Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Letterkunde (Latijnse oudchristelijke)

betekenis & definitie

Inleiding: de werken der Lat. christelijke schrijvers behoren in meerdere of mindere mate tot de Lat. letterkunde en vragen als zodanig om een literaire en aesthetische beoordeling. Deze wordt door de geleerden enigszins verwaarloosd en is ook moeilijk, omdat de Ouden het begrip der literatuur anders verstonden dan wij: zo bezit de chr. letterkunde weinig romans en haast geen lyriek; maar een wetenschappelijke verhandeling over de ziel of een strijdschrift tegen een ketter werd nauwkeurig gestileerd en bewust voorzien van rhythmische zinseinden (clausulae), omdat het tot de literatuur werd gerekend.

Men kan zich uit deze impasse redden, door ôf iedere letter die van een Lat. christen door handschriften is overgeleverd, als letterkunde te beschouwen (dit doet M.Schanz in zijn uitvoerige Lat. literatuurgeschiedenis), ôf een subjectieve keuze te doen uit de zeer talrijke en omvangrijke geschriften en de overige, die veelal ketters jagen of Schrift verklaren op een wijze, die door niemand meer wordt aanvaard, onvermeld te laten. De beginner zij echter gewaarschuwd, dat de schoonheid, hier althans, maagdelijk is en zich alleen aan de volhardende minnaar of ook in het geheel niet geeft. Men kan b.v. door de lezing van de ‘Confessiones’ van Augustinus ten onrechte teleurgesteld worden, omdat men de kunstwil van de schrijver en zijn verhouding tot de stijlidealen van zijn tijd niet kent: anderzijds kan men zijn smaak grondig bederven door alles mooi te vinden.

Daarom wil ik enige richtlijnen der vertolking aangeven: Dat rhetoriek per se verwerpelijk is, moet een vooroordeel zijn, want vrijwel alle Lat. schrijvers, heidense en chr., zijn rhetorisch. Welsprekendheid werd het voornaamste en eigenlijk enige vak, dat op school geleerd werd in de tijd der republiek, toen beraadslagingen en redevoeringen iets schenen te beslissen, en bleef het, toen het vrije woord in het openbare leven niet meer werd gehoord, in de keizertijd waarin de chr. auteurs leefden. Zij kregen een heidense, d.w.z. literaire opleiding en konden deze nooit vergeten. Tertullianus, die de Grieks-Romeinse beschaving verachtte, schrijft toch de moderne (Asiaanse) stijl van zijn dagen, juist als zijn heidense landgenoot Apuleius.

Men benadere dit verschijnsel met een oordeel des onderscheids: deze wijze van schrijven is te druk; het is onnatuurlijk dat de stijl der gesproken rede het proza en zelfs de poëzie overheerst. Het najagen van welluidendheid en kernachtige bondigheid kan een beletsel zijn voor zuiver redelijk denken volstrekte rhetoriek is zonder twijfel een kenmerk van halfbeschaving maar de grote aandacht voor de vorm maakt deze geschriften pas tot bewuste kunstwerken in de antieke betekenis van het woord. Of bepaalde geschriften ook tot de schone letteren in onze zin gerekend moeten worden, kan men enigszins uitmaken, wanneer men, de Hollandse verlegenheid vergetend, met zuidelijk pathos deze of gene passage in de zoetgevooisde uitspraak der katholieken en in het vereiste rhythme hardop leest en op hun muzikaliteit waardeert.

Voor de heidense Lat. auteurs was de Gr. literatuur classiek, dat is voorbeeldig, geweest; zij wilden geen eigenwegen gaan, maar de Gr. navolgen en evenaren en zij hebben hun eigen wezen ontvouwd door de Gr. scholing. Eenzelfde afhankelijkheid bestaat bij de Lat. oudchr. schrijvers: van de eerste, Tertullianus, tot de laatste, Cassiodorus, putten zij uit Gr. bronnen en schrijven deze soms letterlijk over, veelal zonder vermelding van naam. De apologeten, die het chr. geloof verdedigden tegen het heidendom (tot ca 313, het Tolerantie-edict van Milaan), kenden gedeeltelijk beter Gr. dan de latere theologen, die een stelselmatige leer opbouwden, maar stonden minder open voor de Gr. beschaving: Tertullianus schreef werken in beide talen, bezat in Carthago een uitgebreide boekerij van chr. en heidense Gr. auteurs en las Plato, die hij door beperktheid des geestes niet begreep; Hieronymus kende vrijwel uitsluitend die Gr. patres, wier werken hij op zijn reizen tegenkwam, wist veel minder door eigen lectuur van de profane schrijvers dan hij voorgaf en gebruikte hen allengs alleen voor de uitleg van de Bijbel; Augustinus had op school een tegenzin tegen Gr. en vergat het dus snel, maar leerde het op gevorderde leeftijd weer om op wetenschappelijk peil te blijven; de neoplatonische wijsbegeerte van Plotinus en Porphyrius nam hij echter zo in zich op, dat men het betwijfeld heeft, of hij tot het Neoplatonisme of tot het Christendom was bekeerd. Deze veranderde houding tegenover Plato vloeit voort uit een verschil in religieus type: de apologeten waren moralisten, die ontleenden aan de gelijkgestemde Gr. apologeten, Justinus en Theophilus van Antiochië of aan Irenaeus van Lyon, de heilige ketterjager, de theologen mystici, die teruggrepen op Clemens van Alexandrië en Origenes, die de chr. waarheden in platonische termen wilden uitdrukken. De apologeten hebben aan de stof van hun Gr. geestverwanten weinig nieuws toegevoegd, maar overtreffen deze artistieke stoethaspels verre in de ordening van hun argumenten en de stilistische vormgeving, dank zij de rhetoriek. Hun houding imponeert door moed en zedelijke hoogheid, niet door religieuze diepgang of bezonnen bespiegeling. De theologen daarentegen hebben nooit de hoge gedachtenvluchten van de Gr. kerkvaders (patres) kunnen evenaren. Mede door de afhankelijkheid van de Gr. voorbeelden is de Lat. oudchr. letterkunde ontragisch: want alle Gr. godgeleerden, de apologeten zo goed als de Alexandrijnse doctores, waren optimistisch en legden de nadruk op de vrije wil van de mens. Ook in de Lat. patristiek wordt weinig over het Kruis gesproken: des te groter wordt tegen deze achtergrond de figuur van Augustinus, die de tragiek der schuld zo diep besefte. Maar hij had op het beslissende ogenblik Paulus gelezen en de genade ervaren.

De chr. letterkunde is door de heidense sterk beïnvloed: Vergilius en Cicero vooral moeten genoemd worden. Op de scholen werden zij tot in de kleinste bijzonderheden uitgeplozen en om hun wijsheid geprezen. De heidense dichters uit de keizertijd schrijven hun verzen in de trant van Vergilius, de redenaars en schrijvers bootsen Cicero na. De chr. auteurs zijn ook hierin kinderen van hun tijd. Iuvencus (ca 330) vertaalde zelfs het evangelie van Mattheus in vergiliaanse hexameters; de lezing stelt teleur: het evangelie is geen epos. Ook de grotere dichters, Prudentius en Paulinus, bevatten vele classieke reminiscenties, niet uit onmacht, maar met opzet: men dacht destijds anders over oorspronkelijkheid dan nu. Zelfs de onbeschaafde dichters gaven hun felle ontroeringen over de verachtelijkheid der zinnelijke liefde en het laatste oordeel in (barbaarse) hexameters weer. Deze vorm, voor uitdrukking van chr. sentimenten weinig geschikt, heeft de poëtische overeenstemming van vorm en inhoud belemmerd: de chr. zomin als de heidense Lat. literatuur heeft een echt volkslied gekend. De beschaving zat te diep.

Tal van schrijvers hebben Cicero tot voorbeeld voor hun taal en stijl gekozen in een tijd, toen de volkstaal al zeer van de classieke norm afweek. Deze imitatio (nabootsing) versluiert enigszins de persoonlijkheid, maar geeft een onmiskenbaar cachet van beschaving. Wie haar afkeurt, moet twisten met de historie, welke het ciceroniaanse Latijn voorschrijft tot op de huidige dag.

Het Christendom heeft de Lat. literatuur verrijkt en bracht een problematiek van grote menselijke waarde, die het meest in de ‘vervelende’ werken tot uiting komt. De talrijke strijdschriften tegen de ketters behandelen geen hersenschimmen, maar levensvragen; vanwaar het kwade? (Augustinus tegen de manichaeërs), de vrije wil (Augustinus versus Pelagius), goedheid of gerechtigheid Gods (de strijd tussen Marcion en Tertullianus), schepping of emanatie (Irenaeus Latinus contra Valentinus), het wezen van de Christus (Hilarius van Poitiers tegen Arius). In de bijbelverklaringen wordt voortdurend gepoogd de Israëlietische voorstellingen met Gr. wijsgerige opvattingen te verzoenen, soms met onbewuste verdraaiing van de bijbelse tekst. (Als exegese betekenen zij niet veel: geen der Latijnen behalve Hieronymus kende Hebreeuws.) Kortom, vrijwel alle vragen die de ontmoeting van Christendom en Humanisme deden en doen rijzen, zijn destijds gesteld en beantwoord. Het sociale probleem bestond voor de patres niet.

De Primitieven

a.De bijbelvertalingen, die sinds ca 100 in groten getale als een soort midrasjim werden vervaardigd (men onderscheidt wel een Itala en een Afra) en door Hieronymus werden herzien, bewerkt of vervangen, waren in de volkstaal, het , ‘vulgair’ Latijn, omdat:
1. het lagere volk, de grote aanhang van het Christendom, in huis en eredienst de Bijbel moest kunnen verstaan (de geestelijkheid, ook in Rome, sprak Grieks of kende het);
2. de woordvolgorde van de tekst naar de opvatting van die dagen een heilige zin had, die niet verstoord mocht worden en nooit kon weergegeven worden door het classieke Latijn, dat beperkt was tot beschaafde uitdrukkingen, gehouden aan voorschriften van syntaxis en rhythmiek en alleen geschikt voor de vrije parafrase (omschrijving);
3.de bloedwarme volkstaal, zoals reeds Augustinus opmerkte, zich beter leende voor de weergave van de chr. voorstellingen en sentimenten dan de verstarde, welomschreven termen der beschaafde spreekwijze;
4. de vertalers (misschien) tot de lagere klassen behoorden. In ieder geval staat de structuur van de volkstaal dichter bij de Gr. koinè, waarin het N.T. is geschreven en het oudtestamentische Hebreeuws, dat geen gecompliceerde volzinnen kent, zoals het classieke Latijn.

Deze vertalingen hebben, evenals later die van Luther en van de Staten Generaal ten onzent, een nieuwe taal geschapen, vol graecismen en hebraïsmen, het kerkelijk Latijn dat op de taal der christenen in het Rom. rijk en op de Romaanse talen zeer grote invloed heeft gehad. Een mogelijkheid van het Latijn (dat van huis uit zeer geschikt is om een religieus affect te dragen), welke door de Gr. beïnvloeding eer belemmerd dan bevorderd was, kwam thans tot verwerkelijking; later verrijkt met de terminologie der mystiek, leverde het Latijn der bijbelvertalingen het taalmateriaal voor de middeleeuwse godsdienst, mystiek en wijsbegeerte.

b.De Passio Perpetuae et Felicitatis (uitgeg. door Van Beek, 1936) is een martelaarsverhaal. Perpetua. een jonge vrouw van twee en twintig jaar, beschrijft zelf met een sobere en zakelijke ongekunsteldheid, die de hoogste kunst is, haar verblijf in de gevangenis, de merkwaardige visioenen die zij ontvangt en haar rustige standvastigheid voor de rechter, als haar vader haar afvallig wil maken door haar haar zuigeling te tonen en zij met heldhaftigheid zonder ophef de dood voor Christus verkiest. Een ooggetuige van de marteling, die in het jaar 202 plaats vond, waarschijnlijk Tertullianus, schreef in bezwerend en zeer verzorgd kunstproza een inleiding en een slotwoord. De twee stukken vormen een schone eenheid van tegendelen.

De Apologeten {ca 200-ca 313)

a. Tertullianus uit Carthago, de eerste Lat. auteur der christenheid (ca 155-ca 223) van wie zeer veel werken zijn overgeleverd (uitgeg. door A. Kroymann), heeft zijn leven lang gestreden, eerst tegen de heidenen (Apologeticum), daarna tegen de ketters (adversus Praxean), tenslotte tegen de kerk (adversus Psychicos). Zijn meest opvallende trek is zijn geweldige hartstocht; deze geeft aan al zijn werken een sombere gloed en maakt zijn stijl zeer persoonlijk. Zolang deze passie beheerst wordt door een zekere waardigheid, is T. groot. Maar bij dergelijke temperamenten pleegt de verbittering bij het klimmen der ja ren toe te nemen; inderdaad is T. op den duur ‘versomberd in krakelen’. Iedere kleine onenigheid zwelt bij hem aan tot een gloeiende verontwaardiging, die aan zijn woorden een felheid en verve verleent, welke aan de hekeldichter Iuvenalis herinneren, maar voor de lezer toch vrij pijnlijk zijn, om T. zelf. Hij is als de geloofsheld, waarvan de apostel spreekt, die de liefde niet had.

Zijn scherp verstand muntte uit in de juridische betoogtrant (hij was jurist) en kon met starre logica onhoudbare stellingen bewijzen, daarbij gesteund dooreen schitterend geheugen, dat de Gr. en Lat. letterkunde spelenderwijs beheerste en de gehele Bijbel welhaast kon improviseren. Maar daarnaast voelt men een tekort: T. had geen dichterlijke gevoeligheid, geen mystieke ader, geen fantasie, nooit nemen zijn gedachten een hoge vlucht, er is geen droom in zijn leven. Met dit onvermogen om het verhevene te ervaren hangt ook zijn satirische humor samen, die telkens doorklinkt. In zijn geschriften geeft hij zich geheel, zoals hij was, hartstochtelijk en liefdeloos, verstandelijk en zonder verbeeldingskracht, als een man uit één stuk, in summa een echte Romein.

1.‘Apologeticum’. Dit jeugdwerk is tevens zijn meesterwerk (uitgave met comm. J. P. Waltzing, 1919): ieder woord is gewikt en gewogen, zoals uit een vergelijking met het voorontwerp (Ad Nationes) en een tweede uitgaaf (fragmentum Fuldense), blijkt; de argumenten, vrijwel alle aan de Gr. apologeten ontleend, zijn oordeelkundig uitgewerkt en zorgvuldig gedisponeerd. Bedoeld als verweerschrift der christenen tot de overheid gericht in de vorm van een pleidooi, wijst het op de dwaasheid, dat men de chr. verzoekt niet te bekennen (dat zij christenen zijn), terwijl men misdadigers foltert om ze tot een bekentenis te brengen. Met verontwaardiging wijst hij de beschuldigingen van het vulgus over bloedschande en rituele kindermoord onder de christenen van de hand en toont aan dat de heidenen zelf zich hieraan schuldig maken. Hij schetst zeer summier de voornaamste leerstellingen van het Christendom (paulinische begrippen ontbreken) en geeft een hooggestemde beschrijving van de broederlijke gemeenschap en edele zeden der chr., die waarachtig aandoet. Ook dringt hij aan op gewetensvrijheid (later zullen de chr. de ketters te vuur en te zwaard vervolgen) en verzoekt de rechters de chr. nog meer te vervolgen, omdat ‘het bloed der martelaren een zaad is’ (semen est sanguis christianorum). De stof is zeer gecomprimeerd en de stijl zeer geraffineerd: bij herhaalde lezing wint het kunstwerk aan schoonheid en zeggingskracht.
2.‘De testimonio animae’ (Over het getuigenis der ziel, uitg. met vert. van W. Scholte, 1934). Ofschoon T. zich soms zeer laatdunkend over de Gr. wijsbegeerte uitlaat (‘credo quia absurdum’ ‘ik geloof het omdat het dwaas is’ heeft hij nooit gezegd, zoals men wel meent), kunnen slechts onwetenden, zoals Leo Sjestow, menen, dat T. een chr. anti-Griekse wijsbegeerte heeft verkondigd: het moderne irrationalisme vindt men bij geen der Ouden weer. Ofschoon onze schrijver geen stelselmatige geest was, heeft hij veel aan de Stoa ontleend en is consequent materialist: de schoonste uitwerkingen van een stoïcijnse gedachte (die der ‘algemene begrippen’) in chr. zin vindt men in dit kort geschrift over ‘de ziel, die van nature christinne’ is (anima naturaliter christiana) = God wordt van nature gekend niet zozeer door het wijsgerig overleg, als in de spontane opwellingen van de volksziel in nood of dank, b.v. wanneer de eenvoudige mens onoverlegd ‘God dank’ (Deo gratias) zegt. De gedachte is reeds bij Seneca te vinden.
3.‘De Pallio’ (Over de mantel) (uitg. en vert. van A. Gerlo, 1941). Deze korte pronkrede, voor de Carthagers gehouden om de verwisseling van de nationale toga met de Gr. pallium te verdedigen, ‘het moeilijkste geschrift der antieke literatuur’ (Eduard Norden), is geschreven in de trant der cynisch-stoïsche diatribe (populaire verhandeling). Een vergelijking met de ‘Floridae’ (pronkredenen) van de heiden Apuleius toont, dat T. aan de literaire mode van zijn dagen kon meedoen als hij wilde.
4.Met ‘De patientia’ (Over de lijdzaamheid), welke hij erkent niet te bezitten, heeft T. een chef d’oeuvre geschreven, al zijn slechte eigenschappen een ogenblik vergetend. De lijdzaamheid en haar tegendeel worden zeldzaam evenwichtig geschetst, terwijl bij de schildering der heidense patientia, een caricatuur der chr., even enige bekende motieven uit de Rom. satire doorklinken. Een parel der chr. letterkunde. Zo is T.: hij ergert vaak, verveelt nooit en bevredigt zelden. De nuchtere en ironische Hollanders lezen hem met voorliefde: zij bewonderen ‘les qualités de ses défauts’.
b. De ‘Octavius’ van Minucius Felix (uitgave met vertaling van P. H. Damsté, 1936) beschrijft een wandeling van drie intellectuelen langs het strand van de badplaats Ostia, waar de jongens hun

schiffelstenen over de golven laten dansen! Er ontwikkelt zich een gesprek over het Christendom tussen de heiden Caecilius, die volstrekt twijfelt aan de mogelijkheid van zekere kennis, maar uit traditie verknocht is aan de nationale góden en Octavius, een christen, beminnelijk en verdraagzaam. Een vriend, die bij het gesprek tegenwoordig was, Minucius Felix, stelde later zogenaamd hun woord en wederwoord te boek, in een bekoorlijke en vederlichte vorm, die door Cicero's dialogen werd geïnspireerd, maar eigenlijk veel aardiger is, en in vloeiende, weldoordachte ciceroniaanse volzinnen (perioden) met een moderne touche.

Hij spreekt veel over de voorzienigheid en de doelmatigheid van het heelal, als een optimistische stoïcijn, nauwelijks over de Christus, de openbaring en de genade. Men heeft hieruit te veel willen concluderen: sommigen meenden, dat Minucius inderdaad de leerstellingen ontkent, waarvan hij geen melding maakt of afwijkt; anderen denken, dat hij ze als goed advocaat aanvankelijk wel verzwijgt, om de tegenstanders niet af te schrikken, maar aan hun waarheid niet twijfelt. Nu is geloven en geloven twee: Minucius was natuurlijk geen verlichte negentiendeeeuwer, maar hij had het kunnen zijn. Zijn eclectische overtuigingen (Cicero, Seneca, de Gr. apologeten) zijn zozeer tot een overwogen eenheid gerijpt, die bij een bepaalde persoonlijkheid hoort, dat hij voor andere accenten van het Christendom niet die voorkeur zal hebben gehad. Hij zal inderdaad hebben uitgesproken, wat hem het naast aan het hart lag. Na de wandeling geeft de heiden zich gewonnen: nooit verliep een bekering beschaafder en blijmoediger. Men kan niet begrijpen, dat deze idylle in een tijd van de verschrikkelijkste vervolgingen geschreven werd.

c.De brieven van Cyprianus (uitg. met een Fr. vert. in de collection Guillaume Budé) leze men niet om de rijkdom en oorspronkelijkheid der geCyprianus dachten, maar als verslag van het gedrag van mensen in groot gevaar. Keizer Decius beval in 2.50, dat alle inwoners van het rijk moesten offeren. Voor de christenen stond dit met afval gelijk. Cyprianus verlaat de stad en houdt zich schuil: dat was niet heldhaftig, maar wel voorzichtig. De gemeente telt zeer veel zwakke broeders, veel meer dan men zich tegenwoordig wel voorstelt: zij verdringen zich, om zelfs ongevraagd het offer te brengen (sacrificati); anderen voorzien zich op slinkse wijze van een vals bewijs (libellus), dat zij hun plicht gedaan hebben (libellatici). Uiteraard willen zij na enige tijd berouwvol terugkeren en richten zich tot hen, die standvastig gebleven zijn, de martelaren. Deze verdienen volstrekt niet allen de stralenkrans, die het nageslacht zonder aarzelen om hun hoofd hangt: de goede bisschop heeft ons een boekje open gedaan over de eigengereidheid van deze heren, die aan de gevallenen (lapsi) zonder onderscheid te maken schriftelijke verklaringen afgeven, dikwijls niet eens op naam gesteld, dat zij weer in de schoot der kerk dienden opgenomen te worden. Alsof er geen bisschop bestond. Er ontstond een levendige handel in deze verklaringen. Maar Cyprianus, die een zeer hoge opvatting van zijn ambt had, liet zijn macht niet zonder meer ondergraven. Zijn houding is verzoenend en zeer sympathiek, zijn optreden omzichtig en handig, maar hij behoudt het laatste w'oord. Het is troostrijk te zien, hoe schaars heldenmoed is, en hoe bedenkelijk soms, ook destijds.

De brieven zijn, naar de gewoonten der Ouden, minder rhetorisch dan de overige werken van Cyprianus (die in 258 de marteldood stierf): opmerkelijk is het verschil tussen de epistels van de welopgevoede bisschop en die van de martelaren, in een onbeschaafd Latijn vol fouten en zonder stijl.

De Theologen (na 313)

a. Hieronymus (345-420) was een groot humorist. Dat verwondert bij een geleerde wiens bijbelvertaling, de Vulgata, voor de katholieken nog steeds authentiek is, bij de kluizenaar, die leefde in de woestijn en stierf in Bethlehem. Maar zijn levensgeschiedenis toont, dat hij enigszins een vrijbuiter was, zonder hoge kerkelijke rang, voortdurend op reis, die door zijn licht ontvlambaar en samengesteld innerlijk voortdurend daverende onenigheden aantrok: in zijn grote en edele hart liggen woede en vertedering, schamperheid en verrukking vlak naast elkaar, als bij Léon Bloy. Met grote eerlijkheid en onbevangenheid heeft hij al deze stemmingen neergelegd in zijn brieven. Aangezien de verontwaardiging, bezielende bron voor alle hekelaars, in grote mate zijn deel was, en hij deze zeer kernachtig kon uiten, hebben verschillende van zijn brieven grote satirische waarde. Het beroemdst is zijn uitvoerige brief aan Julia Eustochium — een van de deftige dames van Rome, die hem vereerden — waarin hij de zeden van de hebzuchtige geestelijken en rijke huichelaars in Rome geselt. De satirische trek is een kostelijk erfdeel van het Lat. hekeldicht en van de spotzieke Italiaanse volksaard.
b. De ‘Confessiones’ of Belijdenissen, door Augustinus (354-430) in 398 geschreven (Ned. vert. d. A. Sizoo), beschrijven het leven (tot aan de bekering) van deze hoogleraar in de welsprekendheid, later bisschop van Hippo Regius in Afrika, die naast Plato de grootste gestalte van de Grieks-Romeinse beschaving is geweest. De eigenaardigheid van dit geschrift valt in het oog, wanneer men de (kortere en sobere) autobiografie er naast legt, die Plato in zijn zevende brief heeft gegeven: Augustinus zelf heeft het verschil aldus terecht geformuleerd, dat het platonisme geen ‘tranen van bekentenis, het offer aan God, een gebroken geest, een verbrijzeld en deemoedig hart’ kende. Verschil in leer, die met verschil in leven samenhangt. Want Augustinus dankte zijn inzicht niet zozeer aan het Christendom van die eeuwen, dat meer ontologisch en optimistisch gekleurd was, als aan zijn zelfkennis en levenservaring, bezien in het licht der bijbelse openbaring: hij had vóór zijn bekering een vriendin, van wie hij zich moeilijk los kon maken, en ofschoon hij niet willozer of zinnelijker was dan anderen, bezat hij de zo zeldzame eerlijkheid, zijn zwakheid te onderkennen en te bekennen, en behield zijn leven lang een ingewortelde twijfel aan de mogelijkheid tot zelfverwerkelijking. Zo komt het ook, dat Plato de crisis ervoer als een verlichting, Augustinus als een bevrijding. In de ‘Confessiones’ worden de jeugdherinneringen breed uitgesponnen. Hij boort zonder grimmigheid, helaas ook zonder humor, tot de diepste lagen van het menselijk bestaan en vervolgt de zonde tot in haar verste schuilhoeken. Deze aandacht voor het menselijk zieleleven in zijn verborgen roerselen is enig in de Oudheid.

Daarnaast treft zijn openheid voor de stromingen en stemmingen van zijn tijd: jarenlang was hij auditor (toehoorder) der manichaeërs, een ogenblik vluchtte hij in de sterrenwichelarij; de academische scepsis leerde hem behoedzaamheid bij het oordeel, zo noodzakelijk in een tijd, die onbevangen op ingevingen en bevindingen afging. De overtuiging, dat de geestelijke wereld onstoffelijk was, schonk hem de lezing van neoplatonische geschriften. De gehele Oudheid schijnt in zijn persoon samengevat, overwonnen en in haar betrekkelijke waarde erkend: want ofschoon hij nooit zoveel las, dat hij geen tijd had om een zelfstandig oordeel te vormen en zich niet zo grondig in een stelsel verdiepte, dat hij het tot in bijzonderheden kende, nam hij er genoeg kennis van om zich in een bepaalde geesteshouding in te leven en aldus zijn persoonlijkheid te vormen en zijn blik te verruimen. Zo zit er lijn en ontwikkeling in zijn leven en onwillekeurig denkt men dat Augustinus nooit zou zijn geworden, wat hij was, wanneer de faustische onrust van zijn geest hem niet zo ver buiten het heil had laten dwalen! Overigens heeft zijn problematiek nog niets van haar vormende waarde verloren.

Het werk is geschreven in een taal, die doorweven is met bijbelse zinswendingen, welke voor ons een galm hebben, en die daarom niet genoeg tot ons doordringt; de stijl van de dertien boeken, die als één gebed geconcipieerd zijn, is soms wat gezwollen en vermoeiend, zodat de argeloze lezer gevaar loopt, over de diepzinnige beschouwingen en fijne ontledingen, die vrij onopvallend worden voorgedragen, heen te lopen.

E. Gilson, Introduction d l'étude de S. Augustin, 1943.
H. I. Marrou, S. Augustin et la fin de la culture antique, 1937.

De dichters

a. De ‘Hamartigeneia’ van de voorname Spanjaard Prudentius (ca 400: uitg. met E. vert. d. J. Stam, 1941) is een leerdicht, dat volgens de wetten van het literaire genre bij de Romeinen, als alle heidense leerdichten, door de grote Lucretius is beïnvloed. De vraag van de oorsprong van het kwaad en de vrijheid van de mens wordt hartstochtelijk behandeld en toegelicht met schilderachtige voorbeelden over de weelde der vrouwen en de helse folteringen. Sympathiek is de deemoedige bede van de dichter om een niet te zware straf in de verlorenheid na de dood. Dat de leer van Marcion, die reeds lang was uitgestorven, uitsluitend beschreven wordt, toont, hoe levensvreemd en literair deze kunst eigenlijk is. Het gedicht is een waardige voortzetting van de tradities van de Lat. didactische poëzie, welke de Gr. zozeer overtrof.
b. De hymnen zijn practisch door Ambrosius (ca 335397), de kerkvorst en bisschop van Milaan, ingevoerd in de Lat. kerk, ofschoon de oosterse christenheid, merkwaardig genoeg, voorgegaan door de ketters Valentinus, Bardesanes en Arius, deze vorm van poëzie reeds lang kende. Toen Ambrosius in 386 met een schare van gelovigen in de Basilica Porcia zat opgesloten, omdat hij weigerde het kerkgebouw op last der keizerin Justina aan de arianen over te dragen, kwam hij op de gedachte de mensen door gemeenschappelijk gezang bezig te houden. Zijn gezangen vonden ingang: tal van hymnen zijn op naam van Ambrosius overgeleverd, waarvan er slechts vier zeker echt zijn:
1.‘Aeterne rerum conditor’;
2. ‘Deus creator omnium’;
3. ‘lam surgit hora tertia’;
4. ‘Veni, redemptor gentium’; in jambische dimetrie.

Sommigen zullen deze echte gemeenteliederen waarderen, omdat zij niet door zijn persoonlijke vroomheid gekleurd worden. Ook afgezien hiervan beantwoorden deze fraaie gedichten aan de moderne smaak: kort, zuiver, gemakkelijk leesbaar. In de M.E. is dit soort poëzie tot heerlijke bloei gekomen (uitstekende werken hierover van Rémy de Gourmont en Paul von Winterfeld): ieder kent het ‘Dies Irae’ van Thomas da Celano (ca 1225) en het ‘Stabat Mater’ van Jacopone da Todi. Nimmer is zo schoon Latijn geschreven.

G. QUISPEL
P. de Labriolle, Histoire de la littérature latine chrétienne, 1924.
E. J. Goodspeed, A History of Early Chr. Litt., 1942.

Rémy de Gourmont, Le Latin mystique, 1892.