Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Literatuur Oud- Scandinavië en Ijsland

betekenis & definitie

Wanneer wij van de Scandinavische literatuur vóór 1500 spreken, dan is het in de eerste plaats de IJslandse literatuur, die de aandacht trekt. Het is een merkwaardig verschijnsel, dat Ijsland zulk een bloeiende letterkunde heeft voortgebracht in een tijd, waarin de literatuur van Noorwegen, Zweden en Denemarken slechts weinig biedt, wat onze belangstelling wekt.

Ijsland is een Noorse kolonie, eerst in het einde van de 9de en het begin van de 10de eeuw gekoloniseerd. En omstreeks het jaar 1000 bloeit daar een literatuur, die ver boven die van het moederland uitgaat.

Ongetwijfeld zijn in deze literatuur motieven bewerkt, die tot het oude Noorse, deels Scandinavische, wellicht zelfs Germaanse cultuurbezit behoorden, maar veel ervan is echt IJslands. Toen de Noorse kolonisten zich op Ijsland vestigden, woonden daar geen mensen.

Men kan de ‘lust tot fabuleren’ dus niet toeschrijven aan een vermenging met een oerbevolking, aan welke deze aanleg eigen geweest zou zijn. Mogelijk kan aan Keltische invloed worden gedacht.

Talrijk zijn de verhalen van IJslanders, die van hun tochten over zee Ierse vrouwen mee naar huis brachten en latere schedelmetingen schijnen een niet onbelangrijke vermenging met het Keltische ras aangetoond te hebben. Hoe het zij, de rijkste Oudgermaanse literatuur is op Ijsland ontstaan.

Deze literatuur is zeer veelzijdig. Wij zullen ons hoofdzakelijk bepalen tot de Eddapoëzie, de skaldenpoëzie en de saga’s.Onder Eddapoëzie verstaat men gedichten, die betrekkelijk eenvoudig van vorm zijn en waarvan wij de rdichter niet kennen. Als alle IJslandse poëzie is ook de Eddapoëzie allitererend. De meeste Eddagedichten zijn in één handschrift uit de 2de helft van de 13de eeuw verzameld. Latere uitgaven van dit handschrift noemen wij de Edda. Er zijn echter ook nog enkele andere gedichten, die op grond van de bovengenoemde kenmerken tot de Eddapoëzie gerekend worden, maar die toevallig niet in het genoemde handschrift terechtgekomen zijn. Wat betekent Edda? Dat is nog niet zo eenvoudig. Waarschijnlijk zal het wel leerboek der poëzie betekenen. De IJslandse literatuur kent twee Edda’s. Behalve het bovengenoemde handschrift bestaat er een prozawerk, waarin echter ook gedichten geciteerd worden, dat Snorra Edda, d.i. de Edda van Snorri heet. Hoe dit werk tot stand gekomen is, is ons met zekerheid bekend. De schrijver, Snorri, is de beroemde Snorri Sturluson (1178-1241), die in het begin van de 13de eeuw deze Snorra Edda geschreven heeften dit werk. dat uit drie delen bestaat, is ongetwijfeld een handleiding voor de IJslandse dichters. Toen men zich later — in de 17de eeuw — met de studie der middeleeuwse letterkunde bezig ging houden, had men een zekere minachting voor nuchtere feiten. Men had het gevoel, dat men tegenover een zo respectabel werk als de Snorra Edda in eerbied te kort zou schieten, wanneer men voetstoots aannam, dat zich bij de geschiedenis van het tot stand komen daarvan geen problemen voordeden. Men meende dus, dat de Snorra Edda een bewerking was van een verloren gegane oudere Edda, die door Saemund de Wijze geschreven zou zijn Toen nu in de 17de eeuw het bovengenoemde handschrift met gedichten in het bezit kwam van een kenner der Oudheid en deze zag, dat het verhalen bevatte, die ook in de Snorra Edda werden verteld en dat er ook gedichten in stonden, die in de Snorra Edda geciteerd werden, meende men de Edda van Saemund te hebben weergevonden en de gedichtenverzameling kreeg de naam van Saemundar Edda. Op grond van latere onderzoekingen mag men thans aannemen, dat de verzameling niet op de naam Edda en zeker niet op de naam Saemundar Edda aanspraak kan maken, maar de naam Edda heeft zij behouden. Het is zelfs zo. dat wanneer men van Edda spreekt, niemand aan het enige werk denkt, dat deze naam terecht draagt, nl. de Snorra Edda, maar dat iedereen denkt aan de verzameling van Eddagedichten. Wanneer men het onderscheid tussen de beide Edda’s wil aanduiden, spreekt men van de Snorra Edda en de oudere of poëtische Edda.

De Eddagedichten worden verdeeld in goden- en heldenliederen. De spreukenverzameling Hdvamal kan op grond van enkele daarin meegedeelde avonturen van Odin tot de godenliederen worden gerekend, men kan het gedicht echter ook een eigen plaats toekennen.

De verzameling wordt ingeleid door Voluspá, het meest monumentale gedicht van de Germaanse Oudheid. Het is een verhaal van de schepping en de ondergodengang der wereld. De dichter bewerkt hier oude liederen mythologische motieven van ragnarök, de ondergang der godenwereld, die haar glans reeds verloren heeft door de dood van Baldr. Maar treffend en zeker een eigen visie van de dichter is, dat de ondergang van de wereld hier wordt toegeschreven aan moreel verval, niet nakomen van beloften, gebrek aan naastenliefde, valsheid: 'bijlentijd, zwaardentijd — schilden worden gekliefd — stormtijd, vijandschap, voordat de wereld vergaat; geen mens zal de ander sparen’. Maar als het proces zich voltrokken heeft, komt een nieuwe wereld uit de zee op, 'wederom groen; bergbeken ruisen, een adelaar vliegt er over, die in de bergen op vissen jacht maakt’. Het is een indrukwekkend, gedragen gedicht, getuigend van een diepe ethische ernst. Men vraagt zich af, in welke tijd het tot stand gekomen is. Tevens doet de vraag zich voor, of het in Noorwegen of op IJsland is ontstaan. De twee vragen hangen ten nauwste samen. Immers, indien men zou kunnen aantonen, dat het gedicht ouder is dan omstreeks 870, dus uit de tijd vóór de kolonisatie van IJsland, dan moet het in Noorwegen zijn ontstaan. Nu is de datering van Oudnoorse poëzie, die gewoonlijk veel ouder is dan de bewaarde handschriften, een uiterst moeilijk probleem. Maar veel spreekt er voor, dat Voluspd een IJslands gedicht is en dat het is ontstaan omstreeks het jaar 1000, kort voor de tijd van de invoering van het Christendom op IJsland. Het oprijzen van de aarde uit de zee b.v. is een voorstelling, die kenmerkend is voor eilandbewoners of voor volken met een vlakke kust. Dit kan nauwelijks Noors zijn. Het zwart worden van de zon vóór de ondergang van de wereld zal waarschijnlijk op IJslandse asregens wijzen en het volkomen gebrek aan botanische kennis van de dichter is typisch IJslands. Een treffend voorbeeld van dit laatste is het IJslandse spreekwoord: de appel valt niet ver van de eik. De benauwende ondergangsstemming, waarvan het gehele gedicht getuigt, is kenmerkend voor de tijd van omstreeks 1000 na Chr. Algemeen verwachtte men toen de ondergang van de wereld, ook in het Noorden, waar het geforceerd bekeren tot het Christendom door de Noorse koningen van die tijd zeker ook in dit licht bezien moet worden. Voor de datering van Voluspa omstreeks het jaar 1000 spreekt ook de behandeling van de mythologische stof. De dichter kent de Oudnoorse mythologie, maar men krijgt de indruk, dat het voor hem kennis en geen cultus is. Wij bevinden ons dus in het laatste stadium van het heidendom en dit wordt bevestigd door de vele christelijke invloeden, die in het gedicht aan te wijzen zijn, b.v. de ondergang wegens de verdorvenheid van het menseüjk geslacht, de voorstelling van een betere wereld en de komst van de ‘machtige’ aan het einde. Men zou ook graag weten wie de dichter is van dit grootse gedicht. Hij moet een man zijn van diepe menselijke wijsheid, met een groot dichterlijk talent. Enige formele kenmerken zouden er op wijzen, dat wij hem onder de skalden van zijn tijd moeten zoeken en men zou denken dat het dan mogelijk zou moeten zijn hem aan de anonimiteit te ontrukken. Sigurdur Nordal heeft jaren geleden een poging daartoe gedaan, maar hij is er in zijn boek over Voluspd niet op teruggekomen. Wanneer het deze kenner van de Oudnoorse letterkunde niet gelukt is een tip van de sluier op te lichten, zullen wij er ons mee tevreden moeten stellen, dat wij de naam van de dichter niet kennen. Door zijn werk echter staat zijn persoonlijkheid ons levendiger voor de geest dan van enige andere dichter van Eddagedichten.

De andere godenliederen zijn onpersoonlijker, meer zuiver episch. Het is mogelijk, dat de Germanen oorspronkelijk liederen gebruikten bij de cultus, maar dan zijn het zeker niet deze liederen geweest en evenmin zijn hierin resten van oude cultusliederen bewaard. In de Oudnoorse poëzie is kennis een veel belangrijker factor dan gevoel en de godenliederen getuigen ook overal van kennis van een godenwereld, die niet meer tot het gevoel spreekt. Hier en daar worden de góden op comische wijze voorgesteld. Kostelijk is het Thrymslied, het verhaal van Thor, die zijn hamer kwijt is en die gaat halen bij zijn vijanden in het reuzenland. De reus heeft voor het teruggeven van de hamer de voorwaarde gesteld, dat men hem Freyja zal brengen als bruid. Thor wordt nu voor zijn vertrek met zorg in bruidsgewaad gestoken. Loki, als de dienstmaagd verkleed, vergezelt hem. Thrym, de reus, is ontzet over de enorme eetlust, de onlesbare dorst en de vreselijke ogen van zijn aanstaande echtgenote, maar de haar vergezellende wijze dienstmaagd heeft overal een bevredigende verklaring voor. En als dan de hamer uit de diepste diepte, acht mijlen onder de aarde, te voorschijn gehaald wordt om het huwelijk in te zegenen — waarschijnlijk een reminiscentie aan een oude vruchtbaarheidscultus — dan slaat de bruid links en rechts om zich heen en slaat het gehele geslacht der reuzen kort en klein. Zo uitgelaten vrolijk als het Thrymslied zijn de meeste godenliederen niet. Sommige zijn een conglomeraat van middeleeuwse geleerdheid als Vafthrudnismál en Grimnismál. Vafthrudnismál beschrijft ons een wedstrijd in wijsheid tussen Odin, die hierbij incognito optreedt en de reus Vafthrudnir met het leven als inzet. De reus verliest natuurlijk, want Odin is altijd de wijste. De dichter verstaat de kunst, de schijnbaar zo dorre stof te bezielen en stuurt in een meesterlijke climax op het noodlottige einde aan.

Hávamál neemt, zoals hierboven reeds gezegd is, een eigen plaats in de verzameling in. Het bestaat uit verschillende delen, waarvan de reeks spreuken aan het begin het allerbelangrijkste is. Zij geven raadgevingen en sententies betreffende het dagelijks leven, hoe men zich moet gedragen in de omgang met anderen en wat de verstandigste instelling tegenover het leven is. De raadgevingen zijn nuchter en zakelijk. Nergens in de Oudgermaanse literatuur komt men de mens, in dit geval de Noorse of IJslandse mens, in zijn dagelijks leven zo na. Tot onze verrassing treffen wij hier niets aan van de edele Germaan, wiens gedachten langs de bogen van gothische kathedralen omhoog streven. Wij zien hier een mensensoort, dat zich geheel concentreert op het bestaan binnen de door de werkelijkheid gestelde grenzen. Men stelt prijs op gematigdheid, gezond verstand en voorzichtigheid. Het is goed wijs te zijn, maar toch ook vooral niet te wijs. Men kent de waarde van de vriendschap en van een goede verstandhouding met zijn medemensen, maar wanneer men iemand niet vertrouwt is het beter hem in het bedrog voor te zijn. Ook wanneer de gedachte zich bezighoudt met de dood, begeeft zij zich niet buiten de grenzen van het aardse leven. Waar het dan in de eerste plaats op aankomt is het oordeel van de medemensen over de dode. ‘Bezit sterft, bloedverwanten sterven, zelf sterft men eveneens, maar ik weet één ding, dat nooit sterft: het oordeel over iedere dode’. Men stelt ondanks alles prijs op dit in zijn mogelijkheden zo begrensde leven. ‘Het is beter te leven dan niet te leven, een levende krijgt altijd nog wel eens een koe’ en ‘Het is beter blind te zijn dan verbrand, niemand heeft iets aan een dode’. De strofen, waarin deze nuchtere levenswijsheid wordt meegedeeld zijn over het algemeen praegnant van vorm, zij prenten zich gemakkelijk in het geheugen. Een enkele maal verheft de toon zich boven het nuchter-zakelijke, b.v. in de mooie strofe: ‘De pijnboom verdort, die boven op de heuvel staat. Schors noch naalden beschermen hem. Zo is de mens, die niemand liefheeft. Waartoe moet hij lang leven?’ De heldenliederen zijn minder interessant dan de godenliederen, omdat zij gedeeltelijk een stof behandelen, die ook van elders bekend is. Een groot deel ervan is gewijd aan de Nibelungenpoëzie. De Nibelungenliederen en de Edda representeren echter een andere, zeker oorspronkelijker versie dan de Duitse. Terwijl in de Duitse versie Kriemhild medewerkt aan de ondergang van haar broeders, staat in de Eddagedichten Gudrun, de Kriemhild van de Duitse overlevering, aan de zijde van haar broeders. Hier is het oude Germaanse sibbebegrip bewaard gebleven.

Onder de heldenliederen onderscheidt het tweede lied van Helgi Hundingsbani zich door zijn buitengewoon dichterlijke taal. Hier vinden wij de prachtige strofe: ‘Zo stak Helgi uit boven de vorsten als een edelgevormde es boven de doornstruiken of als het jonge hert, met dauw besprenkeld, dat uitsteekt boven alle herten, en zijn hoorns gloeien tegen de hemel zelf’. Natuurbeschrijvingen zijn schaars in de oude poëzie, maar het beeld van het hert met zijn gewei, dat zich in de vroege morgen aftekent tegen de door de opkomende zon roodgekleurde hemel, getuigt toch, dat het natuurgevoel onze voorouders niet vreemd was. De heldenliederen zijn over het algemeen minder uit één stuk gegoten dan de godenliederen. Hoogtepunten met aangrijpende verzen worden afgewisseld door banale breedsprakigheid, b.v. in het korte Sigurdlied. In de zware atmosfeer van noodlot en tragiek kan geen sprankje humor binnendringen. Deze poëzie is meer algemeen Germaans dan Noors-IJslands.

De skaldenpoëzie is veel moeilijker toegankelijk dan de Eddapoëzie. Dit is behalve aan de moeilijkheden van de taal zeker hieraan toe te schrijven, dat deze poëzie voor ons gevoel zo weinig met poëzie te maken heeft. Schoonheidsontroering zal men bij het lezen van skaldengedichten zelden ervaren. Maar wanneer men zijn belangstelling richt op de koel-voorname vorm en een zeker vermaak schept in het ontwarren der raadsels, die de inhoud ons stelt, dan is deze poëzie in hoge mate interessant. De bouw van de strofe is uiterst ingewikkeld en eist enorm veel van het technisch kunnen van de dichter. Het zijn meestal zware verzen met drie heffingen en behalve de regels voor de alliteratie zijn er strenge regels voor binnenrijmen, die voor oneven en even verzen weer verschillend zijn. Dergelijke poëtische voorschriften vereisen een uitgebreid taalmateriaal. Er bestaat dan ook een Noors-IJslandse dichtertaal met veel woorden, die in het proza niet voorkomen en voorts maken de Oudnoorse dichters, de skalden, een uitgebreid gebruik van poëtische omschrijvingen, kenningar genaamd. Zolang deze berusten op wat men dichterlijke visie zou kunnen noemen, b.v. het paard van de zee voor schip, leveren deze kenningar geen bezwaren op voor het verstaan van de tekst. Maar de meeste der Oudnoorse kenningar berusten op weten. Zij zijn ontleend aan bepaalde verhalen, die verzameld zijn in het tweede deel van de Snorra Edda, en men moet ingewijd zijn om direct te begrijpen, dat met ‘het schip der dwergen’ of de ‘diefstal van Odin’ de dichtkunst of een gedicht wordt bedoeld. Hier komt nog bij, dat de dichter de verschillende delen van deze kenningar gaarne kriskras door het gedicht verspreidt, zodat het een geweldige gedachtenconcentratie van de hoorder vereist om uit al deze stukken en brokken een verstaanbaar geheel op te bouwen. De kenningar vormen zeker het middel om de aandacht der hoorders levendig te houden. De skaldengedichten werden voorgedragen in de hal van de koning. Behoudens enkele uitzonderingen bezingen zij de voortreffelijkheid van de vorst en zijn dapperheid in de strijd. De traditionele inhoud van deze gedichten zou op zichzelf de aandacht der toehoorders niet gespannen kunnen houden. Deze wordt nu voortdurend geactiveerd door de raadselachtige vorm, waarin de inhoud wordt meegedeeld. De dichters der skaldengedichten zijn meestal met name bekend. Zij stonden hoog in aanzien en kregen vorstelijke geschenken, wanneer hun gedichten in de smaak vielen. De oudste ons bekende skaldenpoëzie stamt uit Noorwegen uit het begin van de 9de eeuw.

Tenslotte de sagaliteratuur. Onder de IJslandse saga verstaat men gewoonlijk een historisch verhaal. Er zijn saga’s overgeleverd over allerlei onderwerpen. Ons interesseren in de eerste plaats de saga’s over de geschiedenis der Noorse koningen in Heimskringla, geschreven door Snorri, waarvan vooral de saga van Olaf de Heilige onze bewondering wekt en voorts de IJslandersaga’s, waarin het leven van aanzienlijke IJslanders uit de tijd van omstr. 930-1030 wordt weergegeven. Zij geven een zeldzaam levend beeld van de maatschappij der IJslandse kolonisten, hun strijd om het dagelijks bestaan, hun avontuurlijke zeereizen, hun processen, de verhouding tussen man en vrouw, enz. De schrijver is anoniem. De stijl is episch-dramatisch. Het verhaal is levendig door de vele dialogen, waarin de eigenaardige IJslandse humor herhaaldelijk tot uiting komt. De sagaschrijver vertelt nuchter en realistisch. Hij blijft zelf op de achtergrond, maar men kan meestal wel zien welke personen hem sympathiek zijn en welke niet. Wij raken hier trouwens een belangrijk punt aan. Wat is het aandeel van een sagaschrijver in het tot stand komen van een saga? Zeker gaat aan de optekening een mondelinge traditie vooraf. Toch mag men aannemen, dat bij het optekenen van de grote saga’s de sagaschrijver een belangrijk aandeel in de compositie heeft gehad. De meesterhand van Snorri is onmiskenbaar in de schildering van Olaf de Heilige. Een dergelijke bekwame hand moet ook de Njalssaga, de Laxdplasaga en vele andere saga’s gemaakt hebben tot de kunstwerken, die ons zijn overgeleverd. Zeldzaam levend staan de personen ons voor de geest: Grettir, de held, die bang is in het donker, de wijze Njéll, in trouwe vriendschap verbonden met Gunnar van Hlidarendi, de onstuimige Egill Skallagrimsson, die op zijn oude dag gebogen wordt door de dood van zijn zoon en zijn verdriet hierover slechts te boven kan komen door zijn hart uit te storten in het onvergelijkelijk mooie gedicht Sonatorrek. Gevoeligheid wordt over het algemeen door de sagaverteller vermeden. Des te dieper indruk maakt het, wanneer de koele zakelijkheid door een enkel gevoelig woord verbroken wordt, zoals wanneer Gudrun in de Laxdplasaga na een lang leven en vier huwelijken zucht: ‘tegenover hem heb ik het slechtst gehandeld, die ik het meest heb liefgehad’, en wanneer in de Njdlssaga Gunnar, die vogelvrij verklaard is en het land zal verlaten, onderweg naar het schip zijn blikken laat gaan over de schoonheid van het zomerse landschap en zegt: ‘Schoon is de helling, schoner dan ik ooit gezien heb, grijze akkers en gemaaid grasland, ik rijd weer naar huis en denk er niet over om weg te gaan’. En hij blijft in het land, dat hij wegens zijn schoonheid niet kan verlaten, hoewel hij weet, dat hij zijn ondergang tegemoet gaat. De IJslandse saga met haar bonte personengalerij is altijd weer boeiend en steeds ontdekt men er nieuwe schoonheden.

Van verdere Scandinavische literatuur der M.E. is er weinig, dat voor niet-vakgeleerden van belang is. Ik zou hier nog het verheven Mariagedicht Lilja van 1340 willen noemen, gedicht door de Noorse monnik Eysteinn Asgrimsson, waarin Oudgermaanse vorm en christelijke inhoud tot een zeldzaam harmonisch geheel versmolten zijn.

Een Scandinavische dichtsoort, die over het gehele Noorden verspreid is, is het volkslied, oorspronkelijk een episch danslied met een lyrisch referein. De tekst werd door een voorzanger gezongen of gereciteerd, waarbij de in een kring geschaarde paren danspassen uitvoerden. Het referein werd door allen meegezongen. Denemarken heeft het grootste aantal van deze volksliederen bewaard en hier vinden wij ook de zorgvuldigst opgetekende teksten. Veel van deze liederen hebben wij in een Deense, Zweedse, Noorse, soms ook in een Faerpse en IJslandse versie. Wat de poëtische waarde betreft, zijn deze volksliederen zeer ongelijk. Mooi is het lied van de dood van de Deense koningin Dagmar met de elegische inzet: ‘Koningin Dagmar ligt in Ribe ziek’ en het lied van de ongebreidelde Ebbe Skammelsson met het originele referein: ‘Daarom betreedt Ebbe Skammelsson zo menig wild pad ‘ voorts het lied van de twee geliefden Aage en Else, waarin verteld wordt, hoe ridder Aage ’s nachts uit zijn graf komt om zijn geliefde, jonkvrouw Else, te bezoeken, maar voor zonsopgang moet hij haar weer verlaten. Else volgt hem naar het kerkhof en ‘toen zij door het bos kwam op het kerkhof, toen verbleekte ridder heer Aage zijn schoon goudblonde haar’. Als Aage in het graf is verdwenen, gaat Else naar huis, maar ‘een maand daarna lag zij in de aarde. Want zij had die ridder trouw beloofd’.

Een literatuurgenre uit het oude Scandinavië, dat weinig bekend is, maar dat, naar het mij voorkomt, toch ook de leek belangstelling moet inboezemen, zijn de oude wetten, die in het Zweeds in de oudste en beste vorm bewaard zijn. Het oudste handschrift, de oude wet van Vastergôtland, stamt uit het einde van de 13de eeuw. Men kan zich misschien moeilijk voorstellen, dat zo’n wet onderhoudende lectuur kan zijn. En toch is dat het geval. De kernachtige, zuivere taal met veel alliteraties, hier en daar zelfs hele strofen, herinnerend aan de tijd vóór de schriftelijke overlevering, toen de wet in het geheugen bewaard moest worden, boeit de aandacht. Men krijgt uit deze wetten ook een merkwaardige kijk op de Oudgermaanse samenleving. Zo leert men eruit, welke waarde verschillende bezittingen vertegenwoordigen en hoe hoog een mensenleven wordt aangeslagen. Doodt men een vreemdeling, dan is dat betrekkelijk weinig kostbaar, is de verslagene iemand uit Zweden, dan wordt de boete aanmerkelijk hoger en als het iemand is uit de eigen provincie, dan is de boete aanzienlijk. Hier en daar verraden de wetsbepalingen ook een zekere spanning tussen wereldlijke en kerkelijke macht. Verrassend is het ook te zien, hoe men zich van allerlei beschuldigingen kan vrijpleiten door een aantal getuigen, die echter niets gezien of gehoord behoeven te hebben. Kortom, het lezen van zo’n wet is een literair genoegen op grond van de taal, waarin deze wetten zijn geschreven en een cultureel genoegen wegens de vele verrassende aspecten, die de verschillende bepalingen bieden.

P. M. BOER-DEN HOED

Jón Helgason, Norron Litteraturhistorie, 1934. Jan de Vries, De Germaanse Oudheid, 1930.