Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

STATEN VAN ZEELAND

betekenis & definitie

Evenals in de andere gewesten van de Nederlanden het geval was, heeft zich ook in het graafschap Zeeland een ‘standenvergadering’ gevormd welke zich tot een statencollege ontwikkelde, dat op den duur als ‘de heren staten’, tenslotte kortweg ‘de Staten’ werd aangeduid. Kenmerkend voor zulk een orgaan is dat het samengesteld is uit vertegenwoordigers van de standen in het betrokken gebied en dat het een zelfstandig recht pretendeert en ook verwerft op medezeggenschap in het bestuur naast de landsheer.

De Staten hebben in de verschillende landsheerlijkheden niet altijd dezelfde oorsprong gehad; in Holland, Zeeland, Brabant en Vlaanderen komen zij voort uit de grafelijke raad. Het is bezwaarlijk een exact tijdstip aan te geven voor het ontstaan van de Staten. Uit de grafelijke raad, waarin de graaf politieke vrienden en personen, waarmee hij rekening moest houden, benoemde en aan wie hij advies vroeg, blijkt zich een groep te hebben afgesplitst die aanspraak maakte op bindend oordeel. Terwijl de grafelijke raad aanvankelijk bestaat uit edelen, soms met enkele hoge geestelijken, is dit bestand in het statencollege aangevuld met vertegenwoordigers van de steden. In Zeeland doet zich bovendien nog de complicatie voor, dat de raad van de graaf van Holland en Zeeland zowel de Staten van Holland als de Staten van Zeeland heeft voortgebracht. Deze ontwikkeling kennen wij niet uit een daarop betrekking hebbend bericht, maar valt af te leiden uit beslissingen over andere zaken.

Dat de term ‘Staten’ voor het eerst gebruikt werd in 1421, toen Filips van Bourgondië als ruwaard voor gravin Jacoba optrad, sluit niet uit dat een dergelijk orgaan al eerder bestond. Een statencollege bestond uit twee of drie leden, d.w.z. groeperingen die zelf uit meer vertegenwoordigers konden zijn samengesteld. Het Zeeuwse college kende aanvankelijk twee leden, het eerste lid omvatte de vertegenwoordigers van de → adel, het tweede lid de representanten van de ‘goede steden’ (zie → stad). Daar men in Zeeland de ambachtsheren en de adel identiek achtte, hoorde ook de → abt van Middelburg tot het eerste lid omdat deze gerechtigd was tot het grootste deel van het ambacht van Oostkapelle. In de 15e eeuw verandert de terminologie doordat men van ridderschap en steden gaat spreken. Daar de abt wel ambachtsheer maar geen ridder was, gaat men deze als ‘prelaat’ afzonderlijk noemen; op den duur wordt hij als vertegenwoordiger van de geestelijkheid beschouwd en brengen hij en de ridderschap tezamen twee stemmen uit, waartegenover de steden tezamen één stem hebben.

Op den duur werd het gebruikelij k dat de ridderschap door één aanzienlijke edele werd vertegenwoordigd. De titel van Eerste Edele komt pas op na de dood in 1558 van Maximiliaan van Bourgondië, heer van Beveren en markies van Veere en Vlissingen, maar feitelijk heeft ook hij deze functie al uitgeoefend. Sindsdien nam men aan, dat deze waardigheid gehecht was aan het markizaat van Veere en Vlissingen, hoewel dit een betwist punt was. Na de opstand tegen Spanje is het markizaat aan de Oranje’s gekomen, die zich als Eerste Edele in de Staten deden vertegenwoordigen.De abt van Middelburg werd in 1560 als prelaat vervangen door de bisschop van het toen nieuw opgerichte bisdom Middelburg. Na de vergadering van 1572 verdwijnt echter het geestelijk lid uit de Staten. Inmiddels is aan elk van de ‘goede steden’, Middelburg, Zierikzee, Goes, Tholen, Veere en Vlissingen een stem toegekend. De prins van Oranje had feitelijk drie stemmen, één van de ridderschap en twee van beide markizaatsteden. Tijdens de stadhouderloze tijdperken namen deze steden de magistraatbestelling in eigen hand en bepaalden zij zelf de stemmen; in het tweede stadhouderloze tijdperk werd ook de functie van Eerste Edele opgeheven, maar bij de verheffing van stadhouder Willem IV weer hersteld. Definitief werd aan dit ambt een einde gemaakt op 26 februari 1795 door de representanten onder de Bataafse Republiek.

Aan de afvaardiging van de zes steden, thans met genuanceerde stemverhoudingen, werden op 15 juni 1795 vertegenwoordigers van vier plattelandsdistricten toegevoegd. Afvaardiging van de nieuwe districten had sindsdien niet meer standsgewijze plaats, maar volgens een kiesstelsel. Na de staatsgreep van Daendels in 1798 werd een nieuwe departementale indeling ingevoerd, waardoor de huidige Zeeuwse eilanden behoorden tot het Departement van de Schelde en de Maas, waarvan ook de tegenwoordige Zuidhollandse eilanden en een stuk van Noord-Brabant bewesten de lijn Oosterhout/Gilze-Rijen/ Chaam deel uitmaakten. Het departement was verdeeld in zeven ringen, van welke elk één lid koos in het provinciaal bestuur.

Op commissie van de Staten van Zeeland werden er altijd vijf afgevaardigden benoemd naar de Staten-Generaal. Nadat men in 1801 weer tot een indeling volgens de traditionele provinciale grenzen was teruggekeerd, werd in 1810 de naam Zeeland vervangen door die van ‘Bouches de 1’Escaut’. Inmiddels was op 11 november 1807 Vlissingen met Rammekens aan Frankrijk afgestaan, vervolgens op 16/19 maart 1810 het overige Zeeuwse gebied. Was er tot 1807 nog sprake geweest van een verkiezing van leden van het departementaal bestuur, sinds de wet van 29 april 1807 werden de assessoren van de landdrost benoemd en bestond er geen lichaam meer dat nog als de voortzetting van de vroegere Staten kon worden beschouwd.

LITERATUUR

Fockema Andreae, De Nederlandse staat. Lemming, Ontstaan van de Staten van Zeeland. Ramaer, Geschiedkundige Atlas, de Franse tijd. Fruin, Geschiedenis der staatsinstellingen. De Monté verLoren, Hoofdlijnen.