Gepubliceerd op 28-02-2022

face

betekenis & definitie

I. (aan)gezicht; aanzien, vóórkomen; (voor)zijde, -kant, platte kant; oppervlakte; vlak; beeldzijde; wijzerplaat; fig onbeschaamdheid, brutaliteit; put a good face on the matter, gunstig voorstellen; faire

bonne mine à mauvais jeu; save (one’s) face, zijn prestige of de schijn weten te redden; set one’s face against, zich verzetten tegen, niet dulden; before one’s face, onder iemands ogen, waar hij bij staat; in face of, tegenover; in (the) face of, tegen... in; ondanks; tegenover; in the face of day, op klaarlichte dag; on the face of it, op het eerste gezicht, zo gezien; klaarblijkelijk; to one's face, (vlak) in iemands gezicht; face to face, van aangezicht tot aangezicht; tegenover elkaar; face to face with, tegenover;

II. in het (aan)gezicht zien; (komen te) staan tegenover; tegemoet treden; onder de ogen zien, trotseren, het hoofd bieden; gekeerd zijn naar, liggen op [het Zuiden]; bekleden [met tegels]; afzetten [met lint]; uitmonsteren [een uniform]; omleggen, (om)keren [een kaart];

III. gekeerd zijn naar; face about, rechtsomkeert (laten) maken; about face!, rechtsomkeert!; face up to, onder de ogen zien, het hoofd bieden; aandurven.