Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

THOLEN

betekenis & definitie

1. Voormalig eiland in het noordoosten van de provincie Zeeland; omspoeld door de → Krabbe(n)kreek in het noorden, → Keeten en → Mastgat in het westen en de → Oosterschelde (→ Brabantsche Vaarwater, → Dortsman, → Tholensche Gat) in het zuiden.

Ten oosten van het eiland stroomde de → Eendracht, thans → Schelde-Rijnverbinding. Ten zuidoosten van het voormalige eiland komt het → Zoommeer tot stand.Naamsafleiding: zie onder → Tholen, 3. Tholen is met Noord-Brabant verbonden door twee bruggen (bij de stad Tholen en ten noorden van Oud-Vossemeer) en in het noorden met het voormalige eiland St.-Philipsland door een damverbinding, aansluitend op de Thoolse Van Haaftenpolder (→ Krabbenkreekdam).

De gemeente Tholen, opp. 14.567 ha (zie 2 hieronder) omvat het hele voormalige eiland; de belangrijkste kernen zijn de stad Tholen (zie 3 hieronder), → St.-Maartensdijk, → OudVossemeer, → Poortvliet, → Scherpenisse, → St.Annaland en → Stavenisse. Het Thoolse poldergebied, verenigd met de polders van St.Philipsland in het → Waterschap Tholen, beslaat een opppervlakte van ca. 11.263 ha; het bij de aanleg van de Schelde-Rijnverbinding binnengedijkte gebied tussen Tholen en St.-Philipsland omvat ca. 150 ha. De kleinste polder van Tholen is de → Molenpolder (ca. 3 ha), de grootste de → Poortvliet- en Mallandpolder (ca. 1747 ha).

Geschiedenis en historische geografie:

(Voor nadere gegevens zie bij de desbetreffende plaatsen, polders e.d. en onder → geschiedenis.)

Ontstaan.

Vondsten ten oosten van Poortvliet en ten zuiden van St.-Maartensdijk van Romeins en vroeg-inheems gebruiksaardewerk (→ keramiek) uit de eerste tot in de derde eeuw n.Chr., aangetroffen twee meter beneden het maaiveld op het veen, wijzen er op dat erin het begin van onze jaartelling reeds bewoning op Tholen was. Na de transgressiefase van 300 tot 500 n.Chr. (Duinkerke II) is het veenpakket, waarvan de dikte van enkele centimeters tot twee meter varieert - in de Weihoek onder Poortvliet is zelfs 385 cm veen gevonden - met een laag zeeklei overdekt (zie → bodem, de Afzetting van Duinkerke, het Oudland).

De oudste, middeleeuwse delen van het eiland Tholen zijn ongetwijfeld Schakerloo, Poortvliet (met Malland), de Oudelandpolder van St.-Maartensdijk en Scherpenisse (met Westkerke). Vermoedelijk waren deze gronden na de Duinkerke Il-transgressiefase, in de Karolingische tijd (800-1000) weer bewoonbaar; sporen van bewoning zijn echter uit deze vroeg-middeleeuwse tijd (nog) niet ontdekt. Het in 1509 verloren gegane Stavenisse is eveneens vrij vroeg ontstaan. De bovengenoemde Oudlandgronden werden in de 1 le en 12e eeuw door een nieuwe transgressiefase bedreigd. Zo teisterde een grote stormvloed in 1014 de Vlaamse kust. Mogelijk heeft deze ook voor Tholen gevolgen gehad.

Na de stormvloed uit de eerste helft van de 1 le eeuw is het enige tijd rustig. In 1134 slaat de zee opnieuw toe. waarschijnlijk zijn toen grote delen van Zuid-Beveland blijvend overspoeld. Ongetwijfeld heeft ook de zuidkant van Tholen van deze stormvloed ernstig geleden. Het zijn de stormvloeden uit deze periode die de aanleiding waren tot het opwerpen van hoogten (bergjes, zie → werf) en de aanleg van dijken. De inbraken vonden vermoedelijk hoofdzakelijk plaats vanuit de → Pluimpot en de → Striene, een tweetal grote geulen. Werven. Op Tholen hebben in de oudste polders verscheidene (12?) bergjes (werven) gelegen, welke in de 12e en 13e eeuw zijn opgeworpen. Alleen de Westkerkse berg is bewaard gebleven.

Een aantal van deze werven werd in twee gedeelten opgeworpen. Het oudste deel, de zg. kernheuvel, die niet hoger dan 2 a 3 m was, zou als vluchtberg in tijden van hoogwater hebben gediend. De latere verhogingen hadden waarschijnlijk een militaire betekenis.

Kort na de inbraken is men begonnen met de aanleg van dammen en dijken om zo de hoogst liggende delen te beschermen. Zo werd de inbraakgeul bij Scherpenisse afgesloten. Uit een oorkonde van 1285 is de naam Scarpenissedam bekend. De direct ten noorden van Poortvliet gelegen Burgermeet werd tegen deze inbraken beschermd door de aanleg van de Engelaarsdijk, Paarsdijk en Stompersdijk. De techniek van de 12e-eeuwse Zeeuw was inmiddels zover gevorderd dat hij zich niet meer behoefde te beperken tot de aanleg van plaatselijke kadijkjes, hoewel nog gebruik werd gemaakt van de in het terrein aanwezige hoogten. Het grondverzet voor deze dijkjes, die zeker niet hoger dan twee meter zijn geweest, was met de toenmalige primitieve hulpmiddelen mogelijk door de toename van de bevolking.

Deze toename komt ook tot uiting in de stichting van een groot aantal kerken in dit gewest aan het eind van die eeuw. Bedijkingen. Na de 12e-eeuwse defensieve bedij kingen van het in 1509 verdronken Stavenisse, de Oudelandpolder van St.-Maartensdijk, Scherpenisse, Poortvliet en Schakerloo werden polders offensief bedijkt, zij het dat alleen de hooggelegen schorren met een ruim voorland werden ingepolderd. In de 13e eeuw bedijkte polders zijn de Vijftienhonderdgemeten polder (vóór 1220) en de OudStrijenpolder onder Tholen in 1220. In de daarop volgende eeuw werden Priestermeet en Bartelmeet bedijkt en mogelijk ook de Broek- en Roolandpolder tegen Malland. Oud-Vossemeer ontstond eerst in de 15e eeuw door de bedijking van de polder van OudVossemeer tegen Tholen (1411). Het gelijknamige dorp ligt in de omstreeks 1450 bedijkte Kerkepolder. St.-Annaland ontstond in dezelfde eeuw door de inpoldering van een tweetal opwassen (1476), die door de → Breedenvliet werden gescheiden.

Het huidige Stavenisse is ontstaan door de inpoldering van de Oud-Kempenshofstedepolder in 1419 (opwas) en de polder Stavenisse ca. 1599. Inmiddels waren de verschillende eilanden door afdamming en inpoldering van de geulen met elkaar verbonden. De laatste grote geul, de Pluimpot, die Tholen in een oostelijke en een westelijke helft verdeelde, is in 1556 op twee plaatsen afgedamd. Het laatste deel van dit water dat Scherpenisse en St.-Maartensdijk tot in de 20e eeuw bereikbaar maakte vdor schepen, werd in het kader van de Deltawerken in 1957 gesloten. Dit was tevens de laatste inpoldering op Tholen. Landverliezen. Naast de landaanwinsten zijn er ook verliezen geweest, in het bijzonder aan de zuidkant, waar de Scherpenissepolder door oever- en dijkvallen met ca. 250 ha werd verkleind. Tot 1623 lag de waterkering hier ongeveer 500 meter meer zuidwaarts dan nu het geval is.

Ten zuiden van Tholen zijn de in 1403 bedijkte Broodeloospolder (70 ha) en de Altekleinpolder respectievelijk in 1570 en 1720 voorgoed verloren gegaan. In de 16e eeuw moest men bij Moggershil (westkant) na dijkdoorbraken van 1509, 1532 en 1570 een aantal ha prijsgegeven. Na 90 jaar drijvende te zijn geweest, werd Moggershil in 1660 herdijkt. In de 19e eeuw gingen bij Stavenisse nog enige inlagen verloren. De strijd tegen het water wordt nog steeds gevoerd. Een groot aantal malen bedreigde de zee het land.

Door de stormvloeden van 1509, 1530, 1532, 1682, 1715, 1720, 1808, 1825 en 1906 zijn de dijken van meerdere polders op Tholen doorgebroken. Bij de laatste overstroming van 1953 werd ruim de helft van Tholen door het zeewater overstroomd. Daarbij waren 27 polders betrokken. In Stavenisse, dat het zwaarst werd getroffen, vielen 153 slachtoffers. De welen of wielen (28), die voornamelijk in de oudste dijken liggen, zijn restanten van deze overstromingen. Het grootste deel van de zeedijken is in de jaren 1975-1980 aanzienlijk verhoogd en verzwaard.

Deze geven nu bescherming tegen buitengewone stormvloeden die gemiddeld eens in de 500 jaar voorkomen. Afwatering. Ook de afwatering van het binnenwater eiste veel zorg. Door gebrekkig financieel beheer ontbrak in het verleden vaak op het beslissende moment het geld voor noodzakelijke maatregelen zodat ’s winters het water boven het maaiveld stond; dit ondanks het gebruik van windmolens in de 18e en 19e eeuw te St.-Maartensdijk en Poortvliet.

Het eerste stoomgemaal werd in 1900 voor het waterschap Oud-Vossemeer gebouwd. Later kwamen er ook elders stoom- en motorgemalen. Na de ramp van 1953 is mede door de herverkaveling de afwatering grondig gereorganiseerd. De cultuurtechnische werken begonnen in 1954 in de Scherpenissepolder. Vooral de oudste polders, m.n. de Poortvlietse Weihoek, de Scherpenissepolder en de Schakerloopolder ondergingen ingrijpende veranderingen. Zo werd het aantal kavels in de Poortvlietse Weihoek van 355 met een gemiddelde grootte van 1,2 ha teruggebracht tot 85 met een gemiddelde grootte van 5,1 ha.

Ook de lengte van de wegen en waterlopen werd verminderd. In het hele herverkavelingsgebied is het grasland met 33 % verminderd. In 1961 werd het grondwerk van de herverkaveling voltooid. In totaal gingen 15 polders aan de zuidzijde geheel op de schop en een klein gedeelte van de Vijftienhonderdgemetenpolder.



Bestaansmiddelen.


De eerste bewoners van Tholen zullen zoals elders in Zeeland voornamelijk van de veeteelt (schapen), jacht en visserij hebben geleefd. Later werd de landbouw steeds belangrijker. De middeleeuwse bewoners hielden zich vooral ook bezig met het delven van darink (veen), dat gebruikt werd als brandstof en voor de winning van zout (conserveringsmiddel). Zo verkocht graaf Willem III in 1325 een stuk grond in de Bartelmeetpolder om uit te moeren. Te Tholen stonden in 1340 niet minder dan 38 zoutketen. Deze vervening, die zowel binnen- als buitendijks plaatsvond, droeg er toe bij dat er land verloren ging.

Het delven van darink werd dan ook vele malen verboden, o.m. in 1477 en 1497. Binnendijkse moernering had een hobbelig maaiveld tot gevolg. De sporen zijn door de herverkaveling verdwenen.

In 1380 kreeg de stad Tholen de bevoegdheid meestoven te zetten en sindsdien heeft die bedrijvigheid tot in de 19e eeuw steun gegeven aan de welvaart. Vóór het tenietgaan van deze bedrijfstak door de uitvinding (ca. 1870) van de uit steenkoolteer bereide chemische verfstoffen, stonden er op het eiland 14 meestoven, waar een rood plantaardig poeder werd bereid voor de verfindustrie. Met de neergang van het meekrapbedrijf kwam de opkomst van de teelt van suikerbieten en de oestercultuur, de laatste als speculatieve belegging voor welgestelden die voordien betrokken waren bij het meekrapbedrijf.

Nog altijd is Tholen een agrarisch gebied, waar bijna 1000 ha cultuurgrond voor de akkerbouw (88%) en als grasland (12%) wordt gebruikt. De gemiddelde bedrijfsgrootte bij agrariërs die hun bedrijf als hoofdberoep uitoefenden was in 1973 20 ha. Van beperkte betekenis is de verbouw van gladiolen, de glastuinbouw bij St.-Annaland en Stavenisse (sinds 1961) en fruitteelt (ca. 75 bedrijven in 1973). De bloemzaadteelt wordt op Tholen steeds belangrijker; in 1981 werd 150 ha bloemzaad geteeld, in 1982 200 ha. Door de kleinschaligheid van de agrarische bedrijven -de helft is kleiner dan 15 ha- is de bloemzaadteelt een welkome aanvulling. 90% van de planten die zaad leveren wordt gezaaid, 10% met de hand geplant. Het meest wordt éénjarige teelt toegepast (zaaiviool, phlox, leeuwebek, dahlia, gipskruid, schildzaad); tweejarige teelt betreft duizendschoon, margriet, ridderspoor, akelei, scheefkelk.

Door het voorkomen van landbouwbedrijven in de stads- en dorpskernen hadden de plaatsen op Tholen tot in de jaren zestig van deze eeuw hoofdzakelijk een agrarisch karakter. Dit is veranderd door het verdwijnen van dit soort bedrijven en de sloop van boerenschuren. Landbouwcrises en schaalvergrotingen hadden tot gevolg dat tussen 1881 en 1950 bijna net zoveel personen zijn vertrokken als de bevolking in 1881 groot was (ca. 14.000 inwoners). Van de visserij van vóór 1800 is weinig bekend. Met de vestiging van de laatste Reimerswalers te Bergen op Zoom en Tholen in 1632 schijnt de visserij voor de stad Tholen belangrijker te zijn geworden. In de 18e eeuw was er strijd over de mosselbanken bij Axel, in welk geschil de stad bemiddelde. De zetel van het in 1825 opgerichte Bestuur der Visserijen op de Zeeuwse Stromen was tot 1896 te Tholen gevestigd.

Eerst in de tweede helft van de 19e eeuw is dit bestaansmiddel door de oester- en mosselcultures belangrijk geworden. Door het doodvriezen van de oesters in de strenge winter van 1962/63, de aanleg van de Schelde-Rijnverbinding en de Deltawerken kwam er plotseling een eind aan deze cultures. Thans heeft het grootste deel van de te Tholen geregistreerde vissersvloot (22 in 1978) elders een ligplaats. Het aantal sportvissersboten neemt echter toe. In de zestiger jaren van deze eeuw is er op een deel van de in 1957 afgedamde Pluimpot bij St.-Maartensdijk, nadat deze gemeente als ontwikkelingskern was aangewezen, een aantal kleine industrieën gevestigd. Ook bij het stadje Tholen ontstond een aantal kleine ondernemingen.

Een scheepswerf voor houten schepen heeft hier reeds langer de nodige bedrijvigheid t.b.v. de visserij gebracht. Ondanks de vestigingen van deze industrieën is de pendelarbeid groot. In 1974 werkte ca. 25% van de beroepsbevolking buiten het eiland, o.a. in het Rijnmondgebied. De bevolking is vooreen aantal voorzieningen op Bergen op Zoom aangewezen. Godsdienst. Wat kerkelijke zaken betreft, ressorteerden Tholen en Oud-Vossemeer, tot de invoering van de nieuwe kerkelijke indeling van 1559, onder het bisdom Luik. De overige plaatsen behoorden tot het bisdom Utrecht. Op 17 april 1577 kwam de Satisfactie tot stand waarbij Tholen als laatste der Zeeuwse steden het gezag van de prins van Oranje erkende.

De uitoefening van de katholieke godsdienst werd toegestaan, doch hiervan kwam weinig terecht. De kerk werd geplunderd en de geestelijke goederen werden door de Gecommitteerde Raden in beslag genomen. In 1578 verliet de katholieke geestelijkheid de stad en het eiland. De katholieken gingen, tot de stichting van de katholieke kerk in de stad Tholen in 1795, te Lepelstraat onder Halsteren ter kerke. Reeds vele eeuwen is de bevolking overwegend protestant. Dominant is thans de Ned.

Herv. Kerk (modaliteit Gereformeerde Bond tot vrijmaking der Ned. Herv. Kerken). Daarnaast zijn er nog gereformeerde kerken en een tweetal kleine katholieke parochies.



Bestuur.


Er zijn op het eiland 15 heerlijkheden geweest. De stad Tholen was tot 1795 één van de zeven stemhebbende steden in de Staten van Zeeland. In de Franse tijd waren de heerlijkheden reeds samengevoegd tot negen gemeenten. Na de opheffing van NieuwStrijen en Westkerke in 1816, zijn de laatste gemeenten met ingang van 1 juli 1971 opgeheven en opgenomen in de nieuwe gemeente Tholen. De bestuurszetel werd te St.-Maartensdijk gevestigd evenals de zetel van het waterschapsbestuur na de samenvoeging van de polders en de waterschappen op Tholen in 1959. Tien jaar later werd het waterschap St.-Philipsland bij het waterschap Tholen gevoegd.

Het ontbreken in het verleden van een groot waterschap heeft er vermoedelijk toe geleid, dat er geen regionaal centrum is gekomen, zoals op de andere Zeeuwse eilanden. Tholen is steeds de grootste plaats op het eiland geweest en telt thans (1982) 5711 inwoners. Elke plaats heeft zijn eigen identiteit.

Zie kleurenplaat XIII; t.o. pag. 176.

LITERATUUR

A. Hollestelle. Geschied- en waterstaatkundige beschrijving Tholen. Unger en Westendorp Boerma, De steden. V. Delahaye, Oud- en Nieuw-Vossemeer. Kuiper, Bodem Schouwen-Duiveland en Tholen. Wilderom, Tussen afsluitdammen II. C. Dekker, Zuid-Beveland. J.A. Trimpe Burger, Vluchtbergen bij St.-Maartensdijk (Tholen), Ber. R.O.B. 10-11. 1960-1961, p. 445-452.
2. Gemeente, omvattende het gehele ‘eiland’ Tholen (zie 1 hierboven); opp.ca. 14.567 ha; 18.958 inwoners (1982), waarvan 5711 in de stad Tholen. Bij de gemeentelijke herindeling per 1 juli 1971 werd de huidige gemeente gevormd uit de zeven voormalige gemeenten Tholen, Oud-Vossemeer, Poortvliet, St.-Annaland, Stavenisse, St.-Maartensdijk en Scherpenisse. Tot de huidige gemeente Tholen behoren de volgende stadjes, dorpen of buurtschappen: Tholen (zie 3 hieronder), → Molenvliet, → Mosselhoek, → Oudeland, → Schakerloo, → Steenenkruis, → OudVossemeer, → Boschhoofd, → Poortvliet, → Kruijtenburg, → Schoondorp, → Strijenham, → Oude Kerkhof, de → Rand, → Malland, → St.Annaland, → Stavenisse, → St.-Maartensdijk, → Scherpenisse, → Gorishoek, → Westkerke. Het gemeentebestuur zetelt te St.-Maartensdijk.
3. (T(h)olne, Thollen, Toolne, Tolen). Stad binnen de gemeente Tholen (zie 2 hierboven); 5711 inwoners (1982); grootste kern op het ‘eiland’ Tholen (zie 1 hierboven). Ofschoon het gemeentebestuur en het → Waterschap Tholen te St.-Maartensdijk zetelen, vervult de stad Tholen een centrumfunctie op cultureel, maatschappelijk en medisch gebied. Diverse instellingen zijn er gevestigd, o.a. de enige sporthal in de gemeente, het gewestelijk arbeidsbureau, het groeps- en rayonbureau rijkspolitie, scholen voor voortgezet onderwijs en medische instellingen. Het oorspronkelijke karakter van Tholen is nog voor een belangrij k deel intact. Het stadje dankt zijn naam aan een tol op de → Eendracht. Verscheidene straatnamen herinneren aan het verleden, o.a. de Kruittorenstraat, de Jan van Bloisstraat en de Verbrandestraat, welke naam herinnert aan de grote brand van 16 mei 1452. Zie verder bij geschiedenis hieronder en bij 1 hierboven.

De stadskern herbergt een aantal monumenten en is omgeven door stadswallen die thans een wandelgebied vormen. De laatste decennia breidde de stad voornamelijk in noordwestelijke richting uit; de nieuwbouwwijk die hier ontstond wordt begrensd door de weg St.-Maartensdijk-Bergen op Zoom.

De stad deelt in het toenemende toerisme op het voormalige eiland Tholen; de haven, thans vooral jachthaven, kreeg een ander aanzien door de dijkversterking en het tot stand komen van de → Schelde-Rijnverbinding, waardoor de loop van de Eendracht werd veranderd.

Wapen:

Het oudst bekende zegel van Tholen uit 1416 vertoont een koggeschip zonder zeilen (waarschijnlijk het wachtschip bij de tol aan de Eendracht), waaraan de vier leeuwen en de barensteel uit het wapen van Jan van Avesnes, heer van Beaumont, zijn toegevoegd. De barensteel is later weggelaten, waardoor het wapen dat van de graven van Henegouwen en Holland werd; de mast van de kogge werd verlengd tussen de leeuwen door. Zo werd het wapen op 31 juli 1817 voor de gemeente bevestigd. Na de gemeentelijke herindeling werd bij K.B. van 27 maart 1973 aan de nieuwe gemeente een wapen verleend, waarbij de kogge een rood zeil en rode wimpels kreeg en weer naar het onderste deel van het wapen werd verwezen. Het geheel werd geplaatst op het zwarte wapenschild met zilveren dwarsbalk van het geslacht Van → Borssele dat in de geschiedenis van het eiland een belangrijke rol speelde.

Vlag:

De vlag van Tholen, die op de wapenkaart van Smallegange (1696) voorkomt, verenigt de Nederlandse kleuren met het goudgeel van het wapenschild. Ook in een onvoltooid vlaggenboek uit 1668/69 komt de vlag voor. Deze vlag werd bij raadsbesluit van 4 september 1962 in ere hersteld en op 18 augustus 1975 ook ingesteld voor de nieuwe gemeente.

Varia:

Groenteveiling. Op zaterdag ‘beurs’ in hotel Hof van Holland voor kooplui, landbouwers e.d. Streek-V. V. V. Tholen gevestigd te St.-Maartensdijk. ‘Thoolse dagen' in Scherpenisse (juni).

Monumenten:

De belangrijkste monumenten binnen de stad Tholen zijn het 15e-eeuwse stadhuis en de gotische O.L.Vrouwekerk. Het stadhuis werd vermoedelijk ca. 1460 gebouwd, in elk geval kort na de brand van 1452, die een groot deel van Tholen in de as legde. Ook het oorspronkelijke stadhuis ging toen verloren. Het gebouw heeft een hoge, strakke natuurstenen gevel in oud-renaissancestijl, bekroond door kantelen. De slanke zeskantige toren rijst in het midden achter de kantelen op. In de toren een carillon, deels gegoten door Michael ‘Burgerhuys in 1627.

Tot het carillon behoort het oudste klokje van Nederland (1458). Het stadhuis heeft een rococobordes uit 1758. De achterzijde met trapgevel vertoont sporen van verschillende wijzigingen en werd in de 19e eeuw geschonden door het inbreken van grote spitsboogvensters. In het gebouw, in de zg. vierschaar, bevinden zich een aantal moderne gebeeldhouwde stenen waarop de moerbalken rusten. De thans n.h. Grote ofO.L. Vrouwekerk in het centrum van Tholen is een gedeeltelijk onvoltooid gebleven kruisbasiliek in Brabants-gotische stijl (→ bouwkunst), bestaande uit een toren, een schip met zijbeuken, een transept, een koor en enige aanbouwen.

De oorspronkelijke kerk werd gesticht eind 13e eeuwen in 1404 verheven tot kapittelkerk. Onder toren en huidige kerk zijn bij de restauratie van 1947-1960 funderingen aangetroffen van deze oude kerk, die door de brand van 1452 waarschijnlijk zo aangetast werd dat nieuwbouw noodzakelijk was.

Het onderstuk van de forse toren is 14eeeuws. De toren stond los van de vroegere kerk; de hoogte ervan werd in de 15e eeuw met een klokkeverdieping aangepast aan de hoogte van het nieuwe schip, waarmee men ca. 1460 begonnen zal zijn. Spits en balustrade werden pas bij de restauratie gemaakt. Het brede schip met zijbeuken is het enige in Zeeland dat van luchtbogen is voorzien; deze dienden tot het opvangen van de druk van het stenen gewelf. Het schip is vijf traveeën lang. Aan de noordzijde werd in de eerste helft van de 16e eeuw een overwelfd portaal aangebouwd.

Kort na de totstandkoming van het schip werd het eenbeukige transept gebouwd; het heeft een versierde ingangspartij aan de zuidzijde. Het koor is nooit geheel voltooid. De omgang kwam alleen aan de noord- en oostzijde tot stand: van het gedeelte tegen de koorsluiting (oostzijde) zijn alleen de fundamenten bewaard. Rond de kooromgang zijn de fundamenten van een kapellenkrans aangetroffen, welke waarschijnlijk opgetrokken en overdekt is geweest. Door de oorlogshandelingen van ca. 1575 kan de kooromgang ingestort zijn, of zo zijn beschadigd dat ze moest worden afgebroken. Het middenkoor wordt gedekt door een noodkap, vermoedelijk uit het midden der 16e eeuw, omvattende een eenvoudig houten tongewelf. Ook het zuiderkoor draagt een houten tongewelf.

De sacristie in de noordoosthoek tussen transept en kooromgang en de librije tussen transept en zuiderzijbeuk zijn 16e-eeuws. In schip en koor bevinden zich natuurstenen zuilen; de koolbladkapitelen hebben een verscheidenheid aan bladmotieven. Het laatgotische netgewelf in het schip dateert uit de tweede helft der 16e eeuw. De beide transept-vensters vertonen gestileerde lelies in de tracering (religieus symbool van zuiverheid). In de noorderomgang bevindt zich de laatgotische grafplaat met enig Renaissanceornament van Guy van Bloys Anthonisz. (✝ 1527) en zijn vrouw, Digna van Assemansbroek (✝ 1516).

De restauratie van de Grote Kerk (1947-1960) kwam in 1948 in het nieuws toen een grafkelder werd ontdekt van de familie Van Vrijberghe, waarin gemummificeerde lijken. Een der lijken vertoonde nog enige gelaatsuitdrukking,o.a. door een tamelijk intacte neus. Ook waren in sommige gevallen romp en ledematen intact gebleven. Wetenschappelijk onderzoek in Leiden wees uit dat de mummificering het gevolg was van de klimatologische gesteldheid in de grafkelder. De ‘Thoolse mummies’ zijn in nieuwe kisten weer in de toegemetselde en niet voor het publiek toegankelijke kelder bijgezet. Bij genoemde restauratie kwamen onder de kalklaag op de laatste travee van het koor oude schilderingen te voorschijn, tegen een roodbruine achtergrond miskelken voorstellende en het Lam Gods met de kruisbanier.

De kerk heeft een preekstoel uit 1648 en een doophek, beide met koperen lezenaars, een laatgotisch stenen doopvont en een orgel uit 1828, afkomstig uit de voormalige Galileeërkerk te Leeuwarden. In het koor hangt een Tiengebodenbord uit 1581 met op de achterzijde bijbelteksten die de tien geboden verduidelijken. In 1755 werd een houten schottussen koor en transept aangebracht; het is beschilderd met psalmteksten en draagt een afbeelding van Mozes met de Wetstafels.

Tholen biedt verder enkele over het stadje verspreide oude gevels (17e en 18e eeuw), o. a. in de Kerkstraat. In 1975 kwam de restauratie van de Gasthuiskapel gereed, die voordien opgedeeld was in drie woningen en winkels. Bij de Oudelandse Poort vindt men de witte walkorenmolen De Hoop uit 1736, hoog oprijzend op het westelijk bolwerk. Het is een ronde stenen bovenkruier met stelling. De gevelsteen op het zuidoosten vermeldt de eerste-steenlegging op 26 maart 1736. De in 1958 uitwendig gerestaureerde molen is gemeente-eigendom en draait regelmatig op zaterdagmiddag.

Op de Markt staat een natuurstenen Lodewijk XV-pomp van N. Muts te Middelburg. Vestingwerken: Middeleeuwse aanleg. De zg. Oude stad werd na een octrooi van 1361 van Jan van Beaumont versterkt met aan de landzijde waarschijnlijk een stadsmuur met weergang, voorzien van enkele wachttorens en later een natte gracht rondom, ook aan de rivierzijde. De havenvielbinnende vesten. Er waren vier poorten, de Zuid-, de St.-Andriesof Oudelandse-, de Noord- of Verbrande- en de Dalemse poort.

In het midden van de 15e eeuw werd de Water- of Gevangenpoort gebouwd. Midden 16e eeuw verkeerden de werken nog in goede staat.

16e- en 17e-eeuwse aanleg

Tijdens de bezetting door Mondragon (1572-1577) werd de vesting enigszins gemoderniseerd door het opwerpen van aarden wallen langs het grootste deel der bestaande fronten; het zuidoostelijke deel kreeg een getenailleerd tracé. Voor de Verbrande- en St.-Andriespoort, alsmede ten noorden van de haven verrezen bastions. Onder prins Maurits werd de vesting Tholen volgens ontwerp van ingenieur David van Orliens met een nieuw tracé verbouwd tot een vrij regelmatige zevenhoek (1596-1622). Naar de oud-Nederlandse bevestigingswijze bestond deze uit aarden wallen met op de hoekpunten zeven bastions (buitenpolygoon aan de landzijde gemiddeld 250 m en aan de rivierzijde 500 m). Daaromheen een natte gracht, ten dele gedekt door een contrescarp. Het water in de gracht werd opgehouden door de Noord en Zuid stenen beer of ‘douane’ (afkomstig van dos d’ane = ezelsrug).

Als poorten dienden de Waterpoort en de nieuwe Vosmeerse en Oudelandse poort. De middeleeuwse poorten waren successievelijk afgebroken. Tot de vesting Tholen behoorden voorts de aan de oostzijde van de Eendracht gelegen vierkante gebastioneerde schansen Fort Oranje, Maurits of Grotendorst en Zeeland. Tegenover de stad lag het hoornwerk Slikkenburg. De meeste zijn bij de stormvloed van 1682 beschadigd. Voor de verdediging van het in de Brabantse polders voorbereide inundatiesysteem waren ter dekking van de coupures in de dijken schansen en batterijen opgeworpen.

De westzijde van de Eendracht werd beschermd door een aantal schansen van de Hikke- tot de Razernijpolder. Tot aan de Franse revolutie werd nog vrij veel militaire betekenis aan Tholen toegekend. De versterkingen werden tussen 1844 en 1867 gesloopt. Een gedeelte van de omwalling van ca. 1620 werd toen en in latere jaren in plantsoen veranderd. Het overige (vier bastions) bleef in tamelijk goede staat bewaard.

Geschiedenis:

De oorsprong van de latere stad Tholen ligt ca. 1220, toen de Vijftienhonderdgemetenpolder werd bedijkt, waarin een deel van haar gebied ligt. Deze bedijking maakte het noodzakelijk dat de tol op de scheepvaart van de → Striene, gevestigd door de hertog van Brabant, oostwaarts naar de Eendracht werd verplaatst. Tholen dankt haar naam aan de laatste tol. De naam wordt vermeld, misschien in 1252, maar met zekerheid in 1290, toen aan het dorp ‘Tolen of Hardestock’ in Schakerloo tolvrijdom werd verleend. Tholens oudste deel is de huidige Hoogstraat ten westen van de dijk van de Vijftienhonderdgemetenpolder (Oude of Binnenstad). De zg.

Buitenstad was het buitendijkse gebied ten oosten daarvan; dit was de hil waar de tol gevestigd was. Na de bedijking van de Dalempolder in 1364 kwam er de zg. Nieuwe stad bij.

Te Tholen zijn twee middeleeuwse kastelen bekend. Hendrik Buffel, aan wie op 20 april 1248 de heerlijkheid Schakerloo in achterleen werd geschonken door graaf Willem II van Holland, liet in de Vijftienhonderdgemetenpolder het huis Klein-Egypte bouwen, zo genoemd ter herinnering aan een door hem meegemaakte kruistocht. Na zijn dood erfde zijn gelijknamige zoon zijn bezittingen. Toen graaf Jan I als laatste telg uit het Hollandse huis in 1299 overleed, ontstond onenigheid over diens opvolging. Hendrik Buffel koos in dit geschil de zijde van de Vlaamse graaf. Hij moest naar Vlaanderen vluchten, werd in 1304 bij een scheepsstrijd op de Gouwe gevangen genomen en onthoofd als opstandeling. Zijn goederen werden verbeurdverklaard.

Jan van Henegouwen, heer van Beaumont, werd in 1316 met de heerlijkheden Schakerloo en Tholen beleend. Even buiten de noordpoort van Tholen liet ook hij een kasteel bouwen, dat in 1343 aanzienlijk werd uitgebreid. Zijn kleinzoon Jan van Bloys erfde zijn bezittingen ; na diens dood in 1380 volgde zijn broer Guy van Bloys hem op. Ook van Tholens tweede kasteel zijn weinig nadere bijzonderheden bekend.

In de 14e eeuw was Tholen een plaats in opkomst. Graaf Willem IV stond in 1335 aan ‘die van Tholen’ toe hun eigen koren en haver vrij van de Dordtse stapel te vervoeren; in 1346 verleende hertogin Margaretha een algemeen privilege van tolvrijdom. De genoemde Jan van Beaumont liet de Oude stad van muren en poorten voorzien (zie onder vestingwerken hierboven) en bevorderde krachtig de pannering (zoutwinning). In 1340 stonden te Tholen 38 zoutketen; een uitvoerige ordonnantie op het bedrijf werd in 1352 vastgesteld. Er waren contacten met (zout) havens in Frankrijk, Engeland en met de zoutstad Lüneburg. Nog in 1765 werd de eerste steen voor een nieuwe keet bij het veer gelegd.

De → meekrapteelt zou echter een belangrijker plaats innemen. In 1390 kreeg de stad de bevoegdheid meestoven te zetten; dit bedrijf zou tot in de 19e eeuw floreren. Ondanks handel en nijverheid bleef het stadskarakter voornamelijk agrarisch.

Jan van Beaumonts opvolger als heer van Tholen, zijn kleinzoon, Jan van Bloys, verleende in 1366 een uitgebreide keur aan Tholen, die als stadsrechtprivilege kan worden beschouwd. Na de dood van zijn opvolger en broer Guy, die een enorme schuldenlast achterliet, keerde de stad onder de grafelijkheid terug (1397). De komende periode beleefde Tholen grote bloei. Hertog Albrecht van Beieren verhief de Thoolse kerk in 1404 tot kapittelkerk. De kerk was in de 13e eeuw waarschijnlijk als kapel vanuit Schakerloo gesticht en nog in dezelfde eeuw verheven tot parochiekerk. De parochie Tholen behoorde tot het bisdom Luik en het dekenaat Hilvarenbeek.

De graven van Zeeland hadden het patronaatsrecht. Het in 1404 gestichte kapittel van negen kanunniken bezat 270 gemeten land. Het koos zelf zijn deken, die als pastoor aan het bisdom werd voorgedragen.

Ca. 1450 had Tholen haar hoogtepunt bereikt. Diverse bedijkingen hadden het stadsgebied uitgebreid (o.a. die van de Tuitpolder); landbouw, nijverheid en handel floreerden, terwijl door de vorming der Buitenstad de veste haar volle omvang had bereikt. De welvaart werd geknakt door een brand op 16 mei 1452, die de stad voor vijfzesde in de as legde. Met steun van de landsheer Filips de Goede nam men het herstel ter hand; uit deze periode dateren het stadhuis en de Onze Lieve Vrouwekerk (zie onder monumenten hierboven). De laatste is nooit geheel voltooid; men heeft eraan gebouwd tot in de 16e eeuw. Behalve vele altaren zijn er in deze aan de H.

Maagd gewijde kerk tien vicarieën gesticht, ter ere van o.a. de heiligen Eligius, Antonius, Maria Magdalena, Johannes de Doper en het H. Kruis. Te Tholen zijn er behalve de kerk enkele kapellen geweest; op het kasteel was een aan de H. Maagd gewijde kapel waaraan een kapelaan was verbonden. Een opmerkelijk gilde in Tholen was dat van Onze Lieve Vrouw in het Kinderbed, tot hulp aan behoeftige kraamvrouwen. Ook was aan de kerk verbonden het gilde der Choralen, dat laken voor kleren aan de armen uitreikte.

In 1489 stichtte het kapittel de Gulden Mis. Deze plechtigheid ter ere van Christus’ menswording werd met veel ceremonie en het luiden der klokken jaarlijks tussen 14 en 21 december gevierd. In de kerk speelde men de boodschap van de engel Gabriël aan Maria (Annunciatie). Tholen was de enige Zeeuwse plaats waar een Gulden Mis werd opgedragen.

Op economisch gebied ging het in de tijd na de brand slecht. Ofschoon in 1495/96 nog besloten werd een nieuwe haven te maken, moest Tholen in 1505 aan Jan III van Bergen worden verpand, waarmee haar invloed als stemmende stad in Zeeland naar de pandheer ging. Ca. 1520 zag het er wegens verder neringverlies en grotere schuldenlast naar uit dat de Tholenaren hun stad zelfs zouden moeten verlaten, maar dit bleek toch niet noodzakelijk. Niettemin brachten de vloeden van 1530 en 1532 en een nieuwe brand in dit laatste jaar verdere rampspoed. In 1550 werd de lening bij het meerderjarig worden van de derde pandheer Jan IV afgelost en herkreegTholen haarplaats in de Zeeuwse Staten, weliswaar met rangverlies, doordat zij achter Goes werd geplaatst. In 1559 werd Tholen bij het bisdom Middelburg gevoegd.

De doperse beweging heeft in de stad en op het eiland invloed gehad; het eerste optreden van calvinisten valt in de jaren 1565/66. In Tholen hielden zij hun bijeenkomsten, voorgegaan door o.a. Johannes Versteegh, pastoor van Scherpenisse. In 1570 werd de kerk beroofd en was er sprake van ‘beeldenbrekingh’, doch de Hervorming won vooralsnog weinig terrein.

Toen overig Zeeland in handen van Oranje was en ook het eiland Tholen in bezit van de geuzen viel, ging Tholen als laatste Zeeuwse stad over naar de prins. De Satisfactie van 17 april 1577 garandeerde de uitoefening van de katholieke godsdienst, maar ook hier kwam daarvan niets terecht, De kerk werd in 1578 geplunderd en de geestelijke goederen werden geseculariseerd; de geestelijken vertrokken op één na, die later een jaarrente van ƒ 200,- kreeg. Nadat Gerard van Kuilenburg hier tijdelijk had gewerkt kreeg Tholen in 1581 in Theodorus Verhaer haar eerste predikant . Tholen was de hoofdplaats van de classis Tholen, ingesteld in 1584 op een vergadering van de classis Schouwen te Brouwershaven. In dit jaar had Tholen al twee predikanten. Vooral Jacobus → Burs, die hiervan 1613-1650 werkte, drukte een persoonlijk stempel op de gemeente. Hij had ook in de provincie veel invloed.

Tholens gevaarlijke ligging noopte in deze tijd tot versterking van de vestingwerken (zie onder vestingwerken hierboven). Ondanks ondernemingen als het stadsaandeel in de West-Indische Compagnie bleef de stad hoofdzakelijk een agrarisch karakter behouden. Bekend was de korenmarkt; ook werden ‘vette en magere beestenmarkten’ gehouden. De vestiging van de laatste Reimerswalers te Bergen op Zoom en Tbolen (1632) bracht te Tholen de mosselvangst. De stad, op zich van gering belang, speelde tijdens de Republiek toch een vrij aanzienlijke rol in Zeeland, behalve door haar rol in bestuur en rechtspraak van het eiland Tholen, door het feit dat zij tot 1795 één van de zeven, later zes, stemhebbende steden in de Staten van Zeeland was. Als de andere Zeeuwse steden had zij deel in het gewestelijk bestuur door haar lid in het college van Gecommitteerde Raden en door haar stem aan de samenstelling van de Staten-Generaal, het Hof van Holland en Zeeland en de Hoge Raad.

Een bekend Thools regentengeslacht is de familie Van Vrijberghe, die in 1650 haar intrede deed en in de 17e en 18e eeuw van betekenis was. Ook in Tholen is er felle strijd gevoerd tussen de facties van prins- en staatsgezinden (1672, 1702, 1747), waarbij in bepaalde gevallen geweld niet geschuwd werd. Het jaar 1747 bracht grote beroering wegens het beleg en de inname van Bergen op Zoom door de troepen van Lodewijk XV, maar Tholen bleef gevrijwaard. De stad was in 1712 wel ten prooi gevallen aan plundering en brandschatting door een Franse bende vanuit Brabant. Op 19 september 1787 werden te Tholen de huizen der patriotten door het garnizoen geplunderd; de volgende dag kon door het in de stad voeren van een detachement Zwitsers uit Bergen op Zoom worden voorkomen dat de stad op vier plaatsen in brand werd gestoken. De Franse tijd (1795-1813) verliep hier ongeveer als elders in Zeeland (→ geschiedenis).

Gedurende de 19e eeuw kende Tholen een gestage bevolkingsgroei. Een grote aardappelexport kwam op gang naar Rotterdam, Antwerpen en Dordrecht. In de tweede eeuwhelft kwam de → visserij tot bloei (zie ook 1 hierboven). Opmerkenswaard in dit verband is de kreeftenopslagplaats te Tholen.

De stad werd tot in onze eeuw nog bedreigd door overstroming; vloeden troffen haar in 1808 en 1825, terwijl door de militaire inundaties van 1944 een groot deel van de begroeiing van de bolwerken en singels verloren ging. De ramp van 1953, die wel het eiland trof, ging aan de stad voorbij, evenals de vloed van 1906, hoewel de stad toen maar net gespaard bleef. In 1851 werd in Tholen een Christelijk Afgescheiden Gemeente gesticht, die in 1892 Gereformeerde Kerk werd. Andere protestantse kerkgenootschappen buiten de Nederlands Hervormde Kerk die thans te Tholen gevestigd zijn, zijn de Gereformeerde Gemeente en de Christelijk Gereformeerde Kerk. Tevens staat er te Tholen een kerk van de Protestantenbond. De rooms-katholieken hielden vanaf 1795 hun godsdienstoefeningen in de Waalse Kerk; de Waalse gemeente werd in 1818 opgeheven. Het kerkgebouw werd ca. 1900 afgebroken, waarna op deze plaats een r.k. kerk werd gebouwd.

Aan Tholens betrekkelijk isolement kwam een einde in 1928, toen een brug over de Eendracht tot stand kwam, zodat het stadsveer kon vervallen. De brug was geheel door de gemeente Tholen (toen ca. 3100 inwoners) gefinancierd. Eerdere brugplannen dateren van o.a. 1868, 1871 en 1910. De brug werd tijdens de Tweede wereldoorlog tweemaal vernield; in 1940 door Nederlandse militairen en in 1944 door terugtrekkende Duitse troepen. Zij werd na de oorlog op rijkskosten herbouwd en in 1975 gesloopt; in 1971 was de nieuwe brug over de inmiddels tot stand gekomen Schelde-Rijnverbinding in gebruik genomen.

Zie kleurenplaat XIII; t.o. pag. 176 en kleurenplaat XVIII; t.o. pag. 225.

LITERATUUR

Unger en Westendorp Boerma, De steden, V. A. Hollestelle, Tholen. Veltenaar, Tholen. C. Hollestelle, De voormalige kapel te Tholen. G.C.A. Juten, Tholen. J.P.B. Zuurdeeg, Tholen voorheen en thans.

Tholen, Stad en Eiland.
Valk-le Cointre, Binnen de stad van Tolne. G.A, Bontekoe, Het wapen der gemeente Tholen. Tholen in oude ansichten. Van Heussen en Van Rijn, Kerkelijke historie. J.W. te Water, Kortverhaal. Levelt, Een ketter op de markt. Wilderom, Tussen afsluitdammenU. Ermcrins, Zeeuwsche oudheden VIII. Van Empel en Pieters, Zeeland, 75. Teg. Staat, 68-79. Bachiene, Vaderlandschegeographie II. 837.

Smallegange, Nieuwe Cronyck van Zeeland I, 547. A.A. Beekman, Geschiedk. Atlas. Van der Aa., Aardrijkskundig woordenboek. J.C. Overvoordc, Korte beschrijving van Tholen. Chavannes-Mazcl. Langs de oude Zeeuwse kerken. H. Janse, Kerken en torensin Zeeland. Van Hoogstraten, De molens van Zeeland.

Kunstreisboek voor Nederland. Kijk op Zeeland. Zeeland in vogelvlucht.