Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Myceense kunst

betekenis & definitie

In de laatminoïsche periode komt het Gr. vasteland, in het bijzonder de Peloponnesus, onder sterke minoïsche invloed; hierdoor ontstaat een kunst, die enerzijds als een soort provinciale uiting van de minoïsche beschouwd kan worden, anderzijds echter karaktertrekken vertoont, die lijnrecht met die der minoïsche kunst in strijd zijn. Deze kunst heet de Myceense.

Er schijnt in die tijd een groot aantal vorstendommen in Gr. te hebben bestaan, waarvan echter Mycene het belangrijkste iss geweest. Van het uitgestrekte paleis aldaar is niet veel bewaard gebleven, maar beroemd is de toegangspoort, die naar het erboven aangebrachte reliëf de Leeuwenpoort heet; binnen deze poort werd een cirkelvormig afgebakend terrein gevonden, waar Schliemann in 1876 de vorstelijke graven heeft aangetroffen. In tegenstelling met de Cretensische paleizen waren de Myceense zeer zwaar versterkt; de muren, uit grote polygonale stenen opgebouwd, zijn als cyclopische muren bekend gebleven. Van deze vestingen levert Tiryns het beste voorbeeld. De burcht (die in haar laatste vorm uit de 13de eeuw v. Chr. dateert, zie plattegrond) sluit binnen haar geweldige en zwaar gekazematteerde muren een paleis, dat in hoofdzaak bestaat uit megara, waarvoor een binnenhof; het voorplein van het voornaamste megaron is door een monumentaal poortgebouw (propylaeum) toegankelijk. Duidelijk is het hoofdgebouw geaccentueerd; er heerst een klare ordonnantie en zin voor monumentaliteit. De zojuist genoemde eenheid, het megaron, is een reeds lang inheems woningtype, dat bestaat uit een rechthoekig vertrek met een voorportaal aan een der smalle zijden, dat gevormd wordt door de doorgetrokken lange muren (anten) en enkele daartussen geplaatste zuilen; uit het megaron zal de Gr. tempel voortkomen. Onder de bouwkunst mogen nog de grote graven vermeld worden, die bestaan uit een onderaardse zaal, welke wordt gedekt door een koepel, opgetrokken uit zich naar boven toe steeds vernauwende ringen horizontaal liggende stenen (schijngewelf); hiernaast lag het eigenlijke grafvertrek. Deze koepelgraven waren te bereiken langs een gang (Gr. dromos).

Ook in het Myceense Gr. is de beeldhouwkunst van geringe betekenis. In de Myceense schilderingen zijn de figuren hoekig en stijf, de bewegingen vaak onnatuurlijk, de kleuren scheller dan op Creta. In de ornamentiek treedt een alles omvattende verstarring in, die tenslotte de naturalistische motieven van Creta tot geometrische schema’s terugbrengt.

Nieuw is echter, dat op vazen ook menselijke figuren (jachtscènes) verschijnen.

Schitterend is het metaalwerk, dat in rijke hoeveelheden o.a. in de koningsgraven te Mycene en te Dendra is gevonden. Evenwel kan hier de vraag veelal niet worden beantwoord, of deze voorwerpen wel van inheemse makelij zijn, en in vele gevallen is import uit Creta vrijwel zeker. Dit laatste geldt b.v. voor de gouden bekers uit Vaphio (met de gedreven stierenjacht) en voor de met gouden en zilveren incrustatie versierde prachtdolken uit Mycene (leeuwenjacht enz.). Van inheemse oorsprong echter schijnt de zilveren trechter, waarop in drijfwerk de belegering van een stad is voorgesteld, en zeker geldt dit voor de gouden ‘beker van Nestor’ uit Mycene, voor de gouden dodenmaskers en andere lijkversieringen uit dezelfde koningsgraven. Eveneens Myceens zullen de onlangs gevonden ivoren beeldjes en de met reliëfs versierde ivoren doos uit Athene zijn.

Gewoonlijk wordt de Myceense kunst beschouwd als louter een provinciale uiting van de minoïsche kunst en hierbij ingedeeld. In dit overzicht is de gebruikelijke indeling enigermate gevolgd. Niettemin is zij principieel onjuist. Hoezeer immers de kunst van Mycene onder invloed stond van Creta, zij toont een fundamenteel ander karakter. Reeds onmiddellijk valt in Mycene het krijgshaftige, in Creta de volkomen vreedzaamheid op. De liefde voor de natuur is in Mycene een vreemde plant, de fantastische kleuren aarden er evenmin als de levendigheid en ongebondenheid van de minoïsche kunst. De Myceense daarentegen neigt tot schematiseren en verstrakken; zij heeft ook een zin voor orde, regelmaat en rhythme, die op Creta ten enenmale ontbreekt. Vooral in de bouwkunst blijkt bij de Achaeërs (zoals men de dragers der Myceense kunst meestal noemt) ook een neiging tot het monumentale en tectonische, die de Cretensers onbekend is. En het zijn juist deze eigenschappen der Myceense kunst, die in de Gr., in andere mate, terugkeren. Evenals de Achaeërs een der belangrijkste componenten van het latere Gr. volk uitmaakten, zo is ook hun kunst veeleer te beschouwen als een voorloper der Helleense, tot groter bloei gebracht door krachtige minoïsche invloeden, zoals de Gr. kunst later ook onder oosterse invloeden tot bloei zal komen.

Men zie voor literatuur onder minoïsche en onder Griekse kunst.