Gepubliceerd op 07-04-2022

play

betekenis & definitie

I. spelen; speling of speelruimte hebben; play or pay, betalen moet je, of je meedoet of niet;

II. spelen (op), bespelen; uitspelen [kaart]; spelen tegen; spelen voor, uithangen; uithalen [grap]; laten spelen [ook kanonnen]; laten uitspartelen [vis]; play booty, onder één hoedje spelen; play one's cards well, zijn troeven goed plaatsen; gelukkig kolven; play the game, eerlijk spel spelen, eerlijk doen; play the game of, in de kaart spelen van; play a losing game, een hopeloze strijd voeren; play one false, oneerlijk spel met iemand spelen; play about, spelen om; ronddartelen; play along, (laten) spelen langs [v. licht]; play at fighting, niet serieus vechten; play at hide-and-seek, verstoppertje spelen; play at marbles, knikkeren; two can play at that, dat kan een ander (ik) ook; play away, verspelen; play down, verdoezelen, verbloemen, verzwakken, verzachten; play for safety, op goed af spelen; play for time, tijd trachten te winnen; play the congregation in (out), spelen (op het orgel) terwijl de kerkgangers binnenkomen (de kerk verlaten); play into one’s hands, in iemands kaart spelen; play off one’s charms, te koop lopen met; play them off against each other, de een tegen de ander uitspelen; play on, spelen op, bespelen [instrument]; (laten) spelen op [v. kanonnen of licht]; exploiteren [lichtgelovigheid]; play a joke (prank, trick) (up)on one, iemand een poets bakken; play on words, woordspelingen maken; play out, (uit)spelen [rol]; played out, „op", foutu; ook: vieux jeu; play over, spelen over [v. licht]; play a melody over, een wijsje doorspelen; play up, 1. beginnen (te spelen); 2. opblazen, aandikken, beter doen uitkomen; play up to one, 1. goed tegenspel te zien geven, waardig terzijde staan [op het toneel]; 2. hem tegemoet komen; 3. bij hem in ’t gevlij zien te komen; play upon, zie play on; play with, spelen met;

III. spel; speling, speelruimte; (toneel)stuk; play of colours, kleurenspel; play of features, mimiek; play of words, woordenspel; play on words, woordspeling; give full play to, vrij spel laten, de vrije loop laten, de teugel vieren; make (capital) play, zich flink weren; make play with, uitbuiten, schermen met [klassenjustitie]; be at play, aan ’t spelen zijn, spelen”; at the play, in de komedie; in play, voor de aardigheid; be in play, aan stoot zijn; be in full play, in volle werking zijn; hold (keep) in play, aan de gang of bezig houden; bring (call) into play, aanwenden [invloed]; come into play, erbij in het spel komen, zich doen gelden [invloeden]; out of play, „af" [bij spel], buiten spel; go to the play, naar de schouwburg gaan.