Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

SCHELDE

betekenis & definitie

(Fr. Escaut).

Frans-Belgisch-Nederlandse rivier, die ontspringt op het plateau van St.-Quentin bij het plaatsje Gouy (gem. Le Châtelet, dep. Aisne), op een hoogte van ca. 100 m boven de zeespiegel. Vandaar stroomt zij via Kamerijk, Valenciennes, Doornik en Gent naar Antwerpen. Na Antwerpen vormde zij oudtijds een estuarium dat vrijwel het gehele toenmalige Zeeuwse eilandenrijk omvatte met als hoofdgeul de Oosterschelde. Ingrepen van natuur en mens met aan het eind de afdamming van Kreekrak en Sloe ten behoeve van de spoorlijn RoosendaalVlissingen, waren de oorzaak dat de in de loop der eeuwen zeer verbrede Honte als Westerschelde de monding werd van de rivier.

De Westerschelde is geschikt voor zeeschepen; door kanalisatie, aanleg van sluizen en bochtafsnijding is de Schelde zelf tot Kamerijk bevaarbaar gemaakt voor de binnenscheepvaart. De totale lengte van de rivier is 355 km, waarvan 90 km op Frans, 200 km op Belgisch en 65 km op Nederlands gebied. Bij Kamerijk is zij 20 m breed, bij Gentbrugge 65 m, bij Dendermonde 100 m, bij Antwerpen 500 m, bij de Nederlandse grens 2000 m en aan de monding bij Vlissingen ca. 5000 m. Haar stroomgebied beslaat 20.000 km2. Door haar vele zijrivieren : Sensée, Selle, Scarpe en Hene in Frankrijk, Leie, Durme, Rhosnes, Zwalm, Dender en Rupel in België, alsmede haar verbindingen met het noord-Franse kanalenstelsel en de belangrijkste kanalen in België (Albertkanaal, Ringvaart, kanaal GentTerneuzen, kanaal Brussel-Rupel en kanaal Nimy-Blaton-Péronnes) en in Nederland (Schelde-Rijn-verbinding, kanaal door ZuidBeveland, kanaal door Walcheren) is de Schelde van levensbelang voor de Belgische economie en het scheepvaartverkeer door West-Europa in het algemeen (→ Ooster- en → Westerschelde).Naam:

De naam van de Schelde wordt voor het eerst vermeld in 52 v.Chr. door Caesar en wel in de vierde naamvalsvorm: Scaldem, volgens sommige afschriften, Scaldim volgens andere. Mede op grond van vormen als Scaldis, vierde naamval Scaldim bij andere klassieke auteurs, mogen wij met zekerheid aannemen dat Schelde opklimt tot Scaldis. De hydroniemen op -is behoren in noordwest Europa tot de oudste overgeleverde namen; andere voorbeelden in Nederland zijn: Amis > Eem, Wakalis > Waal, Glanis > Geleen. Ze mogen gedateerd worden in of omstreeks het tweede millennium v.Chr. Vooral in het Germaanse taalgebied zijn hoofdzakelijk in de middeleeuwen diverse namen op -is overgelopen naar de typologisch jongere, vrouwelijke namen op -a. Dat is te onzent ook met de Schelde gebeurd.

Het Franse Escaut daarentegen bewaart het mannelijke genus. In het Nederlands herinnert de umlautsvocaal e (1167 Sceld) nog steeds aan de oorspronkelijke uitgang op -is. Zeer waarschijnlijk is Skaldis afgeleid van de Indo-europese wortel (s)kel- (gevlekt, grijs; dus ’de grijze rivier’). Theoretisch komen ook de wortels (s)kel(schallen, klinken) en (s)kel- (buigen, krom) in aanmerking en voor de Schelde zou een betekenis ’de kromme rivier’ zeer goed opgaan, maar bij de meeste van (s)kel- afgeleide hydroniemen passen beide laatstgenoemde betekenissen niet. Denkelijk werd de naam Schelde het eerst gedragen door de bovenloop. Daar draagt een bijrivier immers een naam die een verkleinwoord is van die van de hoofdstroom: Ecaillon, uit Skaldión.

Rechtshistorie:

De Schelde en haar zijtak, de Honte, zijn rechtshistorisch van bijzondere betekenis als grenswateren. De bestudering van deze functie wordt echter gecompliceerd door de voortdurende veranderingen waarin deze en andere Zeeuwse stromen hebben verkeerd.

Nadat in het voormalige estuarium, waarin de Schelde eenmaal uitmondde, zich achter de strandwal de eilandengroep had gevormd, vloeide deze rivier van Saaftinge noordwaarts tot een punt tegenover Bergen op Zoom en tegenover Tholen, van welk punt af zij naar het westen omboog en naar zee stroomde. Langs het eerste traject markeerde zij de latere grens van Brabant, terwijl zij voorbij de bocht de twee eilandengroepen scheidde, die men later Zeeland Bewester Schelde en Zeeland Beooster Schelde zou gaan noemen en ook daar een grensfunctie vervulde. Juist bij de bocht had de grafelijkheid van Zeeland op de oever van Oost-Beveland, dat in de stormvloed van 1530 geheel ten onder ging en nooit meer is teruggewonnen, het tolhuis van Yersekeroord gevestigd, waar van de langsvarende schippers de tolgelden werden geheven. Van de vele kreken, die links en rechts van de Schelde tussen de eilanden liepen, later grotendeels dichtslibden en voor het overige in recente tij d werden afgedamd, heeft alleen de Honte zich gehandhaafd en zich ontwikkeld tot het brede water, dat onder de gebruikelijke naam van Westerschelde zeewaarts vloeit.

Deze Honte was echter oorspronkelijk -nog in de 12e eeuw- een onaanzienlijke waterloop, die uit een waddengebied bij Hulsterhaven (bij het gehucht Campen) komend om de kaap van Hontenisse oostwaarts vloeide en bij het vermoedelijk in 1404 verdronken Hontemuden in de Schelde viel. Dit watertje vormde de noordgrens van het Rijksvlaamse gebied der → Vier Ambachten (→ ZeeuwsVlaanderen) en bespoelde te linker zijde de oever van hetgeen men later het Land tussen Honte en Hinkele noemde. In de periode van de 13e tot in de 16e eeuw is door een verplaatsing van het wantij langzamerhand de drempel in de oude Schelde bij Woensdrecht verhoogd en die in de Honte bij Saaftinge afgebroken, zodat het noordwaarts vloeiende water meer en meer verzandde en de Honte beter bevaarbaar werd. Door de toenemende voorkeur van de schippers voorde route langs de Honte verminderden de opbrengsten van het tolhuis van Yersekeroord en moesten de heffingen op andere wateren, voornamelijk op de Honte, worden gedaan; deze maatregelen leidden herhaaldelijk tot conflicten die in processen moesten worden uitgevochten en soms door de Grote Raad van Mechelen moesten worden beslecht. (Zie ook onder → Kartografie).

Om vast te stellen, welke rechtsregels golden, moest men vaak zijn toevlucht nemen tot ’turben’, getuigenissen van een groot aantal liefst hoogbejaarde personen omtrent het van oudsher geldende gewoonterecht. Merkwaardig is, dat daarbij ondermeer kwam vast te staan, dat de grens in de Honte vlak onder de Vlaamse kust liep, zodat de graaf van Zeeland rechtsmacht over de gehele breedte van de Honte kon pretenderen. Traditioneel werd dit uitgedrukt door de verklaring, dat de graaf van Vlaanderen geen verdere j urisdictie langs de kust van zijn land had dan hij, in het water getreden, met zijn zwaard of met de gerechtsroede kon reiken. Het gezag, dat de graaf van Zeeland later toekomt over de gehele Honte, moet zijn afgeleid van het regaal (zie → regalia), dat de koning bezat over de stromen. Daar dit recht door de koningen ter handhaving was toevertrouwd aan de hertogen van Neder-Lotharingen, is het na de dood van hertog Godfried van Bouillon in handen gekomen van de graven van Leuven, die zich hertogen van Brabant gingen noemen en ook pretendeerden, met het stroomregaal te zijn beleend. Deze dynastie heeft dit recht kunnen uitoefenen op de Honte, omdat de hertogen op de Bevelandse oever van de Honte landsheerlijk gezag hebben bezeten als hoogvoogden van de abdij van St.-Gertrudis te Nijvel, welke reeds sinds de 10e eeuw goederen bezat in het schorrengebied aldaar en daar het koninklijk bannum bezat (→ leenstelsel).

Dit gebied moet zijn begrepen in het verdrag van 3 november 1200 waarbij hertog Hendrik I goederen overdroeg aan graaf Diederik VII van Holland, die daarmede het stroomregaal op de Honte in handen kreeg.

LITERATUUR zie Westerschelde.