Engels

Woordenboek Engels (1951)

Gepubliceerd op 07-04-2022

stand

betekenis & definitie

I. staan; gaan staan; zich bevinden; (van kracht) blijven, dóórgaan; blijven (staan); stilstaan, halt houden; stand houden; koersen; candidaat zijn; stand!, halt!; stand and deliver!, je geld of je leven!; he wants to know where he stands, waar hij aan toe is, zijn (financiële) positie; stand clear, op zij gaan; stand easy!, op de plaats rust!; stand fast (firm), stand houden, niet wijken; stand good, van kracht zijn [v. opmerkingen]; he stands six feet three, is...

lang; I have often stood his friend, mij een vriend voor hem betoond; he stands to win, hij heeft alle kans om te winnen; stand convinced (prepared), overtuigd zijn; stand against, zich verzetten tegen, weerstaan; tegenwerken; bestand zijn tegen; stand aloof, zich op een afstand (afzijdig) houden; stand aside, op zij gaan (staan); fig zich afzijdig houden; stand at, staan op [zoveel graden]; stand at £ 40 per head, komen op £ 40; stand at ease!, op de plaats rust!; at nothing, voor niets staan (terugdeinzen); stand away, op zij gaan (staan); stand back, achteruit gaan (staan); stand by, 1. er (als werkeloos toeschouwer) bijstaan; 2. zich gereed houden; stand by one, 1. (gaan) staan naast iemand; 2. iemand bijstaan, het opnemen voor hem; stand by one's convictions, vasthouden aan zijn overtuiging; down, 1. naar zijn plaats gaan, gaan zitten [v. getuige]; 2. zich terugtrekken; stand for, staan voor, betekenen, doorgaan voor; stand for nothing, niet gelden, niet meetellen; for Parliament, candidaat zijn voor het Parlement; for free trade, (de zaak van) de vrijhandel vóórstaan; I wouldn't stand for it, ik zou ’t niet nemen, ik ben er niet van gediend; stand from the shore, van land afhouden; the coat stood me in £ 4, kwam mij te staan op £ 4; stand in with, meedoen met; zich scharen aan de zijde van; stand off, 1. op zij treden; 2. zich op een afstand houden; 3. afhouden [van land]; stand on ceremony, (erg) op de vormen staan (zijn); stand on one's defence, zich krachtig verdedigen; zie ook: stand upon; stand out, uitstaan; uitsteken (boven above, from); [iem] (duidelijk) vóórstaan, (duidelijk) uitkomen, afsteken, zich af tekenen (tegen against); zich onderscheiden; het uithouden; volhouden, blijven ontkennen; zich afzijdig houden, zich terugtrekken, niet meedoen; stand out against, zich verzetten tegen [eis]; stand out for one's rights, voor zijn rechten opkomen; stand out to sea, zee kiezen; stand over, blijven liggen (voor een tijdje); blijven staan; stand to, staan bij; aan de zijde (gaan) staan van; blijven bij, zich houden aan; [het werk] aanpakken; ook = stand to arms, in het geweer zijn; stand to it, stand houden; op zijn stuk blijven staan; volhouden (dat…, that...); stand to sea, in zee steken; stand together, schouder aan schouder staan; stand up, overeind (gaan) staan; gaan staan, verrijzen; opstaan, in opstand of in verzet komen (tegen against); stand up against, ook: stand houden tegen, weerstaan; stand up for one, het opnemen voor iemand; stand up to one, het (durven) opnemen tegen iemand, hem staan; stand upon, staan op, gesteld zijn op; steunen op; stand with, aan de zijde staan van; stand well with one, 1. op goede voet staan met; 2. goed aangeschreven staan bij;

II. doen staan, (neer)zetten, plaatsen, opstellen; doorstaan, uitstaan, uithouden, verdragen, dulden; weerstaan; trakteren (op); stand drinks, rondjes geven; stand guard (sentry), op (schild)wacht staan, de wacht houden; stand up a stick, overeind zetten;

III. stand, stilstand, halt; (stand)plaats, positie, stelling; weerstand; standaard, statief; rek (je); lessenaar; stalletje, kraampje; tribune; make a blijven staan, halt houden; zich staande houden; weerstand bieden; make a stand against, stelling nemen (zich schrap zetten) tegen; make a stand for, opkomen voor; take one’s stand, post vatten; gaan staan (bij de deur, near the door); fig zich baseren (op upon); bring to a stand, tot staan brengen, stil laten staan; come to a stand, tot staan komen, blijven (stil) staan.