiksinatsioe’: ‘is wit’ (levenloos); ‘omachksim’: ‘is groot’ (van personen), ‘omachkimioe’ (van dieren), ‘omachksiksim’ (van levende bomen), ‘omachksiksioe’ (van levenloze bomen), ‘omachko’ (van levenloze dingen).

Ook deze worden uitgedrukt door voorvoegsels, b.v.‘achsi’: ‘goed’, ‘otsitskachsi’: ‘beter’, ‘otsitskach sioe’: ‘is beter’ (levend),‘kanaiachssioe’: ‘hij is de beste’, ‘ikachssioe’: ‘hij is zeer goed’.

Naast zelfstandige persoonlijke voornaamwoorden, die alleen gebruikt worden als men bijzondere nadruk op de persoon wil leggen, kent het BI. Persoonlijke voorvoegsels, identiek met de bezittelijke voor voegsels, die wij in de bezittelijke verbuiging hebben leren kennen, b.v. ‘ni-’, ‘ki-’, ‘oe-’. De zelfstandige zijn afgeleid van de stam ‘-sto-’, ‘-stoe-’, die ‘lichaam’ betekent, zoals blijkt uit ‘mostoemi’ (lichaam, eig. iemands lichaam), ‘nostoemi’ (mijn lichaam) enz; ‘nistoa’ (4de pers. ‘nistoi’): ‘ik’; ‘ksistoa’ (4de pers. ‘ksistoi’): ‘je’; ‘ostoi’: ‘hij, zij, het’ (letterlijk: zijn, haar lichaam, dus 4de persoon, want hij zelf is 3de persoon): ‘nistoenana’ (4de pers. ‘nistoenani’): ‘wij’ (excl.); ‘kistoenana’ (4de pers. ‘ksistoenoena’): ‘wij’ (inch); ‘ksistoaua’: ‘jullie’; ‘ostoauai’: ‘zij’ (meerv.). Elk der voorvoegsels heeft verscheidene vormen. Dat van de 1ste persoon b.v.: ‘n-’, ‘ni-’, ‘nit-’, ‘nits-’, ‘nitoch’ en in de naamwoordelijke verbuiging bovendien ‘no-’. Welke van deze vormen gebruikt wordt, hangt van verschillende omstandigheden af, o.a. van de volgende klinker of medeklinker.

Voorbeelden: ‘n-akitapochsi’: ‘dat ik daarheen zou gaan’ (‘-tapo-’, ‘gaan’); ‘ni-kaiapi’: ‘ik ben al een oud man’ (‘napi’, ‘oude man’); ‘nit-ainoau’: ‘ik zie hem’ (‘-ai’, ‘zien’); ‘nits-ipisinan’: ‘toen wij binnenkwamen’ (‘-ipi’, ‘naar binnen gaan’); ‘nitoch-patochpinan’: ‘wij (excl.) dragen het’ (‘-pat’, ‘dragen’); ‘notsetsi’: ‘mijn want’ (‘atsetsi’, ‘want’).

Het plaatsaanduidend karakter der aanwijzende voornaamwoorden treedt in het BI. veel meer op de voorgrond dan in het Ned. ‘Arno’ (deze, dit), betekent eigenlijk: ‘hier zijnde, op deze plaats zijnde, in dit land zijnde’ e.d.; ‘oma’: ‘daar zijnde’, enz.; ‘anno’: ‘deze hier’; ‘anna’: ‘die daar, die andere daar’. Door aanhechting van achtervoegsels kunnen er betrekkelijke voornaamwoorden, werkwoordsvormen en bijwoorden van plaats of tijd van worden gemaakt. Vaak krijgen de aanwijzende voornaamwoorden ook nadruk-aanduidende achtervoegsels. En eindelijk hebben zij onderscheidende vormen voor levend en levenloos en voor de 4de persoon. Zo b.v. van ‘amo’ o.a.: ‘amoi’, ‘amoia’, ‘amom’, ‘amoma’, ‘amok’: ‘deze, hier zijnde’ (met meer of minder nadruk). ‘Amoi’ 4de persoon, levend. ‘Amoksi’, meervoud, levend. ‘Amoistsi’, meervoud, levenloos. ‘Amaoek’: ‘hier is’. ‘Amoiaie’: ‘hier is (iets)’. ‘Amoksaie’: ‘deze zijn’ (meerv. levend -f werkwoordelijke uitgang). ‘Amoistsiaie’: ‘deze zijn’ (meerv. levenloos + werkwoordelijke uitgang). ‘Amomauk’: ‘het is hier’. ‘Amoksimaie’: ‘hier zijn’ (meerv. levend + m -fwerkwoordelijke uitgang). ‘Amokaie’: ‘hier is’ (levend en levenloos). ‘Amokauk’: ‘hier is’ (levend en levenloos).

Door middel van de achtervoegsels ‘-chk (a)’ en ‘-(i)sk’ worden van aanwijzende voornaamwoorden betrekkelijke gemaakt, zo van aanwijzend ‘anna’ (die daar): ‘annachk’ (degene die). Van de betrekkelijke voornaamwoorden kunnen dan weer door aanhechting van de vroeger vermelde uitgangen werkwoordsvormen worden afgeleid: zo van ‘annachk’ ‘annachkauk’ (daar is degene die is).

De achtervoegsels worden soms ook aan andere zinsdelen gehecht, waarop de voornaamwoorden betrekking hebben:

‘annachk sooachk’: ‘zij die op het oorlogspad gingen’ (‘soo’, op het oorlogspad gaan).

‘Taka’, ‘tachka’: ‘wie’?, ‘achsa’, ‘tsa(a)’: ‘wat’?, ‘taa’, ‘taatapochta’ (levend): ‘welke’?, ‘taia’ (van bewegende levende wezens): ‘welke’?, ‘tama’ (van niet-bewegende levende wezens en van levende dingen): ‘welke’?, ‘tsimatapochtsi’ (levenloos:) ‘welke’?, ‘tsima’ (levenloos): ‘welke’? En nog vele andere. Alle woorden voor ‘welke’ betekenen eigenlijk ‘waar zijnde’, ‘waar is’. Nog meer overheersend is deze betekenis in ‘nannachk’, dat alleen gebruikt wordt van personen of dingen, die afwezig zijn.

Ook van de vragende voornaamwoorden kunnen door middel van achtervoegsels of liever uitgangen werkwoordsvormen worden afgeleid.

Bij de onbepaalde voornaamwoorden herhalen zich alle verschijnselen die wij tot nog toe bespraken. Opmerkelijk is nog dat ‘iemand’, ‘iets’, ‘niemand’, ‘niets’ worden uitgedrukt door de werkwoordelijke vormen ‘itstsioe’ (daar is) en ‘matsitstsixpa’ (daar is niet).

Bij de telwoorden valt op dat de woorden, die eenheden en tientallen uitdrukken, in verkorte vorm als voorvoegsels kunnen worden opgenomen. B.v. ‘natsit-apiks’; ‘2 personen’; (2 = natoka); ‘natsit-apiau’: ‘zij zijn met hun tweeën’ (twee personen); ‘natoch-kemiks’: ‘hij had tw'ee vrouwen’.

Van de telwoorden worden ook werkwoordsvormen afgeleid, b.v. ‘natokamiau’ (levend), ‘natokaiau’ (levenloos): ‘er zijn er twee, zij zijn twee’. Er is een bijzondere reeks van telwoordehjke werkwoorden om dagen en nachten te tellen; deze worden gevormd met het achtervoegsel ‘-ni’ en krijgen vaak bovendien het voorvoegsel ‘ai-’. B.v. ‘aistokiaunioe’; ‘het zijn twee (dagen of nachten)’. Een andere reeks dient om het aantal jaren aan te geven; deze zijn samenstellingen van ‘stoeji’ (winter) en hebben het achtervoegsel ‘-mi’ en dikwijls het voorvoegsel ‘ai-’. B.v. ‘aistokistoejimioe’; ‘is twee jaar oud’. En eindelijk is er nog zulk een groep om de prijs (in dollars) uit te drukken. Deze werkwoordsvormen bevatten vaak het woord ‘sopok’ (dollar). B.v. ‘natokixtsau’, ‘natokisopoksixtsau’ (levend), ‘natokiochtochp’, ‘natokisopoksochtochp’ (levenloos): ‘het kost twee dollar’.

‘Verbaliseringen’ van bijzondere aard komen ook bij de rangtelwoorden en de vermenigvuldigende telwoorden voor.

Het Blackfoot kent geen vorm die aan onze onbepaalde wijs beantwoordt. Er zijn alleen werkwoordelijke wortels en daarvan afgeleide stammen, die dus niet zelfstandig voorkomen, maar verbonden met allerlei voor-en achtervoegsels, die uitdrukken welke persoon de handeling verricht of ondergaat, overgankelijkheid en onovergankelijkheid, enkelvoud en meervoud van de betrokken wezens of dingen en nadere bepalingen van allerlei aard. De vormen dier samenstellende deeltjes zijn zeer veranderlijk. Soms zijn zij slechts door een enkele klinker of medeklinker vertegenwoordigd of door vormverandering onherkenbaar geworden. Het is dan ook vaak onmogelijk, een werkwoordsvorm geheel te ontleden. De vormenrijkdom der eigenlijke vervoeging is nauwelijks te overzien en het aantal werkwoordelijke uitdrukkingsmogelijkheden in ruimere zin is vrijwel onbegrensd.

Van de meeste werkwoordswortels worden door middel van verschillende achtervoegsels overgankelijke en onovergankelijke stammen afgeleid, b.v. van siks-’ (bijten): ‘-sikstaki-’ (onovergankelijk) en ‘-siksipa-’ (overgankelijk, eigenlijk passief zoals wij zullen zien). Verder worden onderscheiden enkel- en meervoud van agens (die de handeling verricht) en patiens (die de handeling ondergaat), de klasse (levend of levenloos) van patiens en soms ook de 4de persoon van het grammatisch onderwerp (agens van een onovergankelijke of patiens van een overgankelijke, eigenlijk passieve vorm).

Als enkele voorbeelden geven wij eerst de vormen van de eerste persoon enkelvoud van de aantonende wijs, met een enkelvoudig patiens van de overgankelijke vormen: onovergankelijk: ‘nitsikstaki’: ‘ik bijt’, overgankelijk (levend): ‘nitsiksipau(a)’: ‘ik bijt hem’, overgankelijk (levenloos): ‘nitsikstoixp’: ‘ik bijt het’.

Dan de vormen van de 3de persoon enkelvoud aantonende wijs, met een enkelvoudig patiens: onovergankelijk: ‘sikstokioe(a)’: ‘hij bijt’, overgankelijk (levend): ‘siksipioe(aie)’: ‘hij bijt hem’, overgankelijk (levenloos): ‘sikstsim(aie)’: ‘hij bijt het’.

Vervolgens de eerste persoon enkelvoud met een meervoudig patiens:

levend: ‘nitsiksipaiau’: ‘ik bijt hen’, levenloos: ‘nitsikstsixpiau’: ‘ik bijt ze’.

Tenslotte nog de derde persoon enkelvoud met een meervoudig patiens: levend: ‘siksipioeaiks’: ‘hij bijt hen’, levenloos: ‘sikstsimaists(i)’: ‘hij bijt ze’.

De overgankelijke vormen hangen samen en zijn voor een deel zelfs identiek met die van het onbepaalde passief; zo is ‘nitsiksipau(a)’ (ik bijt hem) te vergelijken met ‘siksipau(a)’: ‘hij wordt gebeten’. De eerste vorm betekent blijkbaar: ‘hij wordt door mij gebeten’.

De wijzen waarop de onovergankelijke en overgankelijke stammen gevormd worden zijn niet in vaste regels te formuleren en ook zijn de persoonsuitgangen bij verschillende groepen van werkwoorden verschillend.

Bij het onbepaald passief, dat wij zo juist noemden, is dus niet van een bepaalde agens sprake. In de 3de en 4de personen heeft het verschillende vormen voor de levende en levenloze patiens. B.v. 1. (1ste assief pers.) ‘nitsiksipoko’: ‘ik word gebeten; 2.‘kitsiksipoko’: ‘jij wordt gebeten’; 3. (levend) ‘siksipau(a)’: ‘hij wordt gebeten’; 4. (levenloos) ‘sikstsipaie’: ‘het wordt gebeten’.

Hier worden de 1ste en 2de personen enkelvoud gekenmerkt door een achtervoegsel ‘-k’. Dit achtervoegsel, dat soms ‘-ki’ luidt, is het meest gebruikelijke middel om aan te duiden, dat de richting van de handeling ‘centripetaal’ is, d.w.z. dat de patiens een eerste persoon is of althans als dichter bij de 1ste persoon gedacht wordt dan de agens.

Centripetaal zijn dus b.v. vormen die uitdrukken, dat de agens 4de en de patiens 3de persoon of dat de agens 3de en de patiens 2de of 1ste persoon is enz. Centrifugaal noemen wij de vormen die aanduiden dat de agens 1ste persoon is of althans als dichter bij de eerste persoon staande wordt beschouwd dan de patiens. Deze vormen hebben, in tegenstelling tot de centripetale, geen bijzonder kenteken. Enkele voorbeelden:

‘kitsiksipoki’: ‘je bijt mij’ (dus centripetaal), maar: ‘nitsiksipau’: ‘ik bijt hem’;

‘otsiksipok’: ‘hij (4de persoon) bijt hem’ (3de persoon), maar ‘siksipioe(aie)’: ‘hij (3de persoon) bijt hem’ (4de persoon).

Met behulp van voor- en achtervoegsels worden bijzondere werkwoordelijke stammen gevormd ter aanduiding dat de handeling wederkerend of wederkerig is, door iemand anders veroorzaakt of toe gelaten wordt, herhaaldelijk plaats heeft, voor een ander verricht wordt of om uit te drukken het veranderen in iets anders, het maken van iets of het bezitten van iets. Voorbeelden: wederkerend: ‘siksip-ochs-ioe’: ‘hij (3de pers.) bijt zichzelf’ (van ‘-siks-’, bijten); ‘siksip-ochs-inai’: ‘hij (4de pers.) bijt zichzelf’.

wederkerig: ‘paiotaisiksippotseop’: ‘wij (incl.) bijten elkaar’ (‘-pot-’ en ‘-tse-’ duiden beide wederkerigheid aan, ‘paiot’ = ‘ai’ + ‘pot’).

veroorzaking: ‘kitakitapipio’ (van ‘-apo-’, reizen): ‘ik zal je daarheen sturen’ (daarheen doen gaan; met achtervoegsel ‘-ipi’).

toelating: ‘nitsikstaki-ats-au’: ‘ik laat hem bijten’, (achtervoegsel ‘-ats-’).

herhaling: ‘kamosiepitsiioe’: ‘hij steelt dikwijls’ (heeft de slechte gewoonte om te stelen: van ‘-kamos-’: ‘stelen’, achtervoegsel ‘-epitsi-’).

Voor een ander: ‘nitakakomoau’: ‘ik hak voor hem’ (van ‘-kaki-’: ‘hakken, achtervoegsel ‘-mo-);

verandering: ‘matapinasioe’: ‘verandert in een persoon’ (van ‘matapi’: ‘persoon’, achtervoegsel ‘-asi-’).

maken (iets): ‘nitaitsikixk’: ‘ik maak moccasins’ (van ‘matsikin’: ‘moccasin’); ‘aitsikixkau’: ‘hij maakt moccasins’ (achtervoegsel ‘-ka’).

bezitten (iets): ‘nitochkoji’: ‘ik heb een zoon’ (naast ‘nochkoa’: ‘mijn zoon’); ‘nitauchkojimau’: ‘ik heb hem als zoon’).

Het BI. kent drie algemene wijzen: de bevestigende, de ontkennende en de vragende, en vijf bijzondere: de aantonende (indicatief), de gebiedende (imperatief) en drie wijzen die, voorzover ze in het Ned. grammatisch worden uitgedrukt, samenvallen in onze aanvoegende wijs: de conjunctief, de subjunctief en de potentialis. De vragende en ontkennende vormen van de verschillende bijzondere wijzen worden in het algemeen door middel van voor- en achtervoegsels en verandering van sommige buigingsuitgangen van de grondvorm (bevestigende vorm van de aantonende wijs) afgeleid. Hier volgen eerst enkele voorbeelden van vragende en ontkennende indicatief-vormen van ‘-siks-’: ‘bijten’; ‘nitsikstaki’: ‘ik bijt’; ‘ni-matsikstaki-xpa’: ‘ik bijt niet’; ‘ni-katal-sikstaki-xpa’: ‘bijt ik?’; ‘sikstakioe(a)’: ‘hij bijt’; ‘mat-sikstakioe-ats’: ‘hij bijt niet’; ‘katai-sikstakioe-ats’: ‘bijt hij?’; ‘nitsiksipau(a)’: ‘ik bijt hem’; ‘ni-mat-siksipau-ats’: ‘ik bijt hem niet’; ‘ni-katai-siksipau-ats’: ‘bijt ik hem?’ Terwijl de indicatief de grammatische vorm is van de rechtstreekse mededeling zonder voorbehoud, kunnen de conjunctief, de subjunctief en de potentialis worden gekenschetst als vormen die uitdrukking geven aan drie gradaties van indirectheid en voorbehoud en daaruit voortvloeiende betekenisschakeringen. Conjunctief-vormen, gekenmerkt door een achtervoegsel, bepaalde persoonsuitgangen en, in sommige gevallen, nog een voorvoegsel, vervangen onze bijzinnen beginnend met ‘dat’ (ik zeg, dat. .., ik hoop, dat..., het is goed, dat.. .), met ‘toen’ (toen hij thuiskwam ...), met ‘omdat’ of‘doordat’ en met ‘als’, ‘indien’.

De subjunctief duidt nog meer voorbehoud en nog sterker onzekerheid aan dan de conjunctief. Hij kan dan ook niet dienen ter vervanging van onze afhankelijke bijzinnen van het type: ‘ik zeg, dat. . .’, ‘ik verneem, dat. ..’ maar alleen van voorwaardelijke of voorwaardelijk-tijdelijke bijzinnen, zoals in het Ned. worden ingeleid met ‘als’, ‘indien’, ‘wanneer’. De echte subjunctiefvormen zijn gekenmerkt door het achtervoegsel ‘-ki’, dat haast altijd wordt voorafgegaan door andere elementen, verschillend naar persoon en getal. Dikwijls is er ook nog een twijfel-aanduidend voorvoegsel ‘ikam-’.

De potentialis kan uitdrukken:

1. een veronderstelling, waarvan de onjuistheid vaststaat;
2. een mogelijkheid verbonden aan een niet vervulde voorwaarde;
3. een wens. Het achtervoegsel van de potentialis luidt ‘-opi’ (‘-topi’).

In geval 2 heeft hij tevens het voorvoegsel ‘achkstai-’ (‘achkstau-’) en in geval 3 wordt het bovenvermelde voorvoegsel ‘ikam-’ gebruikt. Enkele voorbeelden volgen. ‘Nitsikstakixtopi’: ‘gesteld dat ik beet’; ‘nachstaisikstakixtopi’: ‘ik zou bijten (als .. .)’ (eigenlijk: dat ik niet zou bijten, d.w.z. hoe is het mogelijk, dat ik niet zou bijten).

De gebiedende wijs wordt gedeeltelijk gevormd door aansporing-uitdrukkende voorvoegsels, gedeeltelijk door bepaalde persoonsuitgangen, terwijl sommige vormen ontleend zijn aan de conjunctief.

Allerlei betekenisschakeringen van het werkwoord en nadere bepalingen van de handeling die het Ned. door middel van bijzinnen of bijwoorden aanduidt, worden in het BI. door voorvoegsels uit- gedrukt. Een enkel voorbeeld uit de zeer vele: ‘ni-kat-auanixpinan’: ‘daarom zeggen wij’ (excl.) (‘-kat-’ = ‘daarom’); ‘mauk-anioe’:‘waarom zei hij’ (‘mauk-’, ‘waarom’); ‘k-aks-i-kamitotanik’: ‘hij zal het je misschien komen vertellen’ (‘k-’, ‘zal’; ‘aks-ikam’, ‘misschien’; ‘it-’, ‘onder bepaalde omstandigheden’; ‘ot-’, ‘komen’; ‘ani-’, ‘zeggen’); ‘ixkotautsim’: ‘hij kan zwemmen’ (‘ixkot-’ drukt ‘in staat zijn’ uit); ‘it-ai-okau’: ‘hij sliep’ (wat ‘it-’ uitdrukt, hangt van het zinsverband af; ‘ai-’ drukt voortduring van de handeling uit); ‘ai-samiixk’: ‘hij placht te jagen’ (hier drukt ‘ai-’ ‘gewoonlijk’ uit); ‘auanioe’ (‘au’ = ‘ai’): ‘hij is bezig te zeggen’ of: ‘hij zegt gewoonlijk’; ‘ak-achtoeitsioe’: ‘het is al vol’ (‘ak-’ drukt voltooidheid uit).

Het zal nu wel duidelijk zijn, dat een van de meest opvallende eigenaardigheden van het BI. werkwoord in een vrijwel onbeperkt opnemingsvermogen bestaat. Hier bestaat geen scherpe grens tussen afleiding en samenstelling . Men kan slechts zeggen, dat de samenstellende delen dikwijls als in oorsprong naamwoordelijk of werkwoordelijk herkenbaar zijn, maar vaak ook niet. In het laatste geval spreken wij van vóór- of achtervoegsels zonder daarom nog met zekerheid te kunnen zeggen, dat wij met andere woordsoorten dan de bovengenoemde te doen hebben. Ter toelichting volgen hier enige voorbeelden. ‘Stamatamaiiksaiitsimau’: ‘toen ontkende hij het weer ten sterkste’ (‘-stamat-’: ‘toen weer’; ‘-amai-’: ‘ten sterkste’; ‘-iik-’: ‘zeer’; ‘-saiitsimau’: 3de pers. van ‘-saiitsima-’: ‘ontkennen’);

‘nisotamipistsikitaupi’: ‘toen bleef ik daar een beetje’ (‘ni-’: praefix 1ste pers. enkelv.; ‘-sotam-’: ‘toen’; ‘-apistsik-’: ‘een beetje’; ‘-itaupi-’: ‘blijven’);

‘itaisakapomachkaiinai’: ‘zij renden de prairie in’ (‘-sakap-’: ‘de prairie in gaan, naar buiten gaan’; ‘-omachka-’: ‘rennen’; ‘-inai-’: uitgang van de 4de pers.);

‘matskotsimiau’: ‘zij zwommen weer terug’ (‘-mat-’: ‘weer’; ‘-sk-’: ‘teruggaan, terugkomen’; ‘-otsi-’: ‘zwemmen’). ‘Sakap-’ en ‘sk-’ doen gewoonlijk dienst als voorvoegsels met de betekenis van resp. ‘naar buiten (de prairie in)’ en ‘terug’.

‘miskatsaksist’: ‘je moest maar liever weer naar buiten gaan’ (‘-misk-’: ‘liever, in plaats daarvan’; ‘-at-’: ‘weer’; ‘-saks-’: ‘naar buiten’).

Tenslotte kunnen plaats, tijd en wijze der handeling net als bij ons ook door onafhankelijke Onafhan bijwoorden worden uitgedrukt. Het zijn vaak samenstellingen en vele zijn van voornaamwoordelijke herkomst. Wij kunnen met enkele voorbeelden volstaan. ‘Tatsikachtsi’: ‘in het midden’ (voorvoegsel ‘tatsik-’ met achtervoegsel ‘-chtsi’). Voornaamwoordelijke bijwoorden zijn b.v. ‘amo’; ‘hier’; ‘amochk’; ‘ditmaal’; ‘omi’: ‘daar’; ‘anno’; ‘hier’; ‘anna’: ‘waar’; ‘annochk’: ‘nu’. Het Blackfoot kent natuurlijk ook tussenwerpsels, b.v. ‘aia’, ‘aio’; ‘och’ (smekend); ‘a’ea’; ‘ach, helaas'; ‘aie’; ‘ha, aha’; ‘oki’: ‘komaan’; ‘kako’: ‘vooruit’; ‘tamasa’: ‘och arme’. J. P. B. DE JOSSELIN DE JONG

C. C. Uhlenbeck, Original Blackfoot texts, 1911 ; A new series of Blackfoot texts, 1912.
J. P. B. de Josselin de Jong, Blackfoot texts, 1914. C. C. Uhlenbeck en R. H. van Gulik, An EnglishBlackfoot vocabulary, 1930; A Blackfoot-English vocabulary, 1934.
C. C. Uhlenbeck, A concise Blackfoot grammar, 1938.