Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

RUIMTELIJKE ORDENING

betekenis & definitie

Het beleid dat van overheidswege wordt gevoerd ten aanzien van fysische en sociaal-culturele processen die zich ruimtelijk manifesteren. De effecten van zo’n beleid zijn vaak verstrekkend, maar tevens onbepaald: van beheersen van ontwikkelingen is bij uitzondering sprake, overheidshandelen beperkt zich doorgaans tot het scheppen van condities en het aangeven van beperkingen.

Ruimtelijke ordening vindt plaats op drie niveaus: nationaal, provinciaal en gemeentelijk. Van het nationaal naar het gemeentelijk niveau gaand kan men een toenemende detaillering en vastlegging van grondgebruik, en een afnemende invloed op het in gewenste banen leiden van ruimtelijk grootschalige processen onderkennen. Hierbij moet dan de kanttekening worden gemaakt, dat voor 1965 een streekplan (provinciaal niveau) een bestemmingen vastleggend karakter had, terwijl het ook de bedoeling was te komen tot een nationaal plan inzake het bodemgebruik. Met de Wet op de ruimtelijke ordening (1965) is de gedachte van een nationaal plan losgelaten, terwijl een streekplan, het belangrijkste provinciaal instrument voor de ruimtelijke ordening, wordt geacht de gewenste ontwikkeling van een gebied in hoofdlijnen aan te geven. In het navolgende zullen enige opmerkingen worden gemaakt over de ruimtelijke ordening in Zeeland, gezien in nationaal en provinciaal verband. Het gemeentelijk beleid blijft buiten beschouwing.

Nationaal.

Als gebied met een belangrijk agrarisch stempel waar de ontwikkeling van de werkgelegenheid stagneerde heeft Zeeland tot 1965 een vertrekoverschot gekend. Dat dit daarna is omgeslagen in een vestigingsoverschot moet in de eerste plaats worden toegeschreven aan de aanwijzing van Zeeland tot probleemgebied in 1958 in het kader van het regionaal industrialisatiebeleid. Sedert 1968 wordt gesproken van stimuleringsgebied. Doelstellingen van dit beleid zijn geweest de bestrijding van structurele (waaronder verborgen) werkloosheid, en een meer evenredige spreiding van de bevolking over Nederland.

Het werd ondersteund door een subsidiebeleid ten aanzien van de stichting van sociaalculturele voorzieningen, de toewijzing van extra woningbouwcontingenten, de verbetering van de infra-structuur en dergelijke. Ook de Deltawerken hebben, hoewel primair een waterstaatkundig doel beogend, bijgedragen tot de ontsluiting van (delen van) Zeeland en daarnaast mogelijkheden geschapen tot recreatie. Ontwikkelingskernen in het industrialisatiebeleid waren eerst Goes en Terneuzen (na 1965 ook het Sloegebied) met Zierikzee en St.-Maartensdijk als aanvullende kernen. Na 1968 zijn het Sloegebied en Terneuzen primaire ontwikkelingskernen, Goes, St.Maartensdijk en Zierikzee secundaire. V ooral in het Sloegebied en Terneuzen heeft de industrialisatiepolitiek succes gehad, mede omdat hier sprake kon zijn van een overloop van zeehavenindustrie uit de Rijnmond en het Antwerpse.

Met ingang van 1971 zijn de bijzondere stimuleringsmaatregelen voor Zeeland (investeringspremieregeling) opgeschort. In 1975 zijn ze voor Terneuzen, Vlissingen-Oost en Goes (de laatste twee op ad hoe basis) weer van kracht geworden, tot 1977. Van 1977 tot en met 1981 heeft de investeringspremieregeling slechts op ad hoe basis voor Terneuzen en Vlissingen-Oost gegolden, waarbij zij uitsluitend op vestigingen betrekking kon hebben die voor de Nederlandse economie als geheel belangrijk zijn. Sindsdien zijn er in Zeeland geen specifieke maatregelen meer van kracht. In de Oriënteringsnota (1973) en de Verstedelijkingsnota (1976) wordt geconstateerd dat de regionale industrialisatiepolitiek, waarvan de doeleinden ook zijn genoemd in de eerste en tweede nota over de ruimtelijke ordening in Nederland (1966) voor Zeeland succesvol is geweest. Bestuurlijk-administratief is de ontwikkeling van Zeeland begeleid door een herindeling van gemeenten.

Met deze herindeling, als doelstelling in de (eerste) nota inzake de ruimtelijke ordening in Nederland (1960) geformuleerd, is tussen 1960 en 1972 het aantal gemeenten van 101 tot 30 teruggebracht. Tot slot zij vermeld dat het Rijksbeleid (Nota Landelijke Gebieden 1977) gericht is op het open houden van het zg. Midden-Deltagebied (Noord-Beveland, Schouwen-Duiveland, Tholen en St.-Philipsland), een visie die voor het eerst is verwoord in ‘De ontwikkeling van Zuidwest Nederland’ (1971). Provinciaal. Bij de beschrijving van de diverse streekplannen moet rekening worden gehouden met het verschillend karakter ervan voor en na 1965. Werden voor dit jaar bestemmingen van bodemgebruik erin vastgelegd, daarna hebben de plannen, althans in naam, een meer globaal en programmatisch karakter.

Ook behoefden ze geen koninklijke goedkeuring meer. Vergelijken van streekplannen ‘oude’ en ‘nieuwe’ stijl is daarom slechts mogelijk aan de hand van de gegeven motiveringen, die voorheen een meer ondergeschikte, nadien een meer dominante rol spelen. Behalve in streekplannen heeft formulering van het provinciaal ruimtelijk beleid ook plaatsgevonden in andere nota’s. Daarbij nemen de reconstructieplannen van Walcheren (1946) en Schouwen-Duiveland (1953) een speciale plaats in.

Schouwen-Duiveland

In het ‘Rapport inzake de Reconstructie van Schouwen-Duiveland’, opgesteld na de overstroming van 1953, werd onder meer voorgesteld de verspreide en in gehuchten als Looperskapelle, Brijdorpe en Elkerzee gelegen woonbebouwing voor niet-agrariërs niet te herstellen. Men wilde deze concentreren in enkele flinke dorpskernen, met name Serooskerke, en in mindere mate Scharendijke en Kerkwerve.

In de toelichting op het streekplan Schouwen-Duiveland (vastgesteld 1963, gedeeltelijk goedgekeurd 1965) wordt geconstateerd dat de plannen betreffende de uitbouw van Serooskerke niet zijn gerealiseerd, dit in tegenstelling tot die van Scharendij ke en Kerkwerve. Als gevolg van verbetering van de verbindingen (Haringvlietbrug 1964, Zeelandbrug 1965), de aanwijzing van Zierikzee als aanvullende kern in het regionaal industrialisatiebeleid en de kwantitatief niet ongunstige arbeidsmarkt verwachtte men dat er een eind zou komen aan het traditioneel vertrekoverschot. Ook voorzag men een sterke toeneming van de recreatie in de Westhoek. Dezelfde gedachten treft men aan in de (tweede) herziening (1972) van het streekplan. Wel wordt hierin met wat meer nadruk dan in 1963 uitbreiding van de woonfunctie (forensisme en gepensioneerden) genoemd. Voor de Westhoek verwacht men een gigantische ontwikkeling van de recreatie, dit ondanks de centrale doelstelling van het streekplan ‘behoud van een natuurlijk en zuiver milieu (zij het) in het bijzonder gericht op een hoogwaardige openluchtrecreatie’ .

Langs de Grevelingen worden zomerwoningcomplexen en jachthavens geprojecteerd. De schaal en de snelheid waarmee ontwikkelingen zowel van de woonfunctie als van de recreatie zich inderdaad hebben voorgedaan, hebben tezamen met gewijzigde opvattingen aangaande natuur en milieu, een herziening van het streekplan nodig gemaakt. Deze dateert van 1978. Conform het rijksbeleid wordt een sterk accent gelegd op de functie van Schouwen-Duiveland in het open te houden zg. ‘Centrale Deltagebied’. Zo wordt voor na 1985 een vestigingsoverschot alleen acceptabel geacht als dit het gevolg zou zijn van (bescheiden) groei van de werkgelegenheid in Zierikzee. Midden-Zeeland.

Het reconstructieplan ‘Het nieuwe Walcheren’, opgesteld door de Snelcommissie Walcheren na de inundatie van 1944, voorzag, vooruitlopend op het enkele jaren later vast te stellen streekplan Walcheren, o.a. in een nieuw wegennet, een landschapsplan, de aanleg van binnenhavens annex industrieterrein tussen Vlissingen en West-Souburg en een vliegterrein bij Ritthem. Het uit 1939 daterende streekplan Walcheren (Roosenburg en De Ranitz), dat vooral was opgezet om de om zich heen grijpende lintbebouwing en de verwachte uitbreiding van zomerwoningen in te perken, is nooit vastgesteld. In het streekplan Walcheren (vastgesteld 1951, gedeeltelijk goedgekeurd 1955) wordt een concentratie van industrie, die men als enige dynamische factor beschouwt, voorgestaan in Middelburg, Vlissingen en eventueel Arnemuiden. Extra bevolkingsgroei wenst men alleen in de stedelijke centra met de aangrenzende gemeenten, met uitzondering van Oost-Souburg en Arnemuiden. Dit omwille van het behoud van het eigen karakter en het tekort aan plaatselijke werkgelegenheid.

Gezien de snelle veranderingen die in het gebied te voorzien waren als gevolg van o.a. de verbeterde verkeersverbindingen en de aanwijzing van Zeeland tot stimuleringsgebied was een streekplan Midden-Zeeland gewenst, dat in 1968 is goedgekeurd. Het omvat naast Walcheren, Noord-Beveland en westelijk Zuid-Beveland. Weer staat men concentratie van bewoning in de grootste kernen voor, al zijn Heinkenszand en ’sGravenpolder ook te stimuleren kernen. Het Zuidsloe, voor een groot deel uit schorren bestaande, vindt een bestemming als zeehavenindustrieterrein (eerste vestiging 1964: Scheldepoort). Eventueel komt ook een Sloe II oostelijk van Borssele daarvoor in aanmerking. Een bescheiden vliegveld vindt een plaats in het Noordsloe, een plek die al is gesuggereerd tijdens de beraadslagingen over het reconstructieplan Walcheren (in het streekplan Walcheren hield men nog vast aan Ritthem).

Het Veerse Meer wordt ingericht voor de recreatie. Tekenend voor de versnelde ontwikkeling van Midden-Zeeland mag wellicht heten dat in het streekplan Walcheren bij een zeer onwaarschijnlijk geachte snelle ontwikkeling van de werkgelegenheid voor Walcheren in 1977 90.860 inwoners werden voorzien. Het zijn er 103.534 geworden. Van het Sloegebied is (1980) 55170 uitgegeven (inclusief opties) en 29% in gebruik. Suburbane tendensen zijn o.a. zichtbaar in Heinkenszand, ’s-Gravenpolder (beide conform het streekplan), Koudekerke en - buiten het streekplangebied Kapelle. Perifere detailhandelsvestigingen zijn ontstaan o.a. op het ooit voor industrie bestemde terrein tussen Vlissingen en WestSouburg.

De herziening van het streekplan, waarbij het streekplangebied ook de rest van Zuid-Beveland omvat, is in 1982 vastgesteld. Van een (tweede) zeehavenindustriegebied ten oosten van Borssele is afgezien. Zoals ook bij de herziening van het streekplan Schouwen-Duiveland het geval is, spelen waarden van natuur en landschap een wat grotere rol dan voorheen.

Het streekplan Midden-Zeeland is voor wat betreft het Oosterscheldegebied in overeenstemming met het ‘Beleidsplan voor de Oosterschelde’. Dit plan, dat eveneens in 1982 door Provinciale Staten is vastgesteld, voorziet in een inrichting en beheer van de Oosterschelde waarbij naar graad van belangrijkheid achtereenvolgens natuur, visserij, en overige belangen als recreatie en scheepvaart worden behartigd. Rijk, provincie, de betrokken gemeenten en de waterschappen hebben zich door middel van intentieverklaringen achter dit plan gesteld.

Zeeuws-Vlaanderen.

Het eerste onder wettelijke regeling tot stand gekomen streekplan in Nederland is het ‘Streekplan Westkust Zeeuwsch-Vlaanderen’ (vastgesteld 1937, goedgekeurd 1938). Het voorzag in de aanleg van een weg van Breskens naar Retranchement, langs en over de duinen, met hier en daar wat villabouw. Cadzand-Bad is in het kader ervan tot aanzien gekomen. In 1965 is het streekplan ingetrokken, waarbij is gesteld dat een streekplan voor geheel Zeeuws-Vlaanderen wordt voorbereid. Tot op heden is daarvan niets gekomen.

In 1969 is het streekplan West ZeeuwsVlaanderen vastgesteld. Voor dit stagnerende landelijke gebied worden bescheiden impulsen voor bevolkingsgroei vooral verwacht van ontwikkelingen in Oost ZeeuwsVlaanderen. De kustrecreatieve ontwikkeling wordt alle ruimte gegeven. In het ‘Streekplan Oost Zeeuwsch-Vlaanderen’ (1977) wordt enige extra groei van de bevolking voor het gebied wenselijk geacht. Met het oog daarop is op de Axelse Vlakte een bedrijfsterrein gepland.

Het Baalhoekkanaal dat de havens van de Antwerpse linkeroever een directe verbinding zou geven met de Westerschelde, is bij de partiële herziening van het streekplan 1981 geschrapt. Het Land van Saaftinge wordt gespaard als natuurgebied. Kernen die een extra bevolkingsgroei krijgen te verwerken zijn Terneuzen en Hulst, voorts ook Axel, Philippine en Kloosterzande.

Besluit.

Voor Tholen-en St.-Philipsland is geen streekplan vastgesteld. Onzekerheden omtrent de bestemming van het oostelijk deel van de Oosterschelde (Reimerswaalplan!) en rond de eventuele tweede nationale luchthaven in West-Brabant zijn hier o.m. debet aan geweest. Practisch loopt het provinciaal beleid voor dit gebied parallel met het rijksbeleid, dat is gericht op het open houden van het Midden-Deltagebied. Mogelijk zullen deze gebieden nog eens in een ‘totaal streekplan Zeeland’ worden meegenomen.

Overziet men de ruimtelijke ordening in Zeeland over de laatste decennia, dan valt op dat met de nieuwe wet op de ruimtelijke ordening, waarin het streekplan een meer globaal karakter kreeg, en waarvan de inwerkingtreding samenviel met een versnelde ontwikkeling van Zeeland, men ruim baan gaf voor zich nieuw aandienende activiteiten als industrie, bewoning, verkeer en recreatie. Bij de thans in voorbereiding zijnde plannen is men hierin wat terughoudender. Dit is overigens een ontwikkeling, die men in overig Nederland ook kan waarnemen.