Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

De kunst van de Islam

betekenis & definitie

De kunst van de mohammedaanse volken is slechts in zover een eenheid als zij de in de verschillende landen van de Islam van ouds vigerende vormgedachten onder algemene gezichtspunten heeft gebracht, die door de geestesrichting van de door Mohammed gepredikte godsdienst werden gedicteerd, en daarna met meer of minder consequentie in de mohammedaanse landen doorgevoerd. De invloed van de godsdienst komt het duidelijkst uit in de bouwkunst en in de sierkunst. In de bouwkunst, waarbij vooral aan moskeeën gedacht moet worden, valt het ontbreken van synthetische gedachten op; de meeste bouwwerken zijn niet meer dan samenstellingen van onderdelen, zoals koepels, portalen, torens en zuilen of pijlers, de spitsboog overheerst en is kenmerkend voor de mohammedaanse kunst geworden.

De sierkunst is gekenmerkt door de verschillende soorten van arabesken. Eigenlijke beeldende kunst ontbreekt, in verband met het godsdienstig verbod om levende wezens af te beelden. Als onderdeel van decoraties komen mensen- en dierenfiguren echter vaak voor, hoewel niet in de moskeeën.DE EERSTE EEUWEN De landen, waar de zo gekarakteriseerde kunst zich het eerst begint te vertonen zijn Syrië en Mesopotamië. Erwerden hier in de centra uiterst primitieve moskeeën opgetrokken, voornamelijk van hout, naar het type van het complex, dat in Medina voor de samenkomsten der gelovigen gebruikt werd en dat vermoedelijk als de oudste moskee van de Islam beschouwd moet worden. Dit oudste moskeetype is de z.g. pleinmoskee. Het bestond uit een door gaanderijen omgeven rechthoekige ruimte. De naar Mekka toeliggende zijde (de z.g. kiblazijde) had een diepere overdekking dan de andere zijden. De kibla (= gebeds-)richting werd aangegeven door iets als een nis in de wand, mihrab genaamd. In de nabijheid van de mihrab bevond zich steeds een met een trapje voorziene houten opstand, waarop bij bepaalde godsdienstoefeningen en andere gelegenheden een prediker plaats nam; dit is de kansel of minbar. Minaretten waren in deze oudste tijd nog geen vaste moskeeonderdelen.

De oudste moskeecomplexen zijn reeds lang verdwenen of herhaaldelijk zo ingrijpend herbouwd of gerestaureerd, dat van de oorspronkelijke toestand niets meer over is. Dit is ook het geval geweest met de moskee te Medina, die haar tegenwoordige uiterlijk eerst in de 16de eeuw gekregen heeft; ook het heiligdom te Mekka, in het midden waarvan de Ka’ba staat, heeft zijn tegenwoordige gedaante eerst veel later gekregen. In sommige Syrische plaatsen echter zijn voormalige kerken tot moskeeën omgeschapen; zo is de beroemde Oemajjaden- moskee te Damascus oorspronkelijk een christelijke basiliek. Het gebouw zelf is hier geworden tot de overdekte kiblaruimte, terwijl in de lange zuidzijde de mihrab werd aangebracht; tegen de noordzijde aan werd het nieuwe moskeeplein aangelegd. Deze ombouwing had plaats in het begin der 8ste eeuw; de twee vierkante kerktorens werden tot minaretten, vanwaar de oproep tot het gebed werd gedaan; nog een derde minaret werd op een andere hoek erbij gebouwd. Ook deze Oemajjadenmoskee is sindsdien veelvuldig gerestaureerd. Een tweede dergelijke verbouwing, die nog bestaat, is de z.g. Aksamoskee in Jeruzalem, aan de zuidkant van het grote tempelplateau. Hier stond vroeger een onder Justinianus gebouwde Mariabasiliek, welker materiaal voor de moskee gebruikt is. Het is een driebeukige zuilenhal, aan de voorkant (de noordzijde) afgesloten door een arcade van zeven spitsbogen. De ruimte vóór de mihrab in het middenschip wordt overdekt door een koepel, die het middengedeelte vormt voor een het middenschip snijdend transept. Ook de Oemajjadenmoskee te Damascus kent zulk een transept.

Een van de zeer oude mohammedaanse bouwwerken te Jeruzalem is ook de z.g. Rotskoepel, gebouwd omstr. 700 na Chr. Tot de mohammedaanse kunst kan men dit gebouw echter nauwelijks rekenen. Het staat midden op het tempelplateau en heeft de vorm van een regelmatige acht-hoek met wat oplopend dak; in het midden verheft zich op een door vier pijlers gedragen trommel een licht hoefijzervormige koepel. De Rotskoepel is nog een product van de Byzantijnse bouwtraditie; de talrijke latere restauraties, zoals de tegenwoordige mozaïekversiering, zijn wijzigingen in mohammedaanse geest. De bedoeling met de bouw van de Rotskoepel was een heiligdom te scheppen, dat met de zich toen in handen van een tegenkalief bevindende Ka’ba te Mekka kon concurreren.

Een ander voorbeeld van Byzantijnse traditie in het Syrië van deze tijd zijn enige kleine paleisjes, die de Oemajjaden voor zich lieten bouwen in de Transjordaanse woestijnstreek; het best bewaarde is Koesair Amra, vooral merkwaardig door zijn badvertrekken met aan figuren rijke Hellenistische muurschilderingen. Een ander type vertoont het paleis Moesjatta in deze zelfde streek; het was veel groter en heeft een aanleg, die met de Romeinse castra overeenkomt en die ook al uit paleisruïnes uit vóórmohammedaanse tijd bekend is (Hatra uit de Parthentijd).

Van Syrië uit verspreidden deze beginnende kunstvormen zich naar West en Oost. In oud-Caïro in Egypte staat nog de z.g. Amrmoskee, die in zijn oorspronkelijke vorm tot 642 teruggaat Westen en die reeds een zeer ruim overdekt kiblagedeelte had, waarvan het dak door antieke zuilen gedragen werd.

Verder bestaat nog, hoewel later sterk veranderd en gerestaureerd, de grote moskee van Kairoean in Tunesië (genaamd de Sidi Okbamoskee), daterend van ca 800, een zeer grote pleinmoskee (124 X 74 m), die met haar omgevende galerijen en toegangspoorten weinig de indruk van een geheel maakt. De zeer oude minaret staat in de muur tegenover de kiblazijde en is een massieve vierkante toren met drie verdiepingen. Tenslotte is er de beroemde moskee van Cordoba in Spanje, daterend uit 786; het herhaaldelijk uitgebreide overdekte gedeelte bestaat uit 19 loodrecht op de kiblazijde staande schepen. De zuilen en kapitelen stammen voor een groot deel uit oudere christelijke bouwwerken en de zuilen zijn verbonden door de voor de kunst van de westelijke Islam zo typische hoefijzerbogen in twee verdiepingen. De minaret bestaat al lang niet meer, maar moet ongeveer dezelfde massieve vorm hebben gehad als de latere minaretten in Sevilla (de Giralda) en N. Afrika. De mihrab van Cordoba is van 965 en heeft de vorm van een hoefijzervormige poort, die toegang geeft tot een achthoekig koepelgewelf.

Van de andere talrijke moskeeën uit deze eerste eeuwen is bijna niets meer over. Dit is vooral het geval in Mesopotamië en Iran, waar het lemen materiaal veel vergankelijker was dan de steen van het Westen ten N. van Bagdad, waar de Abbasieden van 838 tot 883 hun residentie hadden, zijn door de opgravingen van 1911-1913 uitgestrekte ruïnes bekend geworden, die voor de geschiedenis der mohammedaanse kunst van groot belang zijn.

Een zeer grote pleinmoskee heeft hier overwegend bakstenen pijlers, in de hoeken waarvan marmeren zuilen zijn ingebonden. Een andere, kleinere moskee schijnt galerijen en spitsbogen te hebben bezeten. Bij beide moskeeën behoort een buiten het complex losstaande minaret in de vorm van een spiraaltoren, naar het voorbeeld der Oudbabylonische ziggoerats. Dit Mesopotamische moskeetype moet het voorbeeld geweest zijn van de veel beter bekende Toeloeniedenmoskee in Cairo, gebouwd omstr. 870. De kibla-overdakking rust hier op vijf pijlers met ingemetselde hoekkolommen; de schepen lopen evenwijdig met de kiblamuur. De minaret, waarvan alleen de zware vierkante onderbouw oud is, staat ook hier buiten de moskeemuur.

In Samarra zijn ook buitengewoon grote paleisruïnes bekend geworden, van hetzelfde type als het reeds genoemde Moesjattapaleis. Zulk een paleis bestaat uit een middengedeelte, beginnend met de hoofdingang en gevolgd door een reeks statige poortgebouwen, troonzalen en binnenhoven. Rechts en links van dit middengedeelte liggen de woon- en dienstvertrekken.

De Samarra-ruïnes zijn ook zeer leerzaam geweest voor de kennis der decoratie. Deze bestaat hier al overwegend uit de voor de gehele mohammedaanse kunstzo kenmerkende arabeskenversiering. Men verstaat daaronder eensdeels tot in het onnatuurlijke gestileerde plantenmotieven, welker bladeren als palmetten een vast bestanddeel van alle decoratie vormen, en anderzijds geometrische motieven, welker zeer gevarieerde componenten op kunstige wijze tot grote patronen ineengeweven en -gestrengeld zijn. Voor deze soort van decoratie kwamen het meest in aanmerking de minaretten, de fagaden van moskeeën en paleizen, de bogen en arcaden en de binnen- en buitenzijden der koepels. Ook de mihrabs der moskeeën waren steeds met arabeskendecoratie voorzien. Waar grotere oppervlakken met arabesken versierd moesten worden, bood indeling in kleinere vakken en panelen een zeer geschikte omlijsting. Ook de decoratie der kapitelen vertoont een schematische ontwikkeling uit het acanthusmotief, die uitloopt in arabeskenornamentiek.

De fries in steenreliëf aan de façade van het Transjordaanse Moesjattapaleis vertoont in zijn verschillende delen een overgang van de meer natuurlijke naar de schematische stijl; deze islamisering is al geheel doorgevoerd in de marmerversiering ter weerszijden van de mihrab in Cordoba. Vooral in de stuccodecoratie van het Oosten kon de arabeskentechniek echter triumfen vieren. Het meeste is door de aard van het materiaal verloren gegaan, maar juist in de wanddecoraties van Samarra heeft men de verschillende fasen der arabeskenversieringen en techniek kunnen bestuderen. De paleizen van Samarra hebben bovendien nog rijke figurenschildering gehad, die zich echter door hun in ramingen als niet meer dan decoratiemotieven doen kennen.

Het stuccomateriaal maakte het mogelijk de arabesken te verbinden met inscripties in de monumentale schrif ductus, die Koefisch genoemd wordt. In Sa.marra is geen schrift voor de dag gekomen, maar de Toeloeniedenmoskee in Cairo heeft boven langs de binnenmuren lange koranteksten, hierechter in hout gesneden. Ook verder is uit Egypte vooral houtsnijkunst bekend uit de eerste eeuwen, vaak nog met dierenfiguren in de patronen. Vooral de kansels in de moskeeën werden op deze wijze gesierd; alleen komen hier nooit diermotieven voor. Bijzonder beroemd is de zeer oude kansel van Kairoean, welks panelen een verbijsterende variatie van geometrische motieven vertonen.

Snijkunst in ivoor is bekend uit het Spanje der 10de eeuw, vooral op doosjes en kistjes, waar de verschillende motieven vaak in medaillons gegroepeerd zijn.

De overal van ouds bestaande ceramische kunst heeft in het Mesopotamië der 9de eeuw een grote bloei beleefd, zowel in de productie van gebruiksvoorwerpen als van gekleurde fayencetegels voor de muurversiering. Hier moet in deze tijd de lustrebeschildering zijn uitgevonden, die aan het aardewerkglazuur metaalachtig glanzende tinten verleent. In Samarra zijn talrijke in deze techniek vervaardigde voorwerpen voor den dag gekomen. Uit deze vondsten blijkt, dat men hier met succes oudere Iraanse en zelfs Chinese ceramiek wist na te bootsen. Ook de metaalbewerking, vooral in koper en brons, stond in dezelfde streken al op een hoog peil, maar er is weinig van bekend.

Evenmin is veel bekend omtrent de weeftechniek in deze vroege eeuwen; hier werden aanvankelijk vóórmohammedaanse voorbeelden, vooral Perzische, nagevolgd. Waarschijnlijk maakte men in deze tijd al de bekende geborduurde zijden stoffen (tiraz). Uit de literatuur blijkt, dat ook de tapijtkunst op de basis van oudere traditie was opgebloeid.

II.IRAANSE KUNST IN DE MIDDELEEUWEN Na 900 begint in Perzië een speciaal Iraanse vorm der islamische kunst op te komen. In de architectuur wordt deze gekenmerkt door koepel- en gewelfconstructies (uit gedroogde leem, tichels of bakstenen) en door de portaalfacades, die onder de naam iwân bekend staan; zij worden door een stomphoekige spitsboog gesloten. Deze bouwvormen zijn ook al uit de Sassaniedentijd (226-651) bekend; de koepels moesten gewoonlijk vierkante onderbouwen overwelven, waarvoor verschillende oplossingen (vooral met trompen of gemetselde bogen in de hoeken) bekend waren.

Terwijl nu de oudste moskeevorm in Iraanse landen ook de pleinmoskee geweest schijnt te zijn, zijn daar nog maar zeer weinig voorbeelden van bewaard in ruïnes. In andere moskeeën, zoals oorspronkelijk de grote Vrijdagsmoskeeën in Sjiraz en Jsfahan, bestond het kiblagedeelte uit een Iwán-portaal, al dan niet verbonden met een moskee daarachter gelegen koepelconstructie. Bij deze aanleg speelde het moskeeplein zelf geen belangrijke rol meer, daar de bezoekers vermoedelijk allen in het bouwwerk plaats konden vinden. Zo ontstaat in Iran de z.g. koepelmoskee, die in oosterse landen steeds een bekend moskeetype is gebleven.

Er zijn in Iran ook andere oude koepelbouwwerken uit mohammedaanse tijd, nl. graftorens en grafkoepels. De graftorens vindt men in verschillende plaatsen van N. Iran; zij zijn rond, vierhoekig of polygoon en dateren uit de 10de en 11de eeuw. De oudere specimina zijn weinig gedecoreerd, maar de luisterrijkste is het torengraf van de vorstin Moe’mine-Chatoen te Nachtsjewan in Armenië (12de eeuw). De oudste bekende grafkoepel staat in Boechara en is het graf van de Samaniedenvorst Isma’il, die in 907 stierf. Het is een kubusvormig gebouw met spitsboogingangen aan de vier zijden; de koepel staat op een achthoekige basis, omgeven door een galerij, die de hoektrompen maskeert. Door zijn sierlijke decoratie in baksteenpatronen en zijn gave toestand is dit gebouw een juweel onder de voortbrengselen van de Iraans-mohammedaanse kunst. Er zijn nog andere grote koepelgraven. Onder deze spant de kroon die van de Mongoolse sultan Oldjaitoe in Soeltanïje (N.W. Perzië), gebouwd ca 1300. Dit sterk vervallen gebouw is achthoekig en draagt een koepel van spitsboogvormige doorsnede; de koepel staat op een platform, dat met minaretachtige torentjes gekroond is. Dit ook decoratief opmerkelijke bouwwerk heeft geometrisch zeer nauwkeurig doorgevoerde proporties. Vele kleinere grafmonumenten in Iran zowel als Mesopotamië houden het midden tussen toren en koepel.

In de 11de eeuw ontstond in Perzië een nieuw type voor grotere moskeeën. Hierbij zijn de vier zijden van het moskeeplein gevormd door iwánportalen, terwijl de tussenliggende gedeelten niet meer be staan uit arcaden, maar uit muren met nissen.

Men noemt dit type de madrasamoskee, omdat deze bouwvorm met vier iwans voor het eerst gebruikt schijnt te zijn voor de theologische scholen of madrasa's; bij deze waren echter de binnenmuren voorzien van poorten of deuren, die toegang gaven tot de cellen, waarin de studenten woonden. Van de oudere madrasa’s is er geen meer over; alleen van de in 1232 te Bagdad gebouwde madrasa staan nog enkele gedeelten. Moskeeën uit oudere tijd, zoals de reeds genoemde Vrijdagsmoskee te Isfahan, zijn later tot madrasamoskeeën omgebouwd.

De oudste minaretten in Iran waren vierhoekig, maar in de 11de eeuw verschijnen ronde minaretten, die misschien op een Oostiraanse bouwvorm teruggaan en met de ronde graftorens verwant schijnen. In Ghazna, een vroegere vorstenresidentie in Afghanistan, staan enkele rijk gedecoreerde herdenkingstorens (of minaretten?) uit het begin van de 11de eeuw. De minaretten hebben in deze tijd een uiterst verfijnde decoratie van uitspringende bakstenen. Zij staan meestal ingebouwd in de tegenover de kiblazijde liggende moskee-ommuring, dikwijls aan weerszijden van het ingangsportaal.

Deze architecturale vormen bleven ook in volgende eeuwen gelden en treden in zeer monumentale vorm op in Samarkand, de residentie van Timoer Lenk (ca 1400), onder wiens regering deze stad met moskeeën, madrasa’s en praalgraven verrijkt is, die ondanks hun vervallen toestand nog steeds bewonderingwekken. In Iran zijn uit de 15de eeuw nog verscheidene moskeeën bekend, waarvan de schoonste is die te Mesjhed in O. Perzie. Deze madrasamoskee vormt een deel van het grote gebouwencomplex, dat is opgericht boven het graf van de Sji’ietische imam Riza. Zij heet naar Djauhar-Sjad, gemalin van Timoers zoon, en ontleent haar luister grotendeels aan de kwistig aangebrachte versiering met fayencetegels. Een andere beroemdem oskee uit deze tijd is de z.g. ‘blauwe moskee’ in Tebris. Dit is de nog zeer imposante ruïne vaneen koepelmoskee, waarin de centrale koepelbouw doortwee koepelgewelven geflankeerd wordt; haar naam dankt zij aan de kobaltblauwe ondergrond van de fayence mozaïekversiering.

Van paleizen is uit het Perzië van deze tijd zo goed als niets over. Wel zijn er bouwvallen van karavaanserails — grote rechthoekige complexen met wachttorens — vestingwerken en bruggen.

In de decoratietechniek is reeds van de baksteenornamentiek melding gemaakt, die behalve voor de minaretten voor muurversiering gebruikt werd. Men , vindt haar voor het eerst in het koepelgraf te Boechara; soms is het effect door tussengevoegde terracottastukjes verhoogd. Deze techniek leent zich ook zeer goed voor het vormen van de Koefische lettertekens; zij heeft de stuccodecoratie voor een groot deel verdrongen. Iets later, omstr. 1000, vertoont zich ook voor de eerste maal de decoratie met stalactieten, vooral aan de binnenzijden van koepelgewelven en nissen. Aanvankelijk uitgevoerd in baksteen als natuurlijk onderdeel der constructies, worden zij spoedig nagebootst in stucco of steen en worden zo tot ornament. De koepel van de centrale hal van de Djauhar-Sjadmoskee in Mesjhed is geheel overwoekerd door stalactieten. Ook de boogvormen worden in steeds toenemende mate een decoratiemotief.

Stuccoversiering met arabesken blijft aan de binnenkant der moskeeën aangewend, vooral bij de gebedsnissen.Daarbij komt ook het meer cursieve Arabische naschischrift voor de inscripties in gebruik en weet zich op volmaakte wijze aan te passen aan de gecompliceerde motieven.

Sinds het begin der 12de eeuw vindt de wandbedekking met geglazuurde tegels algemeen verbreiding, waarop al gewezen is bij de vermelding van de Djauhar Sjadmoskee. De tegels gaven gelegenheid de arabeskenpatronen over grote oppervlakken te vermenigvuldigen en het kleurrijke effect heeft wel doen spreken van fayencetapijten. Vooral door de lustrebeschildering werd het effect nog verder opgevoerd zoals in de mihrabversiering van de moskee van de stad Kasjan uit 1226. Een variatie van deze techniek is het fayencemozaïek, dat een nog rijker kleurenscala weet te bereiken. Zij bereikt haar hoogtepunt in de Timoeriedentijd in de 15de eeuw. Zo vindt men fayencemozaïek ook in de DjauharSjadmoskee; naar de beschrijvingen geeft zij een indruk van bovenaardse volmaaktheid.

Verschillende centra van superieure ceramische kunst komen op in de 10de eeuw, vooral Mosoelen de Perzische stad Rayy (Rages). Voor deze laatste school is kenmerkend een majolicaproduct (z.g. mtná'i), waar op lichtgetinte glazuurachtergrond veelkleurige decoraties, soms gestileerde figuren, maar ook wel dramatische situaties werden geschilderd. Deze ceramische schilderkunst gaat samen met de tegelijk opkomende miniatuurkunst in de handschriften.

Weer een andere bij uitstek vermaarde kunstnijverheid in Perzië werd de vervaardiging van koperen voorwerpen — ketels en schalen — met zilverinleg van arabesken, inscripties of soms ook figuurvoorstellingen.

Tenslotte moet genoemd worden de boeksierkunst, eensdeels met geraffineerde calligrafie verluchte luxe-handschriften, vooral korans, waarvan Bagdad een centrum was, anderdeels gekleurde af beeldingen in de tekst van werken met fabel- of verhalenliteratuur of ook wel over natuurlijke historie. Later, in de 13de eeuw, werden ook geschiedwerken op deze wijze verlucht. Verschillende stijlen zijn gemakkelijk te onderkennen. In de 15de eeuw zijn Sjirdz en Herat centra van hoogstaande miniatuurproductie, vooral in handschriften van epische en romantische dichtwerken De ontwikkeling der islamische kunst in Iran is daarom zo belangrijk, omdat zij vormen en technieken heeft geschapen, die op den duur ook in de westelijke landen van de Islam: Egypte, N. Afrika, Spanje en KI. Azië, maar ook in Indië in min of meer ruime mate zijn gerecipieerd, terwijl deze landen zelf, ondanks locale eigenaardigheden, d; mohammedaanse kunst als geheel veel minder beinvloed hebben.

EGYPTE In Egypte, waar steenarchitectuur heerste, zijn de moskeeën uit de Fatimiedentijd (909-1171) pleinmoskeeën. De oudste onder deze dynastie gebouwde bedehuizen zijn de Azharmoskee en de moskee van de kalief Hakim, die nog bestaan. De Azharmoskee gelijkt in constructie veel op de moskee van Kairoean; zij heeft een transept met twee koepels, maar de door zuilen gedragen schepen lopen evenwijdig met de kiblamuur; de spitsbogen der arcades hebben Perzisch model. De Hakimmoskee bootst meer de Toeloeniedenmoskee na, maar is vooral merkwaardig door haar monumentale fagade, oorspronkelijk bestaande uit een groot portaal tussen vooruitspringende muurflanken. Op de hoeken van de fagade staan vierkante onderstukken van minaretten. De Egyptische minaretten uit deze tijd bestaan uit ronde of polygone verdiepingen, die naar boven toe telkens slanker worden; hun voorbeeld is waarschijnlijk de beroemde vuurtoren van Alexandrië. Van de andere moskeeën uit deze tijd is de hooggelegen Djoejoesji moskee eigenlijk een grafkoepel naar Iraans model. De decoratie der moskeefagades bestaat uit in steen gesculpteerde arabesken, de binnenzijde heeft vooral stuccobekleding.

Naast de stuccodecoratie bloeit in Egypte de houtsnijkunst, vooral bekend door enkele mihrabs van hout. Er zijn ook houten frieslijsten over, die blijkbaar uit paleizen of particuliere woningen stammen en lichtelijk geschematiseerde afbeeldingen van mensen en dieren vertonen.

Omstr. 1200 werd in Egypte ook het Iraanse type van de madrasamoskee ingevoerd, hoewel de constructietechniek niet overgenomen werd, want de grote iwânhallen werden met hout gedekt en niet met koepelgewelven. Er bestaan verschillende typen van deze bouwvorm; de beroemdste is de grafmoskee van de Mameloekensultan Hasan (1336-1362) te Cairo. Hier worden de vier zijden van het binnenplein bijna geheel ingenomen door iïwâns; achter de kiblawand ligt het mausoleum van de stichter. De zeer hoge en zeer monumentale ingang hééft een rijk met stalactieten gesierde drielobbige boogvorm. De buitenfaçade is gebroken door hoge, smalle nissen in verscheiden verdiepingen. Aan weerszijden van de kiblaiwan verheffen zich twee achthoekige minaretten. Onder de Mameloeken werden ook pleinmoskeeën gebouwd, zoals die van sultan Baibars (1260-1277).

In de woestijn ten O. van Cairo vindt men de z.g. ‘Kaliefengraven’, een reeks van grafkoepels en grafmoskeeën der Mameloekensultans. Zij zijn onmiskenbare navolgingen van de Perzische grafkoepels, maar de koepelconstructie is alweer zeer verschillend; de koepels rusten zonder geleidelijke overgang op de onderbouw. Een veelgebruikt decoratiemotief in deze tijd was de afwisseling van verschillend gekleurde (rood en wit) steenlagen; later werden die kleuren ook kunstmatig aangebracht. De vensters zijn vaak door een kolom in tweeën verdeeld, met een ronde opening daarboven. Grote aandacht wordt besteed aan het uiterlijk der in verdiepingen opgetrokken minaretten; de transen der overgangen worden door stalactietenconsoles gedragen. De decoratie bestaat uit patronen en geometrische figuren, evenals die der koepels.

Evenzo werkt de binnendecoratie, vooral de omgang van de mihrabs, met kleurafwisseling in de steen en met marmermozaïek; verder door beschildering van het houtwerk en gekleurd glas in stucco-omlijsting in de vensters.

Fayencebekleding is hier nooit inheems geworden.

Het moskeegerei van deze tijd getuigt van een uiterst verfijnde inlegkunst in hout en ivoor. Daarnaast grote, gegraveerde en ajour bewerkte moskeelampen, die door de Iraanse inlegtechniek gestimuleerd waren. Ook andere voorwerpen (karaffen, schalen, pennekokers, kistjes) zijn producten van deze nijverheid. In de ceramiek stond het Egypte der 11de en 12de eeuw vooraan in de vervaardiging van lustrefayence; in de Mameloekentijd verdwijnt deze. Sedert de Fatimiedentijd bloeide hier ook een hoog ontwikkelde glastechniek, vaak gepaard met effectvolle beschildering in arabesken en figuren.

Beroemd is in Egypte echter de industrie van bewerkte weefsels, die men tiraz noemde. Fijne zijden stoffen werden met zijden banden of naaldwerk doorwerkt of met gouddraad doorweven. Zij waren vooral voor hofgebruik bestemd en als vorstelijk geschenk. Uit Egypte is deze industrie ook naar Sicilië gekomen, waar zij onder de latere Normandische overheersing bestond. Van haar is afkomstig een bekende kroningsmantel der Duitse keizers, gedecoreerd met een Arabische inscriptie met dierenfiguren.

Uit de Caïreense puinhopen zijn stukken knooptapijt te voorschijn gekomen, die nog in de Fatimiedentijd gedateerd kunnen worden. In de literatuur worden ook allerlei soorten tapijten beschreven, die in deze eeuwen in Egypte vervaardigd werden. De enige oude Egyptische tapijten die nog over zijn, zijn de z.g. Damascustapijten, die een eigenaardige tekening hebben van geometrische patronen: grote achthoeken in het midden en fijne veldvulling met arabesken in rood, blauw, groen en geel.

NOORD-AFRIKA EN SPANJE De mohammedaanse kunst in N. Afrika en Spanje noemt men ‘Moorse kunst’. Zij is gekenmerkt door een nog verder gaande afkeer tegen het afbeelden van levende wezens en door talrijke geometrische decoratiepatronen.

De Moorse kunst begint niet duidelijk vóór de 12de eeuw. Er zijn weinig bouwoverblijfselen van vóór die tijd. In Spanje werkte de Byzantijnse kunsttraditie Moorse nog lang na, gelijk uit de restauratiewerken aan de moskee van Cordoba blijkt. De hoefsmeden ijzerboog schijnt echter al vroeg in algemeen gebruik te zijn gekomen zoals uit een oude vestingpoort bij Toledo blijkt.

De grote moskeeën uit de tijd der Almoravieden en Almohaden (12de en 13de eeuw) in N. Afrika (Algiers, Tlemcen, Fez) zijn pleinmoskeeën met betrekkelijk kleine binnenhoven en diepe vijfkantige nissen. Zij hebben alle slechts één minaret, maar deze minaretten zijn het meest indrukwekkende onderdeel. De drie beroemdste minaretten zijn die te Marrakesj (de Koetoebija), die van de Hassanmoskee in Rabat en de Giralda te Sevilla. Het zijn massieve vierkante torens, die een aantal verdiepingen met zalen bevatten; het platte dak draagt een paviljoenachtig koepelgebouwtje. Zij zijn gedecoreerd met groepen van twee of drie vensters, overdekt met in reliëf aangebrachte bogen. Verder ceramische versiering in de friezen en in de nissen arabeskenschildering.

De moskeeën zelf zijn veel soberder in decoratie. De met stucco gevormde bogen hebben vaak een draperieachtig profiel. Voor het eerst beginnen in deze tijd gebroken hoefijzerbogen op te treden. De mihrab en de koepel daarboven zijn het centrum der decoratie.

Van de bronsbewerking legt de leeuwenfontein in de Leeuwenhof van het Alhambra getuigenis af. Verder kwamen uit Spanje zijden weefsels en goudbrokaten met geometrische patronen. Ook bloeide hier een tapijtindustrie en in Rabat in Marokko is een tapijtnijverheid met eigenaardige patronen opgekomen, die ook nu nog de traditie voortzet.

Paleizen en burchten waren eveneens betrekkelijk sober van decor. Twee poortgebouwen in de citadel van Rabat vertonen opmerkelijke, op die van de minaretten gelijkende, decoraties in steen.

In de 13de en 14de eeuw bereikt deze bouwkunst haar rijpheid. De best bewaarde moskeeën staan in de nabijheid van Tlemcen, zij vertonen hetzelfde type als die der vorige eeuwen. Een nieuw soort gebouwen zijn de medersa's, die zeer duidelijk de bouwtrant van de Iraanse madrasa’s nabootsen.

Van de beroemde vorstelijke residenties der Merinieden te Fez en elders is zo goed als niets meer over. Alleen het Alhambra teG ranada vermag een denkbeeld te geven van wat de weeldebouwkunst in de westelijke Islam vermocht te presteren. Dit paleis, waarvan de bouw in 1232 begon, bestaat uit een complex van zalen en binnenhoven, waarvan vooral het decor bewondering wekt. De bogen, met uiterst gevarieerde profielen, zijn in stucco uitgevoerd; zij staan in rechthoekige omlijstingen en rusten op sierlijke marmerzuilen. De arabeske levert een dichte vulling van alle vakken en is met een rijke kleurenscala beschilderd. Overheersend is een ook op de minaretten en elders voorkomend ruitenpatroon. Voorbeelden van een soortgelijke ornamentiek vindt men bovendien in Marokko. Ook fayencemozaïek(Spaans: azulejos) was in gebruik maar heeft nooit de kleuren- en vormenrijkdom bereikt van de Iraanse kunst. De Moorse kunst is ook na de christelijke verovering van Spanje blijven doorwerken en heeft daar de z.g. mudejarstijl voortgebracht, die aan verschillende gebouwen (het Alcazar in Sevilla) te bestuderen is. Terwijl in Marokko de Moorse bouwkunst ook in de volgende eeuwen zonder veel originaliteit werd voortgezet, ging in het overige N. Afrika de traditie onder de Turkse overheersing verloren.

In de kunstnijverheid was het Spanje der 14de eeuw beroemd om zijn lustre-aardewerk. Hiervan was Malaga het centrum, in de volgende eeuw opgevolgd door Valencia (borden en tafelgerei.

V. IRAANSE KUNST IN LATERE TIJD

In het Perzië van na 1500 zette de Safawieden-dynastie de roemrijke kunsttraditie voort door de nieuwe aanleg van haar hoofdstad Isfahan. Het centrum vormt het grote plein Maidan-i Sjah, waaraan gelegen is de nieuwe grote moskee Masdjid-i Sjah, gebouwd in de madrasavorm. Achter de hoge iwan van het kiblagedeelte rijst de met fayence beklede koepel op een hoge trommel. Deze koepel heeft de dominerende, uitbui^ isfahan kende knolvorm, die alle moskeeën en praalder Saf graven der Sji’ietische Perzen in deze latere wieden eeuwen typeert. Een nieuwigheid in de decoratie zijn de polychrome fayencetegels, die onder Sjah Abbas in de mode kwamen. De tinten van alle versiering worden in deze tijd zachter en vager, gelijk dit bij andere bekende moskeeën uit Isfahan, maar ook bij de grote grafmoskeeën der Sjî’ietische îwâns in Mesopotamië het geval was (Samarra, Kerbela, Nedjef, Kazimein bij Bagdad). Deze laatste zijn overdadig versierd met zwaar vergulde koperen platen, waarmede koepels en minaretten bekleed zijn.

In Isfahan en elders kwam voorts een lichte paleisarchitectuur op, waarin naast fayence en marmerbekleding ook hout een belangrijke rol speelde (houten kolommen). Om de paleizen ontstond een zorgvuldige en kunstzinnige parkaanleg, waarin een oude traditie voortleefde.

Maar het Perzië van dezo latere eeuwen is vooral beroemd geworden om zijn miniatuurkunst en zijn tapijtindustrie. Beide zijn een voortzetting van de traditie onder de Timoerieden. In het begin was vooral Tebris het centrum van een onovertroffen boekkunst. Deze uitte zich in de eerste plaats in de calligrafie en de versiering van korans en titelbladen van andere werken met arabesken en patronen, die aan tapijten doen denken. In de tweede plaats ontwikkelt de miniatuurkunst zich nog verder in meer natuurlijke richting. De grote figuur was hier de miniaturist Behzâd (1450-1534), die van Herat naar-Tebris kwam en tot wiens school later nog andere bekende meesters behoorden. Er ontstaat dan zelfs een soort portretkunst. In de miniaturen wordt ook gestreefd naar uitdrukking van perspectief, maar met middelen, die een geheel ander effect bereiken dan wat in de westerse kunst onder perspectief wordt verstaan. In de 17de eeuw was het werk in de school van de te Isfahan werkende grote schilder en tekenaar Rizd Abbâsi het hoogtepunt van de individualiserende kunst. Ook de vervaardiging van boekbanden onderging sterk de invloed van de miniatuurkunst.

Met het opkomen van de Safawiedendynastie (1500) is tenslotte de tapijtkunst in Perzië een bloeitijdperk ingegaan, dat tot het midden der 17de eeuw heeft geduurd. De Perzische tapijten, uitgevoerd in zijde of in wol, bereikten een nergens elders verwerkelijkte graad van fijnheid en kleurenrijkdom, vooral die uit de vorstelijke ateliers van Isfahan. Uit het oogpunt van de motieven en figuren kunnen de tapijten ingedeeld worden in medaillon-, dier-, jacht-, vazen- en tuintapijten . Als het schoonste Perzische tapijt wordt wel beschouwd een jachttapijt dat zich bevindt in het Oostenrijks Museum te Wenen.

VI. MOHAMMEDAANSE KUNST IN VOOR-INDIË In Voor-Indië, waarvan het Noorden in de 11de eeuw door mohammedaanse vorsten uit Perzië veroverd was, ontstond omstr. 1200 een kunsttype, dat bij de mohammedaanse kunst gerekend kan worden, hoewel inheemse stijlvormen sterke invloed uitoefenen. In de religieuze bouwkunst, die uit de aard der zaak de mohammedaanse traditie het meest getrouw overnam, brengt toch het steenmateriaal reeds een eigen karakter aan. De bouwwerken of hun onderdelen neigen steeds naar de massieve monumentaliteit, die de Hindoebouwkunst kenmerkt.

Het oudste en productiefste centrum van mohammedaanse bouwkunst in Indië is Delhi. De oudste moskeeruïne is een pleinmoskee, waarvan de gebeeldhouwde pijlers uit Jainatempels afkomstig zijn; de arcaden dragen rijen van stenen koepels. Deze oude moskee is vooral bekend door zijn 70 m hoge minaret, de z.g. Koetb Minar, die in 1225 aan de moskee werd toegevoegd, maar los daarvan staat in de Z.O. hoek van het moskeeplein. Deze monumentale toren bestaat uit een aantal verdiepingen, uitgevoerd in verschillende steensoorten en van buiten rijk versierd met sculpturen en inscripties. Hij toont veel gelijkenis met de herdenkingstorens van Ghazna. In 1310 kwam bij deze moskee nog een monumentaal overkoepeld poortgebouw met hoge spitsbogen in de midden-en zijpoorten; architectonisch herinnert dit gebouw aan de Perzische stijl, maar de rijke decoratie doet meer Indisch aan. De verschillende in Delhi en elders bekende moskeeën uit deze eeuwen vertonen allerlei voorbeelden van stijlmenging. Dikwijls is het alleen de spitsboog, die deze bouwwerken als mohammedaans doet kennen. Madrasamoskeeën naar Perzisch voorbeeld zijn in Indië nooit gebouwd.

Het grote tijdperk van de mohammedaanse bouwkunst in Indië valt samen met de bloei van de Groot-Mogoldynastie (ca 1500-1800). De Perzische invloed wordt dan weer sterker, zoals te zien is in de reusachtige moskee van keizer Akbar bij Agra en in de met minder omvangrijke welke Sjah Djahân in Delhi heeft gesticht. Zij hebben iwânachtige achthoekige poortgebouwen, maar de drie grote lotusvormige koepels in de moskee te Delhi doen sterk Indisch aan. Veel aandacht wordt in de Indische moskeeën besteed aan de mihrab, die hier en daar herinnert aan een nis voor afgodsbeelden. Een Indische eigenaardigheid is, dat er soms 3 tot 7 mihrabs naast elkander voorkomen in de kiblawand. De prachtigste mihrab is die van de Vrijdagsmoskee te Bidjapoer, waar drie elkander insluitende nissen met een decoratie in vlakreliëf zijn voorzien, beschilderd in rood, blauw en zwart en met rijke gouden inleg.

In Delhi zijn er uit de 13de en volgende eeuwen enige architectonisch belangrijke praalgraven, die het type van het Boechara’se mausoleum vertonen. Deze traditie is onder de Groot-Mogols voortgezet; aan Sjah Djahan dankt men het wereldberoemde mausoleum Tâdj-Mahal, dat hij bij Agra ter herinnering aan zijn gemalin heeft gebouwd. Het ligt aan het einde van een tuinaanleg, waartoe een iwân-portaalgebouw toegang geeft. Het met wit-blauw geaderd marmer beklede centrale gebouw contrasteert indrukwekkend met de rode zandsteenconstructies, die het omringen. De grote lotusvormige koepel en de dakpaviljoentjes vertegenwoordigen een Indisch element tegenover de grote ïwans met diepe nissen aan de zijden. Kostbare versiering in pietra-duramozaïek bedekt het ganse bouwwerk.

De paleisbouw is eerst bekend uit de Groot-Mogoltijd. Agra en Delhi hebben ontzaglijke paleizen en burchten, bestaande uit complexen van audiëntiehallen, portaalgebouwen, harems en binnenpleinen, waar alleen telkens in onderdelen verwantschap met mohammedaanse vorm- en decoratiegedachten merkbaar is. In het decor domineren stucco en later marmerbewerking; een bijzonderheid is het spiegelmozaïek, zoals in het paleis van Lahore. Invloed van de Italiaanse renaissancekunst is hier en daar reeds merkbaar.

De miniatuurkunst van de school van Behzad is in de 16de eeuw naar Delhi gekomen. Zij heeft in Indië een roemrijke eigen ontwikkeling beleefd, vooral in de hofminiatuurkunst onder keizer Akbar.

Steeds meer ging zij in de richting van de portretteerkunst en van de afbeelding: audiënties, tuintaferelen, jachten, gelagen enz. Op den duur scheidde de Indische inslag deze miniaturen duidelijk af van de gelijktijdige Perzische miniatuurkunst.

VII. KLEIN-AZIË EN DE OSMAANSE KUNST Ook Klein-Azië heeft na zijn verovering door de Islam een eigen stijl in de mohammedaanse kunst voortgebracht. Daaruit is in de 14de eeuw de osmaanse kunst voortgekomen, die door de grote uitbreiding van het osmaanse rijk representatief voor de latere Islam is geworden. In deze streken is het de vóór-mohammedaanse kunsttraditie uit christelijke tijd, die zich met de rijpere islamische vormen vermengt.

Tot de 14de eeuw spreekt men in KI. Azië van de Seldjoekentijd. De moskeebouwkunst zet hier de traditie van de Seldjoekentijd in Iran voort. Veel moskeeën zijn bekend, pleinmoskeeën, koepelmoskeeën en madrasa-moskeeën, maar architectonisch zijn zij niet opmerkelijk en de koepelconstructies zijn eerder kleiner dan in Iran. Wat echter aan deze bouwwerken, ook de niet-religieuze, een eigen karakter geeft, zijn de monumentale stenen fagaden en vooral de portalen. De spitsboogpoort wordt tot een iwânachtige nis verdiept of zelf in een hoge nis geplaatst, waarvan de binnenvlakken en omlijsting een drukke versiering met inscripties en eigenaardige geometrische motieven verkrijgen (vooral de moskee te Divrigi). De mihrabs hebben een kegelvormige welving, evenals de nissen boven de ingangspoorten, geheel gevuld met stalactieten, terwijl binnenzijde zowel als omlijsting bedekt zijn met geometrische motieven in wit, zwart en blauw fayencemozaïek. De Kleinaziatische moskeeën leveren voorts prachtige voorbeelden van houtsnijkunst. De minaretten van de Seldjoekentijd zijn rond en nog slanker dan in Perzië en hebben weinig decoratie.

De osmaanse moskee-architectuur sluit niet duidelijk aan bij de Kleinaziatische, maar vertoont van het begin af aan Byzantijnse stijlinvloed. Zij treedt voor het eerst op in de steden van het N.W. (Broessa en Iznik-Nicaea), in alle drie uit Perzië bekende typen. Deze oudste moskeeën zijn vooral gekenmerkt door reeksen kleine koepeltjes als dak- en galerij bedekking. Een typisch oud-osmaanse plein- en pijlermoskee is de Oeloe Djami te Broessa (ca 1400). Het éénkoepel-moskeetype is blijven doorleven in de eenvoudige Turkse dorpsmoskeeën, maar kan ook in zekere zin als prototype beschouwd worden voor de latere reusachtige koepelmoskeeën van Constantinopel en Adrianopel. In de bouw van deze laatste is architectonisch duidelijk een ontwikkelingsgang naar de volmaaktheid der 16de eeuw waar te nemen. De vooruitgang betreft vooral de overkoepeling. Een ouder type, zoals de Selimmoskee in Constantinopel (1520), heeft nog een door twee of vier overkoepelde zijhallen geflankeerde centrale koepel. Daarnaast waren er belangrijke éénkoepel-moskeeën, maar het in de grote sultansmoskeeën toegepaste nieuwe beginsel — ontleend aan de Byzantijnse kerkbouw — was het verwijden van de door pijlers gedragen centrale koepel met twee of vier halfkoepels. Dit is gebeurd in de grote moskeeën van Mehmed II (1470) en Bâyezid II (1507), maar vooral die van Suleiman in Constantinopel (1556) en die van Selim II te Adrianopel. De laatste twee zijn het werk van de beroemde bouwmeester Sinân (gest. 1587), aan wie een zeer groot aantal bouwwerken in de hoofdstad en omgeving is te danken. Op de bouw van al deze moskeeën heeft het voorbeeld van de Aya Sofia stimulerend gewerkt, in de laatstgenoemde moskeeën echter is een zodanige geleidelijke overgang van middenkoepel naar zijkoepels bereikt, dat het middengedeelte nauwelijks meer als zodanig geaccentueerd is. De laatste grote sultansmoskee, die van Alimed I (1617), is wederom een op vier enorme pijlers rustende centrale koepel met vier halfkoepels. De minaretten zijn nog slanker en hoger dan in de Kleinaziatische moskeeën. Zij rijzen op uit de buitenmuren. De grote moskeeën hebben er gewoonlijk vier, de Ahmedije heeft er zes.

Langs de voorkant dezer moskeeën zijn arcaden gebouwd. De toegang gevende portalen zijn minder monumentaal dan bij de seldjoekische moskeeën, maar bezitten dezelfde kegelvormige nisvorm met stalactieten. Ook het binnendecor is soberder: vlakke of bewerkte marmerplaten of beschilderde fayencetegels. Turkije kreeg in de 16de eeuw een befaamde fayence-industrie (Iznik). In de beschildering ontstond een nieuwe osmaanse stijl met een meer naturalistisch plantendecor. De moskee van Roestem Pasja, in Constantinopel, omstr. 1560 door Sinan gebouwd, is vooral beroemd om haar tegeldecoratie.

Tal van andere gebouwen: medrese’s, graf bouwsels, karavaanserails, brongebouwen, vertegenwoordigen dezelfde osmaanse bouwstijl. De paleizen zijn telkens bijgebouwde complexen, waarin alweer vooral door fayencetegels luisterrijke decoratie-effecten bereikt zijn. Dit naast belangrijke specimina van houtbewerking, beschildering en lakversiering. Westerse (Italiaanse) invloed, zowel op architectuur als op decor is echter vaak merkbaar en ook historisch aan te tonen.

De Turkse ceramiek heeft in deze eeuwen uit bepaalde centra eigen vormen en motieven ontwikkeld. Terwijl de eerst nog in KI. Azië bloeiende bronstechniek verloren ging, vertoont de osmaanse tijd een rijke productie van allerlei metalen wapenen en ander oorlogstuig. Ook de calligrafie is speciaal in Turkse landen uiterst geperfectionneerd, waarnaast de miniatuurkunst nooit de hoogte en vruchtbaarheid heeft bereikt van het Iran en Indië in dienzelfden tijd.

Daarentegen heeft de Turkse tapijtkunst een eigen stijl en traditie. Er zijn wollen knooptapijten uit Armenië en de Kaukasus bekend, die nog in de 15de eeuw geplaatst kunnen worden. Ook in het W. van KI. Azië was een oude tapijtindustrie, met hoekige geometrische patronen en krachtige kleuren, die behalve uit enkele overblijfselen ook uit afbeeldingen op Italiaanse schilderijen bekend zijn. In de 17de en 18de eeuw werd Oesjak een bekend tapijtencentrum; de Oesjaktapijten zijn gekenmerkt door medaillonpatronen op effen achter-grond of door een verzameling van grote en kleine stermotieven. Later noemde men deze soort Smyrnatapijten. Daarnaast bestond een veel fijnere, voor het hof werkende industrie met bloemenmotieven in naturalistische stijl.

J. H. KRAMERS
H. Glück en E. Diez, Die Kunst des Islam (PropylaenKunstgeschichte V), 1925.

Kühnel, Die islamische Kunst (in Springer, Handbuch der Kunstgeschichte, Bd. VI), 1929.

H. Saladin, L' Architecture (in Manuel d’Art Musuiman I), 1907. .

Gast. Migeon, Les arts plastiques et industriels (in Manuel d’Art Musuiman II), 1907.

A. J. Butler, Islamic Pottery, 1926.

Upham Pope, A Survey of Persian Art, 6 dln., 19381939.

G. Marpais, L'Architecture (Tunisie, Algérie, Maroc, Espagne, Sicile) (in Manuel d’Art Musuiman 2 dln.,) 1927.

Sarre, Die Keramik in Samarra, 1925. Herzfeld, Die Malereien von Samarra, 1927. M. Pézard, La céramique archaiique de VIslam et ses origines, 1920. R. Martin, The miniature painting and pointers of Persia, India and Turkey, 2 dln., 1912.