Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

VISSERIJ

betekenis & definitie

Zeeland is sinds mensenheugenis een waterrijk gebied geweest. Schaal- en schelpdieren alsmede vele voor menselijk gebruik geschikte vissoorten kwamen in deltawateren in grote menigte voor en aansluitend strekte zich de Noordzee uit, één van de vruchtbaarste randzeeën van de wereld.

Zolang Zeeland bewoond geweest is zal er ook zijn gevist, doch daarmede was de visserij nog geen bedrijfstak. De visserij, dat wil zeggen de commerciële visserij, ontstond eerst toen zij uit het stadium van de zelfverzorging trad, de visser beroepsmatig zijn vak uitoefende en de vangst aan anderen verkocht. Dat geschiedde het eerst in Vlaanderen, waar de stedelijke nijverheid zich in de late middeleeuwen snel ontwikkelde en de gehele Vlaamse kust, inclusief die van het huidige ZeeuwsVlaanderen, omzoomd werd door vissersdorpen. Deze ontwikkeling werd bovendien bevorderd door een bijna gelij ktijdige hervorming van het kloosterwezen, waarbij strengere regels werden ingevoerd, welke een vergroting van het visverbruik met zich brachten. De economische macht van Vlaanderen, welke in de 12e eeuw reeds tot een aanzienlijke omvang was uitgegroeid, straalde uit naar het noorden. In het midden en de tweede helft van deze eeuw begon een systematische bedijking van de Zeeuwse eilanden, welke leidde tot het ontstaan van afwateringsgemeenschappen die de naam van ‘wateringen' kregen.

Om het overtollige water van deze wateringen te lozen werden sluizen en sluisjes aangelegd, waarvan de spuikanalen een gunstige ligplaats boden aan allerhande vaartuigen, dus ook aan vissersschepen. Voor de Zeeuwse visserij waren toen alle voorwaarden voor haar ontstaan vervuld; rijke visgronden, voldoende afzetmogelijkheden, beschutte ligplaatsen voor de schepen en een visserijtechniek die van Vlaanderen kon worden overgenomen. Alleen is het onbekend hoe het precies is verlopen; schriftelijke bronnen ontbreken en afbeeldingen uit die vroege tijden zijn onbekend.In de 14e eeuw wordt de eerste duidelijke informatie gegeven door de vermelding dat in 1326 Koningin Isabella en haar zoon Eduard in Zeeland 8 hulken en 132 haringschepen huren om hen met een leger naar Engeland over te brengen. Deze haringschepen, vooral uit Zierikzee, maar ook uit vele andere plaatsen van de Zeeuwse eilanden afkomstig, vormen een interessant gegeven. De haringschepen waren voor die tijd zonder twijfel de grootste onder de Zeeuwse vissersvaartuigen die veilig de overtocht naar Engeland konden maken. Om die reden moeten het dan ook zeilschepen zijn geweest. Dat het haringschepenwaren wijst er verder op, dat de specialisatie in de visserij reeds was opgetreden. Haring werd gevangen met drijfnetten, gemaakt van hennep, die als een scherm in het water stonden en deze netten namen tamelijk veel plaats in, een reden temeer om aan schepen van enige omvang te denken.

Dat was minder het geval bij het vistuig, gebruikt om andere vissoorten te vangen. Dat geschiedde met haken aan lijnen bevestigd, die van aas werden voorzien. De meest primitieve vorm daarvan was een aan het eind verzwaarde lijn die uit het schip werd neergelaten. Dat kan desnoods uit een roeiboot geschieden en scheepjes welke dit bedrijf uitoefenden noemde men ‘hangers’, omdat de lijnen gewoon over boord hingen. Een meer geperfektioneerde vorm die al vroeg werd gebruikt doch waarvan de begindatum onbekend is, was die met het hoekwant. Smallegange geeft een beschrijving van de visserij met hoekwant, waarbij in stukjes gesneden prikken als aas aan de haken worden gebruikt.

Deze stukjes worden aan een haak of hoek geslagen, die aan een touwtje of snoer is bevestigd. De snoeren worden aan een lijn vastgemaakt met een onderlinge afstand van 2 vadem, terwijl de lijn ongeveer 53 a 54 vadem lang is.

Een samenstel van 150 lijnen wordt een beug genoemd, die met ankertjes aan de grond wordt gehouden. Wanneer de beug wordt ingehaald blijkt in hoofdzaak kabeljauw te zijn gevangen, doch daarnaast schelvis, heilbot, tarbot, rog en vleet. Ongetwijfeld was in de tijd van Smallegange de techniek van de hoekwantvisserij reeds sterk geperfektioneerd en moet voor de begintijd met een veel kortere beug rekening worden gehouden. Wel was deze visserijtechniek zodanig gespecialiseerd dat naast het haringschip de hoekboot ontstond. In de opsomming der gevangenvissoorten komt de schol niet voor, terwijl in Brielle in die tijd onderscheid gemaakt werd tussen hoekschepen en scholschepen. Het ziet er dan ook naar uit dat schol niet met haken, maar met netten werd gevangen waarbij aan een soort zegen moet worden gedacht.

Bij al de genoemde scheepstypen moet van platboomde vaartuigen worden uitgegaan. Bij voorkeur zullen deze schepen uit veiligheidsoverwegingen van haventjes of sluiskanalen gebruik hebben gemaakt, doch zonodig konden zij ook aan de grond worden gezet. Alles wijst er op dat in de 14e eeuw de Zeeuwse visserij plaatsvond op de stromen en in de nabijheid van de kust. Een uitzondering vormde de haringtijd tussen september en begin november, wanneer gevist werd onder de Engelse wal ter hoogte van Great Yarmouth. De bekendheid van de haringvissers met de kust aldaar zal dan ook niet vreemd geweest zijn aan het eerder vermelde huren van haringschepen door koningin Isabella.

Van kustvisserij naar zeevisserij.

De volgende eeuwen veranderden weinig aan het beeld van de kustvisserij. Het bedrijf bleef gericht op de aanvoer van verse vis, soms besprenkeld met zout ter wille van de duurzaamheid. Houdbare vis, die tevens bruikbaar was voor wintervoorraad, werd ingevoerd uit Scandinavische landen, zoals gezouten haring uit Schonen in Zuid Zweden en stokvis uit Noorwegen. De import van Schonenharing stamt reeds uit de 13e eeuw en had haar hoogtepunt in de 14e eeuw. Toen aan het eind van laatstgenoemde eeuw stagnatie in de aanvoer naar Vlaanderen optrad begon de Zeeuwse visserij aarzelend ook op zee te zouten. In kleine hoeveelheden was dat niet moeilijk, doch in grotere kwantiteiten behoefde men daartoe grote hoeveelheden zout en een ander soort schepen.

Wat het zout betreft waren er geen problemen; in Zeeland was via het darinckdelven (→ moernering) de zoutwinning wijd verspreid en was, vooral in Zierikzee, een bloeiende zouthandel ontstaan. Daarnaast ontstond in het begin van de 15e eeuw het buisschip, dat tot in de 19e eeuw het haringschip bij uitnemendheid zou blijven. In tegenstelling tot de vissersschepen tot dan toe was de buis op kiel gebouwd, had een groot werkdek en bezat ruimte genoeg om bemanning, netten, tonnen en zout onder dek te bergen. Het samenstel van drijfnetten, dat de naam van vleet kreeg, werd verbeterd. Om de houdbaarheid en de kwaliteit van de haring te verbeteren werd een bewerking toegepast, die ‘kaken’ werd genoemd, hoewel aanvankelijk het kaken niet anders was dan gezouten haring in tonnen leggen. De uitvinding van het haringkaken wordt toegeschreven aan Willem → Beukels van Biervliet.

De haringvisserij met buizen, de zogenaamde buisnering, heeft in Zeeland een snelle opgang gemaakt. Zij was vooral gevestigd op Walcheren; Vlissingen, Veere en Zoutelande deden er aan mee evenals, buiten Walcheren, Westenschouwen en Zierikzee. Aanvankelijk werd deze haringvisserij uitgeoefend op de nabije visgronden, zoals op de Doggersbank en onder de Engelse wal, daarna noordelijker bij de Schotse kust, de Orkaden, de Shetlandeilanden en het zeegebied tussen deze eilanden en Noorwegen. Het haringseizoen werd daardoor verlengd en eerder geopend; in de Bourgondische tijd ving het aan op St.-Bartholomeus (24 augustus), Karei V bepaalde de begindatum op 25 juli en later werd het St.-Jan (24 juni). Het ging de haringreders blijkbaar goed, want volgens een deklaratie uit 1562 wordt het aantal buizen uit Vlaanderen, Zeeland en Holland op 700 geschat, waarvan er 200 in Zeeland thuis behoorden. Wel zou het Zeeuwse buistype kleiner geweest zijn dan het Hollandse.

Hoe gunstig het er ook uitzag, oorlogen, zeeroverij en politieke onrust hebben deze bedrijfstak in de tweede helft van de 16e eeuw snel vernietigd. Het begin van de tachtigjarige oorlog moet ongeveer het einde van de Zeeuwse haringvisserij ter zoute hebben betekend. In 1576 immers waren de Staten van Zeeland reeds van mening dat Holland alleen diende te voorzien in bescherming op zee van de eigen visserij en zo er ook enige buizen uit Walcheren onder deze bescherming mochten vallen, dan moesten deze buizen dezelfde lasten dragen als de Hollandse haringschepen.

Terugval op de kustvisserij

Het verdwijnen van de haringbuizen leidde ertoe dat de Zeeuwse visserij weer terugviel op de kustvisserij. Het haringnet en de beug bleven de favoriete vistuigen. Deze werden later aangevuld met het sleepnet, dat de naam van kornet verkreeg, doch dat slechts beperkt mocht worden gebruikt omdat gevreesd werd voor aantasting van de visstand in de Zeeuwse stromen ; met name diende het voor de vangst van molenaars en harders. Van deze kategorie kreeg later het garnalen sleepnet, ook wel garnalenkor genoemd, grote betekenis, want een aanmerkelijk deel van de Zeeuwse visserij zou tot op de huidige dag uit de → garnalenvisserij bestaan. Weinig is bekend over de mosselvisserij (→ mosselcultuur), doch zeker is dat in de 17e en vooral in de 18e eeuw vele vissers zich met de mosselvisserij bezighielden, vooral op door de zee heroverde gebieden zoals het Verdronken Land van Zuid-Beveland en de omgeving van Axel en Terneuzen. Mosselvissers woonden ook in → Reimerswaal; zij vestigden zich in Tholen toen het verloren ging.

De stad Tholen kan daarna als het belangrijkste centrum van mosselvisserij worden beschouwd; het aantal vissers was althans zo groot dat in 1689 ter plaatse van een gilde van mosselvangers werd gesproken. De Tholenaars waren echter niet de enigen die de mosselen- en krabbenvangst uitoefenden, want in de vijftiger jaren van de 18e eeuw kwamen zij herhaaldelijk in konflikt met hun kollega’s uit Oost Duiveland (Bruinisse), Axel, Sas van Gent en Terneuzen over het vissen op bepaalde mosselbanken en het rapen van zaaimosselen.

Ondanks de aktiviteiten op het gebied van kustvisserij en mosselvisserij bleef de Zeeuwse visserij nationaal gezien van beperkte betekenis. De herinnering aan de eens zo bloeiende buisnering bleef levend en vandaar af en toe pogingen om deze bedrijfstak opnieuw leven in te blazen, zoals dat in Vlissingen in de 18e eeuw inderdaad is gelukt. In die periode probeerde men ook de sociale positie van de vissers te verbeteren, zoals blijkt uit een in 1754 opgericht fonds, dat de naam droeg van ‘Beurs tot Maintien, Soutien en Soulaas van den Zeeman’. Dit alles liep echter op niets uit, evenals een in 1820 in Zierikzee ondernomen poging de haringvisserij te reaktiveren.

In tegenstelling tot de rest van Zeeland heeft zich in Zierikzee een tak van zeevisserij lang weten te handhaven, namelijk de kabeljauwvaart ter zoute. Omstreeks 1650 ontstond het scheepstype van de hoeker, een vaartuig geïnspireerd door de haringbuis, doch langer en zonder hek op de achtersteven. Met dit schip werd de kabeljauwvisserij op de visgronden rond Ijsland bedreven, uiteraard met hoekwant. Het is deze visserij die Smallegange beschrijft, met de mededeling dat de pachten van de verkoop van gezouten en verse vis in Zierikzee twee tot drie tonnen gouds opbrengen. Of datin 1684overdreven wasofniet is moeilijk na te gaan, doch het ging over een voor die tijd grote vloot; in 1711 bedroeg deze IJslandse hoekervloot nog 80 visserijschepen, welk getal in 1747 tot 53 was gedaald. Die daling was helaas geen incidenteel verschijnsel, want wat er in 1795 over was aan visserij ter zoute ging in de Franse tijd verloren.

Over de eerste helft van de 19e eeuw valt weinig verandering te vermelden. Het bleef kustvisserij zoals voorheen. In de tweede helft van de eeuw kwam er echter verandering, waarbij het opvalt dat ook buitenstaanders zich voor de ontplooiing van de bedrijfstak gingen interesseren. Omstreeks 1870 stelde de Nederlandsche maatschappij ter bevordering van Nijverheid een aantal onderwerpen aan de orde, die voor de Zeeuwse visserij van groot belang waren. Daaronder vielen onder meer de kunstmatige mosselcultuur, de aanmoediging van de kunstmatige oesterteelt, de conservering van vis tijdens het vervoer en het entameren van de visserij op makreel in Arnemuiden. Mede door deze studies zou de Zeeuwse visserij omstreeks 1890 vooral in de mosselteelt en de oestercultuur een nieuw gezicht krijgen.

Voor de visserij in de 20e eeuw zie → garnalenenkustvisserij, → mosselcultuuren → oestercultuur.

De visgroothandel en de visverwerkende bedrijven zijn voornamelijk gevestigd te Breskens, Bruinisse en Arnemuiden. De groothandel in garnalen vindt men vooral in Arnemuiden en Brouwershaven. De mossel- en oesterhandel en de mosselconservenfabriek is in Yerseke geconcentreerd. Fileer- en diepvriesbedrijven zijn o.a. in Breskens, Vlissingen, Veere en Philippine.

In de visverwerkingsindustrie werken (1981) ruim 300 personen.

De omzet van de Zeeuwse vismijnen is van 1976 tot 1982 gestegen van 24 tot 59,1 miljoen gulden (1982: Vlissingen 35,6; Breskens 14,4; Colijnsplaat 9,1).

Visserijverenigingen.

In de Vereniging tot bevordering der Zeeuwse Visserijbelangen ‘Zevibel’, opgericht in 1948, zijn plaatselijke verenigingen (kottervisserij en mosselen) van Breskens, Arnemuiden, Y erseke, Vlissingen, Colijnsplaat, Tholen, Zierikzee en Bruinisse vertegenwoordigd. De oesterkwekers zijn verenigd in ‘de Zeeuwse Oester’ en ‘ Vervoex’, allebei in Yerseke. De palingvissers hebben in Tholen hun vereniging. De viskwekers hebben begin 1981 de landelijke ‘Vereniging van Aquacultures' opgericht.

Visteelt.

Nadat eind 1979 een rapport was uitgebracht over de mogelijkheden van commerciële kweek van zeevis in Nederland zijn ook in Zeeland enkele initiatieven op dit gebied genomen. Zowel in de Oosterschelde als in de Westerschelde werd gestart met de kweek van voornamelijk (zalm)forellen. Begin 1982 kwamen de eerste zalmforellen uit een viskwekerij in de Oosterschelde op de markt.

LITERATUUR

Beaujon. Nederlandsche Zeevisseherijen. Degrijse, Begin van het haringkaken. Boelmans Kranenburg. Opkomst grote visserij. Boelmans Kranenburg. De Zeevisscherij. Boelmans Kranenburg, Visserijbedrijf van de Zijdenaars. Boelmans Kranenburg. Zierikzee als vissersplaats. Smallegange, Cronyk. H.J. Smit, Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Engeland.