Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Germaanse oudheid en Duitse middeleeuwen

betekenis & definitie

Inleiding: Verstaat men onder ons thema de oude letterkunde van de Nederlanders, Vlamingen, Engelsen, Denen, Noren IJslanders, Zweden, Duitsers en Oostenrijkers, Luxemburgers en Duits-Zwitsers, dan omschrijft men het begrip Germaans weinig nauwkeurig, al vindt men Germanen in vrij zuivere toestand in ons land en in de Scandinavische gebieden, vermengd vooral met Slaven in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, met Romanen in België en Luxemburg, met Keltische en Romaanse elementen in Groot-Britannië. De Germanen traden op beperkter terrein als geschakeerde eenheid in het licht der geschiedenis omstreeks het begin van onze jaartelling, toen ze bestemd waren een sterk Romeinse invloed te ondergaan en, ook in verband daarmee, in twee helften, Westgermanen te ener, Noord- en Oostgermanen te anderer zijde, uiteen te vallen.

Westgermanen zijn dan die volksgroepen, die door Plinius en Tacitus als Herminonen, Istwaeonen en Ingwaeonen naast elkaar worden geplaatst, zonder dat men daaraan het recht kan ontlenen onder de eerste groep de Z. Duitsers, onder de tweede de Franken en onder de derde de Anglo-Friezen te verstaan.

Alleen de term Ingwaeonen heeft in de filologie burgerrecht verkregen en verhelderend gewerkt. Het zijn de Germanen aan de Noordzee, waarbij het twijfelachtig blijft, hoever men de grenzen oost- en westwaarts, alsook landinwaarts heeft te trekken.

Het vruchtbaarst wordt de term, als men er behalve het Fries ook het Westnedersaksisch en het Anglisch onder verstaat. Voor het Fries vergelijke men het opstel ‘De Nederlandse taal’.Het Anglisch werd, gemengd met Saksische elementen, op oorspronkelijk Keltische bodem de taal van het Britse eiland, waar het reeds als Angelsaksisch een belangrijke literatuur voortbracht. Met het Nederfrankisch heeft het Nedersaksisch zich op Nederlandse bodem, niet zonder invloed van het Fries, ontwikkeld tot de Ned. taal, met eigen literatuur. Op D. bodem heeft het zich als Platduits gehandhaafd en bovendien een aandeel gehad in de vorming van de D. taal, die, vooral vroeger, om haar hoofdkarakter te accentueren, veelal Hoogduits werd genoemd.

Tegenover deze veelheid van Westgermaanse volkeren staat als een duidelijke twee-eenheid de taal van N. en O. Germanen. Noordgermaans zijn de talen van Denemarken, Noorwegen en het gekoloniseerde Ijsland en van Zweden. Van de Oostgermanen is filologisch de taal van de Goten het belangrijkst. Het langst hebben zij zich kunnen handhaven in de Krim, waar onze landgenoot O. G. de Busbecq (1522-1592) nog in de 16de eeuw Krimgotische aantekeningen kon verzamelen.

Als wij tenslotte aan de hand van bovenstaand overzicht overgaan tot een samenvoeging van Westgermanen enerzijds met Noord- en Oostgermanen anderzijds, dan blijft deze gemeen-Germaanse eenheid hypothese en de taal van deze hypothetische eenheid, het z.g. Oergermaans, niet meer dan constructie.

Het is een natuurlijk verschijnsel, dat, naarmate men verder teruggaat in het leven der volkeren en dientengevolge tot tijden komt, waarin niet alleen gedrukte, maar ook geschreven of ingekorven getuigenissen van letterkundig leven ontbreken, het begrip letterkunde in dubbel opzicht een betekenisverwijding ondergaat; men pleegt voor deze praeliteraire tijden elke uiting van cultuur tot de letterkunde te rekenen en, voorzover er van overgeleverde teksten sprake is, ziet men af van het epitheton der schone letteren en stelt zich ook met zakelijke mededelingen, zelfs met losse woorden tevreden. Voor de Oergermaanse tijd wordt daarom in onderstaande beschouwing letterkunde in de zin van geestelijk leven opgevat, terwijl ten aanzien van overleveringen in Germaanse dialecten alle taalmonumenten als tot de letterkunde behorend worden beschouwd.

Het overgeleverde materiaal aan letters is jong: het gaat niet verder terug dan de 2de eeuw v. Chr., zes runen, gekorven in een stuk been, dat in 1924 bij Maria-Saal in Karinthië is gevonden, dus ver van huis en uit een tijd van intensieve verspreiding. De meeste runeninscripties, hetzij in been, in steen, hout of metaal, stammen uit belangrijk later tijd. Talrijk zijn ze in Denemarken en op het Scandinavisch schiereiland. Ook in de Fries-Groningse terpen worden ze gevonden. Vooral siervoorwerpen als ringen, gespen, kistjes, wapens en kruisen hebben latere runeninscripties bewaard. Veelal wijzen ze op magische bedoeling, zoals ver moedelijk ook toverspreuken; al kennen wij ze niet uit zeer oude overlevering, toch mogen zij als primitieve Germaanse dichtvorm worden beschouwd.

Van deze oude Germaanse poëzie hebben zich zonder twijfel resten in taalmonumenten van de afzonderlijke stammen gehandhaafd, al is het ook niet mogelijk met zekerheid het oeroude van het vroeg overgeleverde te scheiden. Handhaving van oud beschavingsmateriaal laat zich te eerder aannemen, wanneer in de vorm criteria voorkomen, die overlevering van geslacht op geslacht begrijpelijk maken. Zo lijdt het geen twijfel, dat het navolgende raadsel in de Germaanse oertijd terugreikt. Men kan zich de vorm ongeveer als volgt voorstellen:

‘Er vloog een vogel zonder veren, ging zitten op een boom zonder blaren, daar kwam een vrouw zonder voeten, greep hem zonder handen, braadde hem zonder vuur en at hem zonder mond.’ Het is de sneeuw die door de zon wordt opgezogen. Zoals de cirkel- en spiraallijnen op bronzen voorwerpen op verwantschap met Myceense versiering wijzen, denkt men bij het raadsel van de verdwijnende sneeuw onwillekeurig aan dat van de mens, door de sfinx aan Oedipus opgegeven.

Van het toeval hing het af, of een voor mondelinge overlevering gemaakt letterkundig product in een zodanige vorm door inkerving of opschrijving werd vastgelegd, dat het de eeuwen kon trotseren. Soms duiken kenbaar oude beschavingsresten eerst laat op. Zo kennen wij uit de 10de eeuw een op perkament geschreven toverspreuk, die in de 19de eeuw in het klooster Merseburg in Saksen werd ontdekt. Uit de inhoud met zijn heidense elementen en zijn vorm met het oude stafrijm mag men afleiden, dat de grondslag als toverspreuk al in oeroude tijden werd gebruikt. Zij luidt ongeveer als volgt:

‘Balder en Wodan wilden naar het woud.

Het jonge paard van Balder verstuikte toen zijn poot. Sinthgut sprak er haar zegen over uit en haar zuster Sunna, Freya sprak er haar zegen over uit en haar zuster Folla, Wodan sprak er zijn zegen over uit, wat hij zeker kon, Over het ontzette been, het ontzette bloed, het ontzette gewricht:

Been tot been! Bloed tot bloed!

Gewricht tot gewricht! Als waren ze gelijmd!’ De beide slotregels zijn blijkbaar een sacrale formule, om haar zegenrijke werking beroemd.

Met deze genezingsspreuk werd op hetzelfde perkament een formule overgeleverd, waardoor men trachtte door bovennatuurlijke werking een krijgsgevangene te bevrijden:

‘Ontspring aan de boeien, ontvlied aan de vijanden!’ Zo kennen wij spreuken om bijen veilig naar de korf terug te brengen, om een dierbare hond te beveiligen, om het lichaam van wormen te ontdoen.

Behalve zulke toverspreuken en raadsels zullen ook godsdienstige hymnen, gezelschapsliederen, klaagzangen, misschien ook reeds heldenliederen en sprookjes tot de niet-overgeleverde Oudgermaanse letterkunde hebben behoord.

Uiteraard hing deze letterkunde ten nauwste samen met de muziek. Eenvoudige instrumenten zullen er geweest zijn. De vondst van een soort harp met zes snaren op een vrouwenskelet in een merovingisch kerkhof is meer een aanwijzing dan een bewijs. Maar oudere archaeologische vondsten bij verwante volken laten nauwelijks ruimte voor twijfel. Ook bronzen blaasinstrumenten zullen zijn gebruikt. In de Scandinavische landen zijn ze veelvuldig gevonden. Het zijn de zogenaamde luren, die in hun vorm niet eens een primitieve indruk maken.

Nadat de Germanen eerst in zuidelijke, dan in westelijke en oostelijke, tenslotte ook in noordelijke richting waren opgerukt, de aanraking met de Romeinen en de ingrijpende verschuiving der daaropvolgende eeuwen hun beslag hadden gekregen, ontstond gaandeweg de consolidatie.

De letteren van de N. Germanen worden behandeld in het artikel over de Scandinavische letteren.

Sommige Oostgermaanse stammen, zoals de Rugiërs en de Skiren, zijn uitgestorven zonder belangrijke sporen van cultuur te hebben nagelaten. Vandalen en Bourgondiërs lieten geen literatuur na en zo komen wij tot de Gotische literaire cultuurmonumenten.

Het zijn de W. Goten, die het land bezetten, dat later Roemenië zou heten, die ons deze nalieten. Onder hen werkte bisschop Wulfila, geboren 311 en in 381 te Constantinopel gestorven, die omstreeks 370 een groot deel van het Nieuwe Testament in het Gotisch vertaalde en daarmee een der belangrijkste Oudgermaanse taalmonumenten schiep.

Deze bijbelvertaling omvat het grootste deel van de vier evangeliën, alle brieven van Paulus en uit het Oude Testament een fragment van het boek Nehemia. De bewerker vertaalde vermoedelijk de Griekse redactie van Lucianus de Martelaar, zij het ook onder gebruikmaking van een Latijnse versie. Daar de handschriften uit veel later tijd dateren, is het onzeker, in hoeverre het overgeleverde met Wulfila’s werk overeenstemt. De vroeger mede aan hem toegeschreven commentaar op het evangelie van Johannes, de zogenaamde ‘Skeireins’, is stellig uit later tijd. Onder de handschriften geniet de te Upsala bewaarde Codex Argenteus terecht algemene beroemdheid.

Wulfila’s bijbelvertaling is een geestelijke daad van bijzondere betekenis: de eerste schriftelijk gefixeerde opvatting in Germaanse geest van het hoofdwerk van christelijk-antieke cultuur. Maar ook als zuiver taalmonument is zij van onschatbare waarde. Al is het Gotische morfologische systeem voor zijn tijd vooruitstrevend, de afstand tussen dit taalkundig arsenaal en het hypothetische Oergermaans laat zich zo goed overbruggen, dat Wulfila aan iedere germanist een vaste en gemakkelijk te hanteren grondslag heeft gegeven voor zijn taalbeoefening. Naast deze bijbelvertaling zijn de andere Gotische taalresten, een stuk kalender, een paar passages in een oorkonde te Napels en een te Arezzo, enkele runen-inscripties, van ondergeschikt belang.

Het blijft te betreuren, dat van de verdere Gotische literatuur, die waarschijnlijk bloeiend was, niets tot ons is gekomen. Voor een lang gekoesterde hypothese van een Gotisch kerstspel ontbreekt elke redelijke grondslag. Maar heldenliederen moeten de Goten stellig hebben gehad. Een ervan, over koning Ermanarik, schijnt zelfs in Jordanes’ (6de eeuw) ‘De rebus Geticis’ (Geschiedenis van de Goten) te zijn versmolten. Ook sommige Eddaliederen, het ‘Hildebrandslied’, de ‘Waltharius’ en de ‘Widsith’ schijnen reminiscenties aan Gotische helden- en prijsliederen te bevatten.

Bij de beantwoording van de vraag wat Duits is heeft de retrospectieve beschouwingswijze evenveel recht van bestaan als de historische. Immers is taal wel in de eerste plaats een sociologisch begrip, afhankelijk van een volksbestaan of althans van een gemeenschap, uitgebreid en gesloten genoeg om letterkundig werk als element van samenleving te waarderen: geen taal in politieke zin zonder de sanctie van daarin gevormde letterkundige kunst! Statenvorming bevordert uiteraard de totstandkoming van talen. Het ontstaan van het Ned. en het D. uit intiem verwante bestanddelen als twee zelfstandige talen naast elkaar is een pakkende illustratie bij de voorafgaande stelling.

Evenmin als een taal zich tot haar staatkundig gebruiksveld pleegt te beperken en het D. bijvoorbeeld ook in delen van Oostenrijk, Zwitserland en Luxemburg gesproken wordt, evenmin is het in overeenstemming met de feiten, dat in het taalgebied de daar gesproken taal eenvormig zou zijn. In hoge mate geldt dit voor het uitgestrekte Duitse rijk, hoe ook de geschiedenis zijn grenzen trok en zal trekken. Als Duitsland niet in de loop der eeuwen min of meer een staatkundige eenheid zou zijn geworden, dan zouden de dialecten van het N. en van het Z. bezwaarlijk tot één taal zijn versmolten en ook nu nog zal het Platduits in het N. een eigen positie blijven innemen. De loop van de geschiedenis is geweest, dat de taal van Duitsland het Hoogduits is geworden op meer Middeldan Opperduitse grondslag, onder toevloeiing van Nederduitse elementen. Van deze Hoogduitse taal, die op de scholen onderwezen en in de pers gebruikt wordt, die men in kerken en rechtszalen, op het toneel en in de bioscoop hoort, die de beschaafde Duitser van de Noordzee tot de Alpen, van de Rijn tot de Weichsel met meer of minder succes tracht te spreken, wijken in alle delen van het gebied de dialecten kenmerkend af.

Het hoofdcriterium van de D. taal temidden van andere Germaanse talen en dialecten ligt in haar consonantisme, dat een reeks van afwijkingen vertoont die men als uitvloeisel van een tweede, de zogenaamde Hoogduitse klankverschuiving verklaart. Dit verschijnsel wordt in het opstel ‘De Taal: Haar verschijningsvormen’ nader behandeld.

Deze verschuivingsverschijnselen geven aan het Hoogduits zijn karakter, onderscheiden het van het Gotisch, van de Scandinavische talen, van het Engels, het Fries en het Nederlands, maar bovendien bepalen ze in de bijzonderheden van hun sterkere of minder sterke doorvoering de grenzen van de Duitse dialecten. Het Nederduits blijft er buiten. De verschijnselen hebben halt gemaakt voor een lijn, die van de Rijn ter hoogte van Dusseldorp over de Elbe ter hoogte van Maagdenburg naar de Oder ter hoogte van Frankfort loopt. Dusseldorp is de onverschoven vorm, de expansie van het Hoogduits maakt er Düsseldorf van. Deze taalgrens wordt naar ten Zuiden van Dusseldorp gelegen stadje , Benrath de ‘Benrather scheidingslijn’ genoemd. Ten N. ervan ligt dus het zogenaamde Platduitse taalgebied, Nedersaksisch in het grotere oostelijke, Nederfrankisch in het gebied van de Beneden-Rijn.

Voor de hieronder te bespreken oude D. taalmonumenten is de dialect-onderscheiding van ingrijpende betekenis: even belangrijk als de vraag, in welke tijd het literaire kunstwerk is te plaatsen, even noodzakelijk is het te beslissen, in welk dialect het werd geschreven. De beantwoording wordt gecompliceerd door het verschijnsel, dat bijna altijd het kunstwerk tot ons komt in een handschrift, dat ook de kenmerken van het dialect van de afschrijver pleegt te vertonen. Doorgaans geven de rijmen hier omtrent de oorspronkelijke taalvorm zekerheid.

Eerst tegen het einde van het te behandelen tijdvak kwam de D. taaleenheid tot stand, waarbij Humanisme , en Renaissance beslissende factoren waren, ondersteund door de invloed van regeringskanselarijen, vooral die van de keizer, door de inwerking der opkomende universiteiten, de uitvinding van de boekdrukkunst en de ontdekkingen in den vreemde, bepaaldelijk ook de Hervorming. Luther koos voor zijn bijbelvertaling, opdat zowel Zuidals Noordduitsers zijn werk zouden kunnen verstaan, het Middelduits, zich richtend naar de kanselarij van zijn land Saksen, waarvoor wederom de keizerlijke kanselarij veelszins het voorbeeld was geweest. Had hij dientengevolge reeds een grondslag voor vrij algemene toegankelijkheid, zijn taalscheppend vermogen hief de door hem gekozen, met karakteristieke, zowel Nederals Opperduitse, woorden en zegswijzen verrijkte taal uit boven het niveau van banale begripmatigheid en maakte van zijn bijbelvertaling een kunstwerk, dat de delen van het zo heterogene taalgebied krachtiger tot elkaar bracht dan staatkundige maatregelen hadden kunnen bereiken. Sinds Luther kan men spreken van een D. taal, vóór hem is er alleen maar sprake van D. dialecten.

DE OUDSTE DUITSE TAALMONUMENTEN De oudste Duitse taalmonumenten ontstonden in de kloosters. Deze waren hoofdzakelijk op initiatief van Ierse zendelingen, soms ook van Gotische missionarissen gesticht: St Gallen (613), Reichenau (724), Murbach (727), Freising (739), Fulda (744). Krachtig werd ook de kerstening in samenhang met uitbreiding van dynastieke belangen ter hand genomen door het merovingisch-karolingische Frankenrijk, dat in Karel de Grote zijn hoogtepunt bereikte. Hij organiseerde het onderwijs, stichtte bibliotheken, verzamelde geleerden om zich en liet handschriften vervaardigen.

Maar ook reeds vóór zijn tijd bestond in kloosters de gewoonte. Lat. en D. woorden van overeenkomstige betekenis naast elkaar te zetten en over en weer uit te lenen ook, ter wille van gewenste uitbreiding. Het oudst bewaarde glossarium werd zonder voldoende grond aan een zekere Kero toegeschreven en dientengevolge ‘Glossarium Keronis’ genoemd; thans duidt men het veelal naar het eerste woord als de ‘Duitse Abrogans’ aan. Ook ontstonden er vertalingen uit het Latijn, meest interlineair, van gebeden en geloften, zoals de ‘Weissenburger Catechismus’ van omstr. 790, van hymnen, zoals de ‘Murbacher Hymnenvertaling’ van omstr. 810, van kloostervoorschriften, zoals de Benediktinerregeln van omstr. 820. Men vertaalde ook werk van hoger wetenschappelijk niveau, als het ‘Diatessaron’ van Tatianus, de ‘Evangeliënharmonie’ van omstr. 830, als de verhandeling ‘Contra Judaeos’ van bisschop Isidorus van Sevilla, de Oudhoogduitse Isidor, misschien op instigatie van keizer Karel.

Uit die tijd dateren ook de oudste gedichten: een Angelsaksische beschouwing over het ontstaan van de wereld, waarvan negen D. regels poëzie in stafrijm zijn bewaard, afgesloten met een kort gebed in proza. Het handschrift is uit het klooster Wessobrunn afkomstig, daarnaar wordt het geheel ‘Wessobrunner Gebet’ genoemd.

Van groter omvang is een gedicht, eveneens in stafrijm, dat ongeveer een kwarteeuw na het ‘Wessobrunner Gebet’ zal zijn ontstaan en het eind van de wereld voor ogen houdt: de kamp tussen engelen en duivelen om de menselijke ziel, het laatste oordeel, een strijd tussen Elias en de Antichrist, het vergaan van de wereld in vlammen. In regel 57 wordt deze afloop met het woord ‘Muspilli’ aangeduid, wat aan het gedicht zijn naam gegeven heeft.

Alle genoemde taalmonumenten zijn in Hoogduitse dialecten vervat, het belangrijkste dichtwerk uit deze tijd evenwel ontstond op Nederduitse bodem en is in het Oudsaksisch geschreven, de ‘Heliand’. Het is een schitterend heldendicht, waarin de Heiland als machtig vorst met luisterrijk gevolg optreedt. Het leven en lijden van Christus is tot een Germaanse aangelegenheid gemaakt: Palestina is Saksen, Christus een inheemse vorst, zijn discipelen zijn Nederduitse heermannen. Deze virtuoze heilsgeschiedenis in stafrijmverzen naar Angelsaksisch voorbeeld is bestemd geweest om de pas gekerstende Saksen aan het nieuwe ideaal te wennen.

Ongeveer veertig jaar later schreef een benedictijner monnik van het klooster Weissenburg, leerling van de beroemde Rhabanus Maurus van Fulda, die zijnerzijds weer discipel van de grote Alcuinus geweest was, een godsdienstig gedicht van geheel ander karakter. Terwijl de anonieme dichter van de ‘Heliand’ volksdichter is, toont de Weissenburger monnik Otfried (ca 800-ca 880) zich een docerend kloostergeleerde. Zijn werk is in wezen wederom een evangeliënharmonie, zuiver van zegging, belangrijk van inhoud, baanbrekend door het gebruik van eindrijm. Het werk is opgedragen aan Lodewijk de Vrome.

Met drie gedichten van kleiner omvangen geringer betekenis is dit eerste beeld van oude D. literatuur in hoofdzaak volledig: het ‘Ludwigslied’, een heldendicht ter ere van de overwinning van Lodewijk de Derde op de Noormannen bij Saucourt in 881, het ‘Georgslied’, de oudste D. heiligenlegende in verzen, en het ‘Petruslied’, een pelgrimslied. bestemd om collectief te worden gezongen. Naar het refrein ‘Kyrie eleison’ worden dergelijke geestelijke liederen met de technische term leis aangeduid.

Cultuurlagen schuiven dikwijls over elkaar heen: is de oudste literatuur in D. dialecten christelijk van aard, uit iets later tijd is er poëzie overgeleverd, die terugwijst naar de heidense voortijd. Dat zijn in de eerste plaats de bezweringsgedichten, waarvan reeds in een ander verband sprake was. Dat is ook het ‘Hildebrandslied’. Door een gelukkig toeval is op twee omslagbladen van een theologisch geschrift in de bibliotheek te Kassei, oorspronkelijk wellicht in de abdij van Fulda, het grootste gedeelte opgeschreven van een blijkbaar zeer oud heldendicht. Hildebrand, van wie Dietrich von Bern in jonge jaren het gebruik van de wapenen had geleerd, keert na dertig jaren van gedwongen ballingschap naar huis terug. Te voren ontmoet hij echter een jonge held, Hadubrant, zijn zoon, die evenwel de vader niet herkent. Het komt tot een tweegevecht. De afloop van de tragische ontmoeting ontbreekt, daar op het tweede omslagblad, zelfs bij kleiner schrift, geen ruimte genoeg was. Uit de sage weten wij, aan te moeten vullen, dat de vader de zoon doodde: heldeneer ging boven verwantschapsgevoel. In een latere redactie, het ‘Jongere Hildebrandslied’, en in de ‘Thidrekssaga’ is het slot in verzoenende geest gewijzigd.

Het geluk der overlevering heeft hier een genre bewaard, dat in de oude Germaanse dialecten veelvuldig zal zijn voorgekomen: het kort gehouden verhaal van een motief uit de ruim verspreide stof van de heldensage. Het was zonder twijfel voor mondelinge voordracht bedoeld en dientengevolge bestemd om te gronde te gaan. Des te dankbaarder is de germanistiek voor dit specimen van overoude kunstbeoefening, dat cultuurhistorisch niet minder belangrijke perspectieven opent dan voor onze kennis van de Germaanse heldensage.

RENAISSANCE ONDER DE DRIE OTTO’S De regering van de keizers uit het Saksische huis kenmerkt zich daardoor, dat het Latijn weer sterker op de voorgrond treedt. Reeds Otto I, die van 936-973 regeerde, stelde zich Karel de Grote tot voorbeeld en trachtte geleerden van naam aan zijn hof te verbinden. Zijn zoon, Otto II, die maar tien jaap de keizerskroon heeft gedragen, was met een Griekse prinses getrouwd, waardoor aan de op Rome gerichte belangstelling van haar schoonvader de Byzantijnse cultuur als beschavingsfactor werd toegevoegd. Zij voedde ook haar zoon, Otto III, die van 983 tot 1002 aan het bewind was, in deze geest op. Niet alleen de keizers, maar ook hun vrouwelijke familieleden onderhielden levendige betrekkingen met de voornaamste kloosters, vooral met St Gallen. Hier ontstond een hooggestemde literatuur, die in gedichten als ‘Victimae paschali laudes’ en het nog bekendere ‘Stabat mater dolorosa’ tot op onze dagen voortleeft. Een monnik van St Gallen, Ekkehard (ca 909-973), die ter onderscheiding als de Eerste wordt aangeduid, dichtte, vermoedelijk als jeugdige oefening, in leoninische hexameters ‘Waltharius manufortis : Walther van Aquitame, die met zijn verloofde Hildgunt van Bourgondie en Hagen van Troja aan het hof van Etzel in gijzeling leefde, zag kans samen met Hildgunt te ontvluchten. Op weg naar huis had hij de ene strijd na de andere te doorstaan, tenslotte met koning Gunther van Bourgondië en de gevreesde Hagen. Maar het gelukte hem, zij het ook onder verlies van zijn hand, de tocht te volbrengen. Vermoedelijk is de humor van het gedicht, waarin een ook verder in de sage bekend motief behandeld wordt, reeds aan het Germaanse heldenlied eigen geweest, dat Ekkehards poëtische vertaalkunst aan de vergetelheid heeft ontrukt.

Met het keizerlijk hof en het klooster St Gallen stond in onmiddellijk verband de geleerde Hroswitha (10de eeuw), werkzaam als non in het klooster Gandersheim bij Brunswijk. Ook zij schreef in leoninische hexameters. Haar bekendste werk is de christelijk-moraliserende bewerking van zes drama’s van Terentius, die voor de geschiedenis van het toneel niet veel betekent, maar onze kennis van 10de-eeuwse levensopvatting op interessante wijze vermeerdert.

Eveneens is in leoninische hexameters het epos ‘Ruodlieb’ geschreven, waarin motieven van de heldensage met trekken uit buitenlandse vertellingen versmolten zijn. Het is vermoedelijk in het klooster Tegernsee ontstaan.

Kloosterlijke oefening is ook het dierenepos, dat onder de naam ‘Ecbasis Captivi’ bekend is en als voorloper van de Reinaert, zij het ook tendentieus, onder verheerlijking van in afzondering beoefende ingetogenheid tegenover wereldse lust, aan de sfeer van de cel aangepast, mag worden beschouwd.

Het kon niet uitblijven dat in de literatuur het Latijn zich met de landstaal vermengde. Dat gebeurde in alle landen, het eerst uiteraard in Italië. Daar vond die op twee talen steunende kunst dan ook zijn naam: macaronische poëzie. Vooral lyrische ontboezemingen van humoristisch karakter lenen zich voor deze vorm en het ligt voor de hand, dat gederailleerde geestelijken het gemakkelijkst deze materie met haar verrassende mogelijkheden hanteerden. Er vormde zich een stand van op avontuur ingestelde theologische studenten, aangevuld met geestelijken, voor wie de hiërarchie een te knellend pantser bleek, de vaganten, die op hun tochten de internationale cultuurbetrekkingen op eigenaardige wijze versterkten. Lieten zij hun aanvankelijke studie geheel in de steek, wat stellig niet met allen het geval geweest zal zijn, dan werden zij tot speellieden, die van de kunst hun beroep maakten. Het kenmerkt het internationale karakter van de vagantenpoëzie, dat de oudst bewaarde liederen van D. vaganten te vinden zijn in een handschrift van Engelse oorsprong en bezit, het ‘Cambridger Liederenhandschrift’. Zij zijn in het Latijn geschreven, zoals ook in het belangrijkste D. handschrift met vagantenliederen, uit het klooster Benediktbeuern afkomstig, dat de ‘Carmina Burana’ bevat, doorgaans het geval is, maar de kennis van de D. lyriek blijft onvolledig en onorganisch, als men er niet deze internationale vagantenpoëzie in betrekt. In het Cambridger Liederenhandschrift is ook het prijslied overgeleverd, waarin Hendrik van Beieren, de broer van keizer Otto de Eerste, wordt verheerlijkt: de regels bestaan voor de eerste helft uit Lat., voor de tweede uit D. woorden. Het lied is als ‘De Heinrico’ bekend.

Onder de laatste keizer uit het Saksische huis, Hendrik II, die van 1002 tot 1024 regeerde, begon deze vroege renaissance ook aan de D. taal ten goede te komen. Een monnik van St Gallen, Notker III, Labeo (ca 950-1022), ter onderscheiding van vroegere geleerden van die naam Teutonicus bijgenaamd, gaf een reeks uitstekende vertalingen, o.a. van Boëthius’ ‘De consolatione philosophiae’, die tot de soepelheid van de volkstaal veel hebben bijgedragen. Daar zij bovendien nauwkeurige aanduidingen van uitspraak, klemtoon en versmaat bevatten, hebben zij voor onze kennis van deze taalperiode onschatbare waarde.

Onder de keizers uit het Frankische huis nam deze waardering van het D. als voertuig van letterkunde voortdurend toe. In het bisdom Bamberg ontstond het ‘Ezzolied’, verheerlijking van het leven en lijden van Christus, door priester Ezzo (2de helft 11de eeuw) gegoten in de vorm van een pelgrimslied. Middellijk hangt ook met Bamberg een vertaling van het Hooglied samen, door de geleerde Willirant, 1065, met commentaar vervaardigd, onder wiens naam het werk een ruime verspreiding vond. Het droeg de idealen van de geestelijke vernieuwing, die uitging van de benedictijnse abdij te Cluny in Frankrijk, verder uit. Onder dezelfde invloed staat ook het Benedenrijnse Annolied (ca 1105), dat als inleiding tot de schildering van het godvruchtig leven van bisschop Anno van Keulen een overzicht over de wereldgeschiedenis geeft. Heel deze poëzie, of ze aan de Main, de Beneden-Rijn, de Midden-Rijn, als de Middelfrankische Rijmbijbel, aan de Donau, als de fanatieke gedichten van Heinrich von Melk (12de eeuw), ontstond, toont de doorwerkende invloed van de cluniacensische beweging.

RIDDERS ALS DICHTERS Een nieuw wereldbeeld ontstond tengevolge van de kruistochten. Zij deden hun invloed in de breedte gelden door de daaraan deelnemende landen nader tot elkaar te brengen, de cultuur van het O. en W. met elkaar te verbinden, in de diepte door alle lagen van de bevolking voor één ideaal in geestdrift te brengen. De ontwikkeling, tot dusverre bijna uitsluitend eigendom van de geestelijkheid, ging in veel sterker mate over op vorsten en edelen, de nationale beschaving nam toe, het volksbewustzijn verlevendigde zich. In geestelijke, maar niet minder in voorname wereldlijke kringen openbaarde zich een ongekende belangstelling voor de letterkunde.

De geestelijke poëzie toonde haar liefde voor het leven van oud- en nieuwtestamentische heiligen, zonder dat de dichterlijke waarde daarmee gelijke tred wist te houden. Opmerkelijk blijven evenwel Wernhers ‘Maria-Liederen’ (ca 1170), verheerlijking van de Heilige Maagd als ideaal van kuisheid, zachtmoedigheid en deemoed, maar ook van vrouwelijke lieftalligheid, en daarmee voorbereiding zowel voor de Mariaverering in zuiver lyrische vorm als voor de geestdriftige vrouwenverering in de ridderlijke poëzie. Ook wereldse motieven werden door geestelijken met liefde en talent behandeld. Het zo suggestieve onderwerp van de veroveringstochten van Alexander de Grote werd naar het van Albéric de Besançon naverteld door Lamprecht, een monnik vermoedelijk uit een klooster te Trier, die schreef tussen 1120-1130. Te Regensburg schreef de monnik Konrad (midden 12de eeuw) een D. versie van het populaire thema van de Franse ‘chansons de geste’, het verhaal van Roeland, de dappere neef van Karel de Grote. Beide gedichten, ‘Alexanderlied’ en ‘Rolandslied’, zijn kenmerkend voor de groeiende Fr. invloed op de D. letteren, die mede tot haar hoogste bloei zou leiden.

Met deze nieuwe oriëntering, waarbij dus het Fr. de plaats innam, die het Lat. tevoren had, ging gepaard een verschuiving van hen, die deze anders georiënteerde literatuur droegen; gaandeweg ging zij over van de geestelijkheid enerzijds op speellieden en vaganten, anderzijds op de ridders.

Van de poëzie der speellieden, bestemd als ze was voor mondelinge voordracht, is slechts een klein deel bewaard gebleven. Behalve de lyriek van de ‘Carmina Burana’ behoren er verhalende gedichten toe als de ‘Kônig Rother’, een ontvoeringsgeschiedenis, de ‘Herzog Ernst’, een kruistochtverhaal, ‘Salman und Morolf’, uitloper van de Hebreeuwse Salomonsage, ‘Oswald’, liefdesgeschiedenis van een Northumbrische vorst en een oosterse prinses, en ‘Orendel’, relaas over de heilige rok van Trier.

Belangrijker is de poëzie van de ridders. Zoals onder uitzonderlijk gunstige factoren cultuurcentra ontstaan, van waaruit de stralen een heel werelddeel tot hoger leven wekken, kwam in de 12de eeuw in Provence een geestelijke levenshouding op, waarvan de gevolgen zich tot in onze tijd doen gevoelen. Zij uit zich voornamelijk in een verschuiving ten aanzien van de geslachten, de man doet vrijwillig afstand van een positie, die aan lichaamskracht en natuurlijke sociale onafhankelijkheid superioriteit ontleent, om zich tegenover het vrouwelijk geslacht te begeven in een verhouding van ondergeschiktheid en huldebetuiging, niet ongelijk aan de betrekking tussen vazal en leenheer. Deze verschuiving, die sindsdien in het leven van de hogere standen als gebruikelijke omgangsvorm, courtoisie, hoffelijkheid, welle vendheid, is gehandhaafd, spreekt voor de eeuw van haar ontstaan meer tot ons als letterkundig beeld dan als realiteit. Wij kunnen ook niet nagaan, wanneer en op welke wijze literatuur en leven op dit punt een eenheid zijn gaan vormen, evenmin als ondubbelzinnig is komen vast te staan, welke invloeden deze verschuiving hebben bewerkt. Dat cultuur en spel hier gezamenlijk een hoger niveau bereiken, schijnt eer tot verklaring te kunnen dienen dan dat oude matriarchaatstoestanden tot natuurlijke opleving zouden zijn gekomen. Invloed van classieke cultuur, met name de liefdeskunst, door Ovidius beschreven, bevruchting door cultuurstromingen uit het Oosten, Arabië, N. Afrika en Spanje, verheffende krachten ontsproten aan de in ander verband besproken verheerlijking van de Maagd Maria, sociale inwerking van de door het leenstelsel geschapen gradaties komen alle als factoren in aanmerking. Van het hof der dichterlijke graven van Provence ziet men deze vrouwenverering zich uitbreiden naar het Engels-Franse hof van. Hendrik II, Plantagenet, die door zijn vrouw Aiienor de Poitou tot Provence in onmiddellijke relatie stond. De positie van de dichtkunst in dit beschavingsbeeld blijkt reeds daaruit, dat men het bij voorkeur als dat der troubadours aanduidt. Alienor de Poitou staat in het midden, maar namen als Bertrand de Born, Bernard de Ventadour en Peire Vidal zijn gemeengoed van de wereldbeschaving geworden. De natuurlijke vorm van deze vrouwenverering is de lyriek, maar in de onmiddellijke nabijheid van de Provengaalse liederen zien wij ook de epische figuren van Tristan en Isolde. Bernard de Ventadour schijnt zelfs dit minnend paar te gebruiken als symbool voor zijn hulde aan donna Alienor. Het spelkarakter van deze vrouwenverering komt ook daarin tot uiting, dat symbolen in de plaats van namen treden, opdat elke compromitterende duidelijkheid achterwege blijft. Geestig duidt Walther von der Vogelweide daarom zijn dame aan met de naam Hildegunde, zinspelende op het bijeenbehorende paar uit de ‘Waltharius manufortis’.

Deze cultuurstroming, die wij hier uiteraard bepaaldelijk als letterkundig verschijnsel hebben te beschouwen, schijnt haar natuurlijke geografische uitbreiding te hebben gevonden. Wij kunnen haar vervolgen van Provence naar N. Frankrijk, waar aan het hof van Alienors dochter Marie, gehuwd met de graaf van Provence, een centrum van Noordfranse trouvèrekunst ontstond met vertegenwoordigers als de begaafde Chrétien de Troyes en de lyrische dichter Conon de Béthune. Vandaar schijnt zij naar Vlaanderen en Brabant te zijn overgeplant, waar de ridderschap voor verfijnde cultuur openstond. Over Limburg, mogen wij aannemen, bereikte de stroming de Rijn. De lage landen spelen hier hun rol als vroeg intermediair in de persoon van Henric van Veldeke (2de helft 12de eeuw), de dichter van de Maastrichter Servatiuslegende. Met recht neemt deze Limburger zowel in onze als in de D. letterkunde een vooraanstaande plaats in. Het lot bracht hem naar Kleef, waar hij bij een vorstelijke bruiloft uit zijn ‘Eneït’ voorlas. Zijn handschrift werd hem bij die gelegenheid ontstolen. Negen jaar later kreeg hij het op de Wartburg bij Hermann von Thüringen terug. Hij moet zich intussen bij een D. literatuur-traditie hebben aangepast — heeft men zich het te Kleef gereciteerde als in het Limburgs geschreven te denken, op de Wartburg stond hij in de kring van Middelhoogduitse dichters, onder wie hij zich een leidende positie verwierf. ‘Hij was het’, zegt Godfried von Strassburg van hem, ‘die het eerste twijgje in de D. taal entte, waarvan sindsdien de takken ontsproten, waaraan de bloemen groeiden, inspiraties voor andere dichters bij hun meesterlijke vondsten.’ Zo staat onze landgenoot Henric van Veldeke aan de spits van de hoofse poëzie, onomstreden duidelijk als episch, in moeilijker te bepalen verhouding als lyrisch dichter.

Zoals de Hoogduitse klankverschuiving zich over het taalgebied in golven van afnemende kracht voortplantte, zo laten zich ook ten aanzien van het hoofse element in de letterkunde golven onderscheiden, die naar krachten uitbreiding verschillen. Leerrijk is daarvoor de reeds genoemde sage van Tristan en Isolde. Henric van Veldeke maakt er in zijn lyriek al een grapje over. Wij kennen haar op D. bodem in een vorm, die de hoofse cultuur nog maar in geringe mate doet uitkomen. Zij is verbonden aan de naam Eilhart von Oberge (12de eeuw), zonder dat daarmee een duidelijk beeld is gegeven: wij weten niet, of deze als de eigenlijke dichter van de vroeghoofse redactie dan wel als decompilator van deze vroege vorm met latere motieven is te beschouwen. In ieder geval is de Franse versie, die aan deze vroeghoofse ‘Tristan’ ten grondslag ligt en die met die van Bérol ten nauwste verwant is, eveneens nog maar matig met hoofse cultuur gedrenkt. Dat werd anders, toen Gottfried von Strassburg (omstr.1200) de versie van de Noordfranse dichter Thomas, die waarschijnlijk tot het Engels-Franse hof in betrekking stond, ging bewerken. Hij maakte er een meesterwerk van hoofse verfijning naar strekking en vorm van, virtuoos in woordkunst en klank, haast decadent in de opvatting van dodelijke liefde als een heerlijk leed, een devotie, uitheffende uit de sfeer van het banaal-menselijke, dat men heeft te dragen terwille van het ideaal.

Is Henric van Veldeke met zijn ‘Eneït’, naar een Fr. omwerking van Vergilius bewerkt, de wegbereider van de hoofse epiek in Duitsland, Gottfried von Strassburg is er met zijn ‘Tristan’ de culminatie van. Tussen hen staan de beide andere meesters van het hoofse epos, Hartmann von Aue en Wolfram von Eschenbach. Hartmann is de vertolker van Chrétien de Troyes. Maar hij verbindt met de beide aan hem ontleende epen, ‘Erec’ en ‘Iwein’, een eigen problematiek. Het gaat om een belangrijk sociaal probleem, het evenwicht tussen de plichten van de ridder jegens de gemeenschap en jegens zijn gezin. In zijn ‘Erec’ legt Hartmann de nadruk op de verzuimde gemeenschapsplichten, waarvoor Erec eerst door een gevaarlijke tocht vol louterende avonturen wordt opgevoed, in de ‘Iwein’ worden huwelijksplichten verwaarloosd, die eerst na een reeks van beproevingen, glansrijk doorstaan, vergeving vinden. Chrétien en Hartmann maakten de sage van Arthur en de Ronde Tafel tot gemeengoed van hun land. Volgens Wolfram houdt Hartmann de sleutels van het hof van koning Arthur in handen. Hij is tevens de zanger, die het ideaal van dichtertaal benadert: ‘Louter en helder,’ zegt Gottfried van hem, ‘zijn zijn kristallen woorden.’ Hartmann is ook de dichter van legenden. Die van Gregorius is met de ‘Oedipus’ verwant: een uit bloedschande geboren vondeling komt tot ridderlijke deugden, hij huwt zonder het te weten zijn moeder, laat zich dan, om boete te doen, vastklinken aan een rots, maar goddelijke bestiering bestemt de boeteling, die ouderlijke en ongeweten schuld tracht goed te maken, tot paus. Er bestaat van deze legende van de heilige zondaar ook een Latijnse versie uit iets later tijd. De laatste legende, door Hartmann bewerkt, is het verhaal van een melaatse ridder, de ‘Arme Heinrich’, die door de opofierende liefde van een maagd genezen wordt. Dit kleine meesterwerk, dat door latere dichters herhaaldelijk, zowel episch als dramatisch, tot voorbeeld werd genomen, is vermoedelijk een van huis uit in het Latijn geschreven familiesage van het geslacht, in welks diensten Hartmann als geleerd-adellijk adjunct werkzaam was.

Tegenover Hartman als begaafd dichter van normale dimensies is Wolfram von Eschenbach (ca 1170ca 1220) een dichterlijk genie, dat reeds in eigen tijd ... aanstoot gaf door onbegrijpelijkheid van zegging en eigenwilligheid van verhaal. ‘Commentatoren zouden zijn verhalen dienen uit ' te leggen, toverboeken er toelichtingen bij geven,’ zegt Gottfried, de criticus van de Middelhoogduitse bloeitijd, van hem. Zijn hoofdwerk is de ‘Parzival’, het verhaal van de ideale ridder, die ondanks de beste bedoelingen het spoor bijster raakt, in opstand komt tegen God, maar, ten goede geleid, het mysterie van de Graal doorgrondt en een Godsrijk op aarde sticht, waarin ridderdeugd en christenplicht verenigd de toon aangeven. Is Gottfrieds ‘Tristan’ als taalmonument het hoogtepunt van deze bloeitijd, de ‘Parzival’ is het naar gedachtenrijkdom en strekking.

Wolfram is de meest omstreden figuur uit deze periode, zowel ten aanzien van het aan hem toe te schrijven geestelijk arsenaal als met betrekking tot de bronnen, waaruit zijn ‘Parzival’ is gevoed. De beide problemen hangen uiteraard samen. In het bijzonder gaat het om de vraag, of behalve Chrétien de Troyes, wiens ‘Contes del Graal’ hij gebruikt heeft, de door hem als hoofdbron aangegeven “Kyot’ inderdaad bestaan heeft. De lijn die zich, vooral in de laatste jaren, met toenemende duidelijkheid schijnt af te tekenen, wijst op het beeld van de auteur van de '‘Parzival’ als dat van een virtuoos kunstenaar, die souverein het wapen van spot en parodie hanteerde en, zonder zich om begrip in ruimere kring te bekommeren, zich tevreden stelde met een kleine kring van ingewijden. Dan is vermoedelijk zijn visie op het probleem van de graal niet het eigendom van de door hem naar voren geschoven '‘Kyot’, maareigen schepping, waaraan persoonlijke kennisneming van hetgeen uit het O. naar het Avondland doordrong, belangrijke elementen toevoegde. Met name schijnt de persoon van Richard Leeuwenhart, die op zijn terugtocht van het Heilige Land in D. gevangenschap raakte, van invloed te zijn geweest, misschien ook door het intermediair van gijzelaars, die na zijn vrijlating hier achtergebleven waren. In elk geval is door de allerjongste onderzoekingen komen vast te staan, dat Parzivals vader Gahmuret van Anjou is getekend naar het beeld van de populaire Engelse koning.

Voor onze kennis van de Graalsage betekent dit, naar wij mogen concluderen, dat Wolframs graal als een zegenrijke, voedsel en gezondheid schenkende, voor levensheiliging bevorderlijke steen teruggaat op Indische, Perzische en Arabische motieven, hem persoonlijk door mondelinge mededeling uit de kring van Richard Leeuwenhart geworden, terwijl daarentegen de vooral in Fr. bronnen verbreide voorstelling van de graal als een heilige schotel afhankelijk is van een christelijke traditie, aanknopende aan de schaal, waarin Jozef van Arimathea het bloed van Christus opving na de kruisiging.

Nadat de ‘Parzival’ voltooid was, begon Wolfram in opdracht van landgraaf Hermann von Thüringen het levensverhaal van Guillaume d’Orange en zijn strijd tegen de Moren. Het zou een groot epos worden, dat helaas door de dood van de dichter onvoltooid bleef, waarvan evenwel voldoende tot ons gekomen is om naast virtuositeit van taal en compositie de strekking van godsdienstzin en verdraagzaamheid, de bekoorlijkheid van humor en afwisseling te doen waarderen. Het is als ‘Willehalm’ bekend.

Deze vier grootmeesters op het gebied van de Middelhoogduitse epiek hebben ook in de geschiedenis van de lyriek recht op een plaats. Veldeke schreef liederen, misschien nog in zijn eigen dialect, van Hartmann zijn vooral een paar kruistochtliederen opmerkelijk, Wolfram toonde zich een meester in het genre van wachterliederen, waarin de scheiding van in ’t geheim bijeengekomen liefdespartners bij ’t aanbreken van de dag wordt uitgebeeld, terwijl tenslotte Gottfried door een paar didactische gedichten van fijne structuur is vertegenwoordigd.

Dit samengaan van epiek en lyriek kan ons niet verwonderen, want de beoefening van liefdeslyriek behoorde voor de hoofse ridder tot de maatschappelijke functies, waarop de gemeenschap prijs stelde. Als Hartmann de ridderlijke voortreffelijkheden van zijn Heinrich opsomt, besluit hij de lange reeks met het hoogtepunt: ‘er sanc vil wol von minnen’. Het rijk met miniaturen versierde handschrift, waarin de Middelhoogduitse dichters het volledigst in hun lyriek zijn vertegenwoordigd, de zogenaamde ‘Codex Manesse’, geeft ons het beeld van het zingende ridderdom, geordend naar rang en stand: de keizer, koningen, hertogen, graven, jonkers tot en met voorname burgers.

Tot de opbloei van de Middelhoogduitse lyriek hebben dichters als Kiirenberg (omstr. 1160), Dietmar von Eist (ca 1143-1170), Friedrich von Housen (gest. 1190), Heinrich von Rugge (omstr. 1175), Bernger von Horheim (gest. 1196), Bligger von Steinacli (ca 1152ca 1209), Heinrich von Morungen (omstr. 1220), Reinmar von Hagenau (gest. vóór 1210), en Hartmann von Aue bijgedragen. Men pleegt hen als de ‘Lente van de Minnepoëzie’ samen te vatten. Onze landgenoot Henric van Veldeke heeft daarnaast chronologisch zijn plaats ongeveer tussen Hausen en Rugge. Naar dialect en dichterlijke vormgeving zijn deze kunstenaars, die als representatief uit de veelheid van namen zijn uitgekozen, uiterst verschillend. Als plastisch dichter verdient uit de vroegste tijd de helaas niet zuiver in zijn werk te omlijnen figuur van Dietmar von Eist, uit het verdere verloop de ook met het oosterse leven bekend geworden, zangerige Heinrich von Morungen en tenslotte Reinmar von Hagenau met zijn verfijnde, op metriek en klankwaarde berekende woordkunst bijzondere aandacht. Naast deze op naam geboekte lyriek zijn ook anonieme gedichtjes overgeleverd, sommige uit zeer oude tijd, als de bekoorlijke overgave van een meisje, opgetekend in een Latijnse brief van een monnik van klooster Tegernsee:

Dû bist min, ich bin dîn: des solt dû gewis sin.

Dû bist beslozzen in mînem herzen, verlorn ist daz sluzzelin: dû muost och immer darinne sîn.

Tot de middaghoogte van deze lyriek behoren naast de reeds genoemde liederen van Wolfram von Eschenbach en Gottfried von Strassburg de zangen van Walther von der Vogelweide (ca 1170-1230), de onomstreden meester. Hij voegt aan de hoofse liefdespoëzie de klanken toe, ontleend aan de onconventionele verhouding met het meisje uit het volk, gebruik makende wellicht van anonieme verskunst als het bovenaangehaalde liedje en stellig ook van de virtuoze kunst van speellieden en vaganten. Met hen heeft hij ook zijn didactische poëzie gemeen, zedespreuken, hetzij algemeen opvoedend, hetzij gesteld in politieke dienst, soms in de strijd tussen staufische en welfische keizers, soms tussen de keizer en de paus, soms ten bate van bepaalde vorsten, maar altijd krachtig, geestig en doeltreffend. De invloed ervan wordt verbluffend genoemd, moderne dagblad- of radiopropaganda in middeleeuws gewaad. Van indringende zeggingskracht is ook de godsdienstige poëzie van deze veelzijdig begaafde dichter, zowel het eenvoudige kruislied als zijn machtige hymne op de Maagd Maria. Zijn roem leeft voort door alle eeuwen heen als de begenadigde zanger van het liefdeslied, die voor de teerste stemmingen het gevoeligste woord wist te treffen, een voorloper van Goethe, van Heine.

Op deze lyrische zomer volgde een herfsttij, ingeluid door de zangerige dorpspoëzie van Neidhart von Reuenthal (gest. na 1236). Talentvol kunstenaar van de vorm was Gottfried von Neifen (omstr. 1250). Uitbundig zanger van vrouwenverering toonde zich Ulrich von Lichtenstein (gest. ca 1275). Het is ondoenlijk alle namen te noemen. Dikwijls treden ze ook op de achtergrond of worden tot symbolen: der Tannhauser (ca 1205ca 1270), der Kanzier, der Marner (gest. ca 1270), Heinrich von Meissen genoemd Frauenlob (ca 1250-1318). Ook de sage maakte zich van deze alom bekende kunstenaars meester en verenigde enkele vooraanstaande figuren in een literaire wedstrijd ten overstaan van Hermann von Thüringen, die op de Wartburg in feite aan Veldeke, Wolfram en Walther gastvrijheid had verleend. Zo ontstond de Wartburgkrieg, door Richard Wagner uitgebeeld en onder de muzikale en literaire belangstelling gebracht van heel de wereld.

De Middelhoogduitse bloeitijd heeft nog een derde aspect. Naast de hoofse epiek, die sterk op de Franse kunst steunde, naast de lyriek, die Arabische, Provengaalse, Noordfranse invloeden met inheemse verenigde, kwam ook het Germaanse heldenepos tot nieuwe bloei. De liederen van Hildebrand en Waltharius hadden getoond, dat de belangstelling was blijven voortleven. Maar nieuwe tijden brachten nieuwe vormen. Het stafrijm was in onbruik geraakt. Terwijl het hoofse epos zich met rijmende versparen tevreden stelde, vond de heldensage een eigen vorm, vier door kruisrijm gebonden lange versregels, de Nibelungenstrofe. Ook de inhoud werd, zij het ook in het meer uiterlijke, aan hoofse opvattingen aangepast. Zo kennen wij in drie opvallend van elkaar afwijkende redacties het ‘Nibelungenlied’, spannend verhaal van het liefdesgeluk van de stralende Siegfried en de schone Kriemhild, van de dreigende gevaren, zowel van de zijde van de gecompromitteerde Bourgondische koning Gunther en de misleide, trotse Brünhild, als van de tot in het misdadige trouwe Hagen, verhaal ook van de noodlottige dood van de argeloze Siegfried en de daaruit voortvloeiende verwikkelingen. Zij spelen zich af aan het hof van koning Etzel, waarheen Kriemhild, even trouw als Hagen, maar in de toepassing van middelen voor haar wraak ook even misdadig, haar broeders met gevolg had uitgenodigd. Zo vielen allen, die eens aan het hof te Worms hadden geschitterd in koninklijke pracht, als offers van de onzuiverheid in de pogingen van koning Günther, jaren geleden aangewend om met behulp van de onweerstaanbare Siegfried Brünhild tot vrouw te krijgen.

Van alle kunstwerken uit de Middelhoogduitse bloeitijd geniet het ‘Nibelungenlied’ de grootste populariteit. Uit dit werk spreekt de geest der eeuwen. Wie het met begrip leest, voelt, dat de meest geperfectionneerde redactie, die van het handschrift C, het einde is van een keten, waarvan de eerste schakels in overoude tijden, wellicht die van de Volksverhuizing, waren gesmeed. Sagen van verschillende herkomst, veelal historisch gefundeerd, soms met sprookjesmotieven, misschien zelfs mythologische symbolen verrijkt, smolten ineen. Duidelijk laten zich twee groepen herkennen: die van het met bovenmenselijke gaven toegeruste paar Brünhild-Siegfried en die van de ondergang van het Bourgondische rijk in 437. De verbindende schakel schijnt de naam van Kriemhild te zijn, zij, die in de laatste sagengroep als zuster, in de eerste als echtgenote optreedt. Een vroeg stadium van dit sagencomplex is in de ‘Eddaliederen’, en later in de ‘Thidrekssaga’ bewaard. Of tussen deze en andere oude getuigenissen van de zich steeds verder ontwikkelende sage en het tot een sluitend geheel geworden ‘Nibelungenlied’ een Lat. tussenschakel, een ‘Nibelungias’, mag worden aangenomen, schijnt minder aannemelijk dan een vroegere generatie wel heeft gemeend. Even hachelijk is het, het ‘Nibelungenlied’ in de zich aan hoofse dichtnormen aanpassende redacties A, B en C met bepaalde namen als redigerende dichters te willen verbinden. Wij hebben hier met anonieme kunst te doen, die ten tijde van de hoofse literatuur en ook in later eeuwen bewondering wekte, die tot in onze tijd van modern toneel en film telkens opnieuw geschikt bleek om belangstelling voor romantisch heroïsme te voeden.

Uit de sfeer van de heldensage is ook de op Ingwaeoons gebied gevormde geschiedenis van ‘Gudrun’ afkomstig,die alleen maar in late, Opperduitse overlevering tot ons is gekomen. Terwijl het Nibelungenlied’ op de grote rivieren, met name de Rijn en de Donau georiënteerd is, mag men in de ‘Gudrun’, die in de Hoogduitse redactie overeenkomstig ‘Kudrun’ heet, een typisch zeeverhaal zien, deels een vroege robinsonade, deels een opeenstapeling van ontvoeringen en gevechten om oude rechten te verdedigen en nieuwe te verkrijgen. Tegenover de sombere ondergangsgedachte in het ‘Nibelungenlied’ bekoort in dit minder grootse werk een liefelijk optimisme.

Op de sombere achtergrond van de Nibelungensage verschijnt ook de imponerende figuur van Dietrich von Bern, de historische Gotenkoning Theoderik (ca 454-526). In tal van sagenredacties, als ‘Rabenschlacht’, ‘Dietrichs Flucht’, ‘Rosengarten’, ‘Laurin’, speelt hij een rol. Al deze verhalen bleven hun lezers vinden, eerst in handschriften, later in incunabelen (boeken voor 1500 gedrukt, wiegedruk) en tenslotte in goedkope volksboeken. Uit compilaties als het ‘Heldenbuch’ namen weer latere dichters hun inspiratie.

Deze bloeitijd in hoofse epiek, lyriek en heldenpoëzie omvat de beide eeuwen tussen ongeveer 1100 en 1300 met een culminatie tussen ongeveer 1180 en 1250. De voorafgaande tachtig jaren hebben het karakter van voorbereiding, terwijl de afsluitende halve eeuw als nabloei kan worden beschouwd. Het hoogtepunt omstr. 1200 valt samen met de glansperiode van het ridderlijk leven. Toen dit meer en meer in verval kwam en de macht gaandeweg overging op de steden, vond ook in de letterkunde een ingrijpende wijziging plaats. Zoals tevoren de geestelijkheid de leiding had afgestaan aan de ridderstand, ging zij thans over op welvarende, ontwikkelde burgers. Misschien hebben wij in Gottfried von Strassburg al een voorloper van deze verschuiving te zien.

DE LITERATUUR IN HANDEN VAN DE OPKOMENDE BURGERSTAND Voor de epische en lyrische poëzie was deze overgang niet gunstig, daarentegen kwamen er nieuwe dichtsoorten, als het drama en het volkslied, op, terwijl andere reeds bestaande genres, als het dierenepos en de fabel, tot groter bloei kwamen. Ook het proza ontwikkelde zich meer en meer.

Nadat het hoofse epos in de ‘Parzival’ en de ‘Tristan’ twee zo markante topprestaties had voortgebracht, bleef het nog geruime tijd terrein van dichterlijke werkzaamheid. Rudolf von Ems (gest. ca 1252) en Konrad von Wiirzburg (gest. 1287), wier vruchtbare arbeid nog in de bloeitijd ligt, toonden zich epigonen van formaat. Andere volgelingen, van wie sommigen zich meer bij Hartmann, anderen bij Wolfram, de meesten zich bij Gottfried aansloten, stelden zich ten doel de onvoltooide ‘Willehalm’ of de evenmin tot afsluiting gekomen ‘Tristan’ af te maken. De wisseling der tijden kondigde zich ook reeds tijdens de bloeitijd aan in het kleine epos ‘Meier Helmbrecht’, waarin een bewonderaar van Wolfram, Wernher der Gartenaere (ca 1240), blijkbaar getroffen door symptomen van zedelijk verval, de funeste uitwerking daarvan schildert, door een eerzuchtige boerenzoon te laten uittrekken op ridderlijke avonturen en hem het offer te laten worden van sociale misplaatstheid. Evenals de lyriek van Neidhart von Reuenthal toont ook de parodie van Wernher der Gartenaere, dat reeds in de riddertijd sociale tegenstellingen zich in de letterkunde doen gelden. Wat er dan na die tijd nog aan hoofse verhalen ontstond, vermoeit door breedvoerige schildering en lang uitgesponnen allegorie. Als laatste hoofse dichter pleegt men Maximiliaan van Oostenrijk (1449-1519) te beschouwen, die in de ‘Teuerdank’ het relaas liet te boek stellen, hoe hij de hand verkreeg van ‘Prinses Ehrenreich’, Maria van Bourgondië.

Het verval van de hoofse lyriek werd reeds bij de behandeling van de bloeitijd aangeduid, toen er op werd gewezen, dat de namen van dichters op de achtergrond traden of tot symbolen werden. Deze ontwikkeling leidde er meer en meer toe dat burgerlijke minnaars van de dichtkunst zich collectief organiseerden, om door oefeningen naar een ingewikkeld systeem van voorschriften, de zogenaamde ‘Tabulatur’, tot schoolse volmaaktheid te geraken. Langs rangen als ‘leerling’, ‘dichtvriend’, ‘zanger', en ‘dichter’ kon men tot de hoogste graad, die van ‘meester’ opklimmen. Dit is het bedrijf der ‘Meistersinger’. Als stichter van de oudste zangschool pleegt men de reeds genoemde ‘Frauenlob’, Heinrich von Meissen, te beschouwen. Andere scholen bestonden te Augsburg, Neurenberg, Worms en tal van plaatsen, vooral in Zuid-Duitsland. De beroemdste is stellig die van Neurenberg, waarvan Hans Sachs (1494-1576), de meester van het genre, deel uitmaakte. Richard Wagner heeft in zijn muziekdrama ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ dit milieu met talent uitgebeeld en zowel aan de wijze humor van de dichter Sachs als aan het ongewild comische van de sfeer recht doen wedervaren.

Ook de heldensage bleef na de bloeitijd onder het volk leven, dikwijls onbelangrijk en ontsierd door platheid en ruwe scherts, soms merkwaardig, doordat oude sagenmotieven blijkbaar ondergronds waren blijven bestaan. Behalve het reeds genoemde ‘Jongere Hildebrandslied’ is vooral het ‘Lied vom hürnen Seyfrit’ opmerkelijk.

De didactische poëzie ontwikkelde zich van de bloeitijd uit met het cultuurhistorisch belangrijke gedicht ‘Der Welsche Gast’ van Thomasin von Zirclaere (1ste helft 13de eeuw), het anonieme werk ‘Der Winsbeke’ en de ‘Bescheidenheit’ van Meister Vridanc (1ste helft 13de eeuw), die alle nog tot de 13de eeuw behoren, over de ‘Renner’ van Hugo von Trimberg (ca 1230ca 1313) tot het ‘Narrenschiff’ van Sebastian Brant (1457—1521), dat evenwel reeds de inwerking van de geest der Ouden verraadt.

Het dierenepos, dat in de ‘Ecbasis Captivi' een voorloper had gevonden, kwam in N. Frankrijk in de ‘Roman de Renart’ tot bloei. Naar dit voorbeeld had een Elzasser Heinrich der Glichezaere nog in de 12de eeuw zijn ‘Reinhart Fuchs’ gedicht. De verdienstelijkste bewerking is het Middelnederlandse gedicht ‘Van den Vos Reynaerde’, dat omstreeks een eeuw later door de Vlaamse dichter Willem werd vervaardigd. Hiernaar richtte zich op het D. taalgebied na verloop van tijd een anonymus, van wiens hand in 1498 te Lübeck de Platduitse ‘Reynke de Vos' verscheen, door latere dichters herhaaldelijk, bij voorbeeld door Goethe, gemoderniseerd.

Als eerste belangrijke D. fabeldichter is Ulrich Botter (omstr. 1350) te beschouwen, wiens ‘Edelstein’ omstreeks het midden van de 14de eeuw ontstond. Tegen het einde van de 13de eeuw begon men sporadisch het Latijn van rechtsboek en kroniek door D. proza te Fabel vervangen. In N. Duitsland beschreef Eike von Repkow (1ste helft 13de eeuw) het Saksisch recht in zijn Sachsenspiegel, Zuid-Duitsland volgde met de ‘Schwabenspiegel’. In Saksen ontstond het eerste D. geschiedboek, de ‘Sächsische Weltchronik’, gevolgd door de in het D. geschreven kronieken van Straatsburg, Limburg en Thüringen. Soms werden zij, zoals de ‘Deutschordenschronik’, in berijmde vorm gesteld.

Mede won het proza aan terrein door het verspreiden van preken, zoals die van David von Augsburg (gest. 1272) en de nog beroemdere Berthold von Regens burg (ca 1220-1272). Vooral de mystiek had behoefte aan innigheid van taal. Het streven van Meister Eckehart (ca 1260-1327), Heinrich Suso (ca 1295-1366), Johannes Tauler (ca 1300-1361), Rulman Merswin (13071382) heeft tot verrijking van de D. taal en haar soepelheid van uitdrukking in hoge mate bijgedragen.

Voor het verdere verloop, met name ook voor het opkomen van het D. volkslied, het volksboek en het volksdrama mogen wij naar het opstel D. letterkunde verwijzen.

J. H. SCHOLTE
J. H. Schôlte, Duitse taal en letterkunde, Winkler Prins’ Encyclopaedie, 3de dr. 1907.

Th. C. van Stockum en J. van Dam, Geschichte der deutschen Literatur, 1934 e.v.

A. Heusler, Die Altgermanische Dichtung, 1923. e.v.
v. d. Leven, Volkstum und Dichtung, 1933.
S.Singer, Germanisch-romanisches Mittelalter, 1935.
H. Schneider, Heldendichtung, Geistlichendichtung, Ritterdichtung, 1925.

Ehrismann, Geschichte der deutschen Literatur bis zum Ausgang des Mittelalters, 1918 e.v., deels herdrukt.

J. Schwietering, Die deutsche Dichtung des Mittelalters, 1932 e.v.