Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Literatuur Sanskriet

betekenis & definitie

Op de Indische vijver wiegelen de fijngetekende lotussen en zwermen tezamen de blanke, hoogvliegende hansa’s. In de oudste letterkunde, de Veda, vernemen wij van de lotus als bloem met zulke gladde kroonbladeren, dat de waterdruppels eraf glijden, zonder een spoor na te laten; zo is de lotus geweest een zinnebeeld der geestelijke reinheid.

En hansa, koningszwaan, is daar de naam van de ouden van dagen, die het wereldse leven hebben vaarwel gezegd en aan de wedden van de rivieren bijeenkomen om er de aalmoezen van reizigers af te wachten; onderwijl streeft hun geest naar de eeuwigheid, zoals de hansa opvliegt naar het Mânasameer aan gene zijde van de Himâlaya.En in de jongere letterkunde, reeds in het grote epos, het Mahâbhârata, is de lotus ook beeld van alles wat fijn en liefelijk is, bovenal van de geliefde zelve, en in een van de populairste verhalen van het epos is de hansa de liefdesbode. Aldus zijn mystiek en erotiek met elkander vervlochten.

De Veda of het weten der oude Indische priesters, het gewijde weten der brahmanen; de Rig-Veda, het gewijde weten der recitator-priesters; de Rig-Vedaweten of de ^onhita, de verzameling der priesterrecitaties, die gewijd zijn aan drieërlei machten, de machten of góden van het offergerei en de offeranden zelf; de machten van het ontzaggelijk geweld, bij wie de mens strijd- en hulpvaardig zich gaarne aansluit; de machten of góden van het recht en het berouw. Van elk dezer recitaties volgt thans een voorbeeld.

Een lied, gereciteerd tot Agni, de Vuurgod, die schuil ging in het hout door regenval gewassen en daaruit te voorschijn treedt; Agni met alles wat heerlijk en kunstig is te vergelijken, op de offerplaats te stellen naast God Soma, de bedwelmende offerdrank; het vuur wordt aan het vuur ontstoken en daarom is het vuur als een dier met zijn jong:

U, die gingt schuilen Gelijk een veedief, Die inspant hulde, Die voortdrijft hulde, Uw sporen volgden Wijs en eendrachtig En u omgaven de Aanbiddlijke’ allen.

De góden volgden Der Orde wetten, Hemel noch aarde Kon hen belemmeren, De waatren voedden Den wonderschone, Vrucht van baarmoeder, Van schoot der Orde.

Een schone voorspoed, Een woonplaats aarde, Een berg van vreugden, Een golf weldadig, Een ros in renbaan, Onstuimig sneller, Een stroom van golven — Wie wederstaat hem?

Hij sist in water Als gans die neerstrijkt, Prachtig in veelmacht, Volks ochtendbode, Lijk Soma offraar, Aan Orde ontsproten, Als dier met zijn jong, Vruchtbaar, ver-stralend.

Een recitatie, verhalend van Indra's heilige roes:

Kreeg ik nu maar een paard, een koe!

Kris-kras gaan mijn gedachten rond.

Dronk ik van Soma soms te veel?

Het zoete sapje tilde me op Als dolle bolle winden doen, Dronk ik van Soma soms te veel ? Zoals een koe al loeiend komt Naar ’t lieve kalf, kreeg ik mijn lied.

Dronk ik van Soma soms te veel? Zoals een timmerman, tik-tak, Zijn wagenbak, krijg ik mijn lied.

Dronk ik van Soma soms te veel ? In grootheid overtref ik de aard (Die groot is) en de hemel ook.

Dronk ik van Soma soms te veel? Mijn ene helft zit in de lucht, Mijn and’re helft sleept langs de grond.

Dronk ik van Soma soms te veel? Zie mij, ontzaggelijke reus!

Tot in de wolken schoot ik op.

Dronk ik van Soma soms te veel?

’k Zie eruit als een prachtig huis En breng de góden smulkost mee.

Dronk ik van Soma soms te veel ? Een recitatie, gewijd aan god Varoena. Naar de inhoud de smeekbede van een zieke, die eigen kwaal aan eigen schuld wijt:

Laat mij niet dalen, Varoena!

Reeds thans in woning, Vorst, van klei!

Genade, o Heer der Macht, gena!

Zo ik als een gespannen blaas Vreemd springen mocht, waar ’t mij niet past, Genade, o Heer der Macht, gena!

Zoude ik door mijn benepen hart O Heerlijke! ten onder gaan?

Genade, o Heer der Macht, gena!

Uw zanger is door dorst gekweld, In ’t midden van het water staand!

Genade, o Heer der Macht, gena!’ De Sâma-Veda of het gewijde weten der priesterzangers. De priesterzangers weten, dat de góden het raadselachtige beminnen en daarom kruiden zij hun zangen met uitroepen als ‘ôm’ en ‘hoem’ en ‘heng’ en ‘a-hô-oeva’ en sommige regels maken zij onherkenbaar door alleen de vocaal te behouden, zo zouden zij de eerste regel van Vondels rei aan God (‘Wie is het’ enz.) voordragen als: bhiebhibhe bhiebhôbhôbhebhêbhe. Zo zien wij, dat wij de poëtische en muzikale composities moeten beoordelen naar de eisen van hun tijd. De Veda is geen hoogtepunt van literatuur en zangkunst; hoe zou een rivier aan haar oorsprong breed zijn? Hij is het ongelede vijgepitje, waaraan de vijgeboom met kruintakken en luchtwortels ontspringt. De kenner plaatst erbij de steen van zijn verering.

In het Tweestromenland, omgeven door Ganges en Djoemna, regeerde eenmaal over een machtig rijk het geslacht der Bharata’s. Over hun onderlinge strijd handelt het Mahabharata, of het grote Bharata, gewijd aan de Bharata’s. Het wordt gedateerd tussen 200 voor en 200 na Chr.

Volgens de overlevering ontstond er eenmaal een ingewikkelde dynastieke twist tussen twee groepen van neven. De ene groep (men neme genoegen met de sprookjesachtige fantasie!) telde honderd broeders en de andere vijf. Deze laatsten waren geboortig van twee moeders en hadden, naar luid van een zeer oude mythe, één echtgenote, Draupadi. De dynastie-kwestie was, als gezegd, zeer ingewikkeld; de beste vrienden kozen onderscheiden de ene of de andere partij. Een geweldige strijd brak uit, waaraan ook góden deelnamen. Maar toen het einde kwam, waren de overwinnaars, de vijf broeders, het leven zat geworden en zij wensten in eigen lichaam ten hemel te varen, zoals dit naar mythologische begrippen mogelijk werd geacht.

Tot dit doel verlaten zij, na regeling der erfopvolging, hun rijk, doen de verplichte reis rondom de wereld, dat is het Indische land, bestijgen de Himalaya, doorkruisen ‘de oceaan van zand’, steeds in één rij, de oudste voorop en verder naar rang van leeftijd; na hen komt de echtgenote en tenslotte de hond. En als tegen het einde van de reis Draupadi en vier der broeders wegens een tekort aan rechtvaardigheid in hun leven gevallen zijn, staat Yoedhishthira alleen met zijn hond op aardes hoogste top.

Voor wij aan de dichter zelf het woord laten, is nog één opmerking noodzakelijk. De vijf broeders waren namelijk wel wettige zoons van Pandoe, maar inderdaad natuurlijke kinderen van onderscheiden góden, een verhouding die ons in het epos in een gevoelige mythe medegedeeld wordt.

DE EPISCHE VERTELLER VERHAALT:

Daarop reed Indra, aarde en hemel alom Vervullend van gedreun, de zoon van Koentï Op de eigen wagen tegemoet, en sprak:

‘Stijg op!’ Maar ziend zijn broeders neergestort, Van smart gebogen, gaf Yoedhishthira Heerser naar rechtsgebod, dit woord ten antwoord De God, die ziet door duizenden van ogen: YOEDHISHTHIRA:

Mogen mijn broeders, die gevallen zijn, Met mij daar treden! Verre van mijn broeders, Begeer ik de hemel niet, o Heer der Goden!

Ook zij het, o Verdelger veler burchten, De tengre koningsdochter, wie het heil Ten volle toekomt, thans gegund met ons Vereend te zijn, die gunst verleen’ Uw Hoogheid! INDRA:

Uw broeders zult ge aanschouwen in het oord Der zaligen, opgegaan ten derden hemel, Hen allen, samen met de donkertintige;

Zet zorg ter zijde, o Stier der Bharata’s!

Maar u is ’t weggelegd in dit uw lijf (Vast staat mijn woord) de hemel in te gaan.

YOEDHISHTHIRA:

Maar deze hond, Heerser van al wat is, Van al wat wezen zal, was steeds mij trouw.

Hij ga met mij, want ach, mijn hart is week.

INDRA:

O vorst, treed binnen thans het heerlijk rijk Des hemels, waar ge, in glorie mijns gelijk, Macht en onsterflijkheid genieten zult.

Verlaat die hond, geen wreedheid is uw schuld! YOEDHISHTHIRA:

O duizendogig God, geen lage daad Verwacht van edel man! Zwaar valt me Uw raad, O edel God! Geen heil is mij begeerlijk, Waarvoor ik vriend zag vallen droef en deerlijk. INDRA:

Geen altaar wordt geteld-in ’s hemels oord Van wie een hond bezit. Hooploos verstoord, Van duister weggeroofd ligt heel zijn schat Van werken, waar een hond zijn spoor betrad.

Bezin Uw daad, o heerser, in rechts naam!

Verlaat die hond; geen wreedheid is Uw blaam! YOEDHISHTHIRA:

’t Verlaten van een vriend heet zwaarste zonde, Zwaarder dan priestermoord. O, nimmer kon de Die daad bestaan, dat ik, naar eigen heil Grijpend, verzaakte een vriend, die ’t lijf steeds veil Voor mijns lijfs redding had; die van ellende Vermagerd mij verzelde, mij slechts kende Als enige blijdschap; vrezend mijn besluit Droevig mij aanstaart. Aarzeling heeft uit!

Aanhoor mijn heilige gelofte, o God Van al het zijnd’: niets scheidt ons beider lot!

INDRA:

Wat met de kreet ‘vashat’ gebenedijd Of zonder ‘vashat’-roep werd toegewijd De góden, wierd het offer eens ontheiligd Door de ogen van een hond, geen macht beveiligt De gaaf tegen der duiv’len hel. Geef prijs De hond, zo wint ge ’t goddlijk paradijs!

Wat kommert U een hond! Uw broeders allen, Uw bruid, donker van tint, gij zaagt hen vallen, Maar keerde niet, o Held, tot gij volbracht De zware reis, steunend op eigen kracht.

Aan ’s hemels drempel thans, verdwaasd van geest, Zult gij alles prijsgeven om een beest! YOEDHISHTHIRA:

Vrede noch strijd bestaan met stervelingen, Die stierven. Deze wet kent geen bedingen.

Ook roept de mens doden ten leven niet;

Daarom, dat ik hen stervende achterliet.

Indra! vier zijn de zonden, die zwaar wegen:

Angst, aangejaagd den smeekling; goed, verkregen Door priesterroof; moord op een vrouw gepleegd; Misleiding van een vriend; maar eender weegt In mijne schatting, trouwloos te verstoten Hem, wiens aanhanklijkheid wij eerst genoten.

DE EPISCHE VERTELLER VERVOLGT:

De mom van hond viel af en in gestalte Zichzelf, van ’t Recht de God, spreekt Dharma tot Yoedhishthira, heerser naar rechtsgebod Rede van minzaamheid en luide lof, Die vindt in ’s harten vreugd haar stijl en stof. DHARMA:

Waarlijk, gij zijt geboren, Vorst der Vorsten, Met mijn karakter, met uws vaders inborst En wijsheid, en met zulk een tederheid, O Bharata, voor al wat ademhaalt!

Te voren reeds, o zoon, in ’t Dvaita-woud Heb ik u op de proef gesteld. Uw broeders, Zoekend drinkwater, waren omgekomen.

Toen hebt gij, voor de keus geplaatst, en Bhima En Arjoena, beiden uw volle broeders, Achtergesteld, en wikkend recht en onrecht, Om de gelijkgerechtigdheid der moeders Te openbaren, ’t leven weergewenst Voor Nakoela. Zo ook, omdat die hond U trouw was, weest gij af der Goden wagen.

DE EPISCHE VERTELLER SPREEKT:

Toen noodden Dharma, Indra, ook de Maroets, Ook de Agvins, godheden en goden-zieners, Die allen noodden Pandoe’s zoon ten wagen;

Of togen hem vooruit, de zaligen, Op eigen godenwagens, zich bewegend Zo snel als lust en luim hen dreef; die allen, Heilig en door geen stof bestoven, immers Heilig in woord en daad en overweging.

En hij, die ’t eigen huis tot aanzien bracht, Besteeg de wagen en doorkliefde hoog En snel de dampkring en des hemels ruimte, Vervullend beide met zijns luisters weerschijn . . . De spanning, eigen aan het Griekse drama door zijn beperking tot één handeling, m.a.w. een psychisch conflict, en de uitbeelding ervan in een booglijn, aanvangende met een motorisch moment, opstijgende tot een hoogtepunt, neerbuigende in een ommekeer, neerploffende in een catastrofe of in een comische ontspanning, tenslotte vervloeiende in een stemming van hoop of algemene vreugde, — deze spanning vinden we overal ter wereld en niet alleen in het drama, zo b.v. zelfs in een geëmotionneerd geschiedverhaal. Om mij tot één scherp sprekend voorbeeld te beperken, in het evangelie van Mattheus zijn de felle redevoeringen tegen de Farizeeërs het motorisch moment, de ontmoeting met Mozes en Elia en de erkenning door Petrus het hoogtepunt, het plan naar de oude koningsstad Jeruzalem te reizen de ommekeer, de passie de catastrofe. De scherpe tegenstelling tussen stijgende en dalende lijn toont de diepe bewogenheid van de evangelist.

Deze dramatische spanning is door de Indiërs in het drama zelden of nooit aangewend. Een prachtig comisch voorbeeld vinden wij evenwel in Arya?oera’s Mahabôdhijataka (4de eeuw na Chr.) in een verhaal; Mahabôdhi (de naam Jataka zegt het reeds) namelijk is een der mensgestalten, die Boeddha voor zijn verschijning als Heiland heeft aangenomen. Als monnik-prediker was hij toen kundig in vele wetenschappen, maar vooral in de rechtsgeleerdheid. Eenmaal was hij een gevierd gast aan het hof van een ernstig koning. Maar de jaloerse, ketterse ministers intrigeerden sluw tegen hem. Het kwam tot een uitbarsting, een gesprek tussen monnik en vorst, waarbij de hond aanwezig was.

Toen sprak Mahabôdhi de woorden:

Hoe likte hij mijn hand en kwispelstaartte, Toen liefde in ’t hart van hond en meester woonde;

Nu blaft dit dier met beesten-eerlijkheid Wat gij niet zeggen durft, maar heimelijk schimpt.

Nu blijkt, wiens brood men eet, diens woord men spreekt.

Mahabôdhi vertrekt, onder belofte, indien de omstandigheden het vereisen, de vorst nog eenmaal te bezoeken. In de eenzaamheid van het woud verwerft de monnik zich door meditatie-oefeningen vele tovergaven. Hij ziet in de geest het hof en hoort de ketterse leugens der vijf ministers.

Een paar voorbeelden volgen.

In ieder leven wordt een daad bepaald Door heel het vroegere en ’t begonnen leven;

Het wilsbesluit is schijn; het lot beslist;

Streef naar geluk, het onheil valt u toe.

Een minister, die over ethiek heet te filosoferen, zegt: Genot, wat waarde heeft het laf genot!

Wat deert ons lief en leed van slavenzielen!

Als bomen, die slechts om hun schaduw zijn, Gebruikt de vorst, door glans van roem bekoord, Zolang ’t hem loont, vleiend zijn onderdanen, Bloedende bokken voor zijn offerfeest.

Het overwicht der ministers vormt het hoogtepunt der handeling. Nu komt het keerpunt in merkwaardige vorm. De monnik tovert een apenhuid uit het niet en, daarmede bekleed, vervoegt hij zich aan het paleis. De koning, hoewel geschokt, ontvangt hem eerbiedig in de audiëntiezaal.

De ministers gnuiven: daar is nu die brave zedeprediker met de huid van een gedode aap bij wijze van monnikspij. Maar Mahabôdhi daagt hen tot een dispuut. Tot de fatalist zegt hij:

De ziel, tevoren reeds bestaande, schept Het volgend leven; al wat zij ervaart, Is de afloop slechts van vroegre levensdaad.

Mij treft geen schuld; ook de aap, die kwam te sterven, Is voorbeeld van die wet. Of keer het om:

Uw leer is dwaling; dan geef mij de schuld!

Tot de machtsverheerlijker zegt hij:

Als bomen, die slechts om hun schaduw zijn, Aldus deze aap; hij was er om zijn vel.

Ik gaf die aap, als bok, als onderdaan, Een aderlating, dat hij ’t leven liet.

Ik volgde trouw het leerstuk van de macht.

Wat gispt gij mij ? Ik handelde als een vorst.

En moet een apenmoord voor wreedheid gelden, Ik vraag weerom: hoe valt ge hier weekhartig?

Maar, blijft ge trouw aan ’t leerstuk van de macht, Erken: mijn daad is zelfs een koning waardig!

De ministers stonden na deze aanval sprakeloos door hun onmacht tot verweer; maar de koning en het welwillende deel van het hof waren toch niet bevredigd. Toen toverde Mahabôdhi de apenhuid weg en sprak: ik schiep dit ding uit het niet als een onderwerp van gesprek. Daarna gaf hij een rede over vorstenplicht, waaraan het volgende is ontleend:

Indien een vorst de ploeger van de velden, De teler van het vee zijn zorg onthoudt, Hoe staan zijn eigen schuur en stallen ledig!

En die ’t belang van stedeling en koopman Miskent, ontdekt de bodem van zijn schatkist.

Wanneer de krijgsman aan de grens zijn plicht doet En ’t land beschermt voor inval en verraad, — Ziet hij zich door de koning laks vergeten, Hoe kan er op het slagveld trouw bestaan?

Indien een vorst de monniken veracht, En ook de priesterschap, van deugden blinkend, Met woord of daad beledigt, kan hij reek’nen Op hemels zaligheid? Zoals wie ’t ooft Pas half gerijpt, reeds plukt, aan ’t nieuwe zaad De groei onthoudt, zo brengt een vorst, heffend Harde belastingen, het land tot armoe.

Zijn betoog met practische beschouwingen ten einde brengende, inzonderheid voor het recht onpartijdigheid opeisende, steeg de monnik opwaarts;. aanbeden door de menigte met neergebogen hoofd en samengevouwen handen; en zwevende bereikte hij de hut zijner woudeenzaamheid.

Het Indische drama is geen drama naar Europese opvatting, het beperkt zich niet tot één conflict en het kent ook niet de eis van de booglijn. Het verkiest sprookjesmotieven boven de psychische oorzakelijkheid. De techniek richt zich op het scheppen van een reeks situaties, waarin de hoofdpersonen in kunstig-gebonden epi-grammatische vormen hun lyrische bewogen heid uiten. Daarnaast is het een spel van virtuositeit; aan de hogere mannelijke personages wordt het Sanskrit toegekend, aan anderen een of meer der volkstalen, talen, die zich onderling verhouden als Latijn, Italiaans en Frans. De verhalende en toelichtende partijen worden gegeven in voor- of tussenspelen; de geëmotionneerde hoofdpersonen treden op in de eigenlijke bedrijven. De karaktertekening voldoet aan conventionele eisen, zoals in de beeldende kunst de verhouding der ledematen dit doet. Het Indische drama is een hoftoneel.

Kálidása leefde en werkte in de 4de of 5de eeuw na Chr., en werd bij zijn bekend worden in Europa aanstonds erkend door Goethe als een der grootste dichters van de wereldliteratuur.

Het hoogst geëmotionneerde punt van zijn drama Oerwagï is het ogenblik, wanneer de hemelnymf Oerwagi ten gevolge van een vroeger uitgesproken vervloeking in een der slingerplanten van het Minnewoud verandert en koning Poeroeravas, haar zoekende, in wanhoop alle natuurvoorwerpen aanroept om raad of tot verwijt. Twee van die aanroepingen volgen hier.

Tot een hansa:

Indien de nymf met smalle wenkbrauwbogen Aan vijver-oever nimmer trof jouw ogen, Hoe heb je, dief, met zulke fijne knepen Haar lieve, lichte wiegelgang gegrepen?

Geef mij de nymf! Ik spreek als koning recht, Want, heb je al geen getuigenis afgelegd, Je bent betrapt als houder van een deel, Zo stel ik jou aanspraaklijk voor ’t geheel.

En tot een bij, die zich uit een lotus losmaakt, zegt hij: Verhaal mij, honingbrouwer, gang en treden Van haar, zo mooi van ogenschijn en leden! — Maar neen, gij hebt niet eens haar geur geroken, Of zaat zo knus niet in die kelk gedoken.

En zo mogen thans hansa en lotus deze mededeling besluiten, zoals ze er de opening van vormden.

B. FADDEGON
A. Macdonell, A history of Sanskrit literature, 1917 (uitvoerige behandeling van de Vedische letterkunde, opgaven van monografieën).

Faddegon, Indische natuurpoëzie, Nieuwe Gids, Juli 1922, blz. 56.

J.S. Speyer, The Gdtaka-mdldor garland of birth-stories by Arya-Süra, translated, 1895. J. Huizinga, De Vidüshaka in het Indisch toneel, 1897. R. H. van Gulik, Urvafi, een oud-Indisch toneelstuk van Kdlidasa, 1932.

B. Faddegon, Gita-Gôwinda, Pastorale van Djajadêwa, in Nederlandsche verzen overgebracht, 1932.