Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

OOSTERSCHELDE

betekenis & definitie

Zeearm. Voorheen (tot aan de afdammimg van het Kreekrak ten behoeve van de spoorlijn RoosendaalVlissingen in 1867) noordelijkste van de twee Scheldemonden.

De meer zuidelijk gelegen tweede monding, de Westerschelde, werd toen de enige. De Oosterschelde wordt omsloten door Walcheren, Noord- en ZuidBeveland, West-Brabant, Tholen en Schouwen-Duiveland. De geulen Roompot en Westgat geven de scheepvaart thans nog (1982) een open verbinding met de Noordzee. Achterliggende geulen zijn o.a. de Hammen, Keeten, Brabants Vaarwater, Engels Vaarwater. Deze geulen lopen langs platen en ondiepten als Roggenplaat, Neeltje Jansplaat, Vuilbaard, Galgeplaat, Middelplaat, Platte Bank, Speelmansplaten en Verdronken land van Zuid-Beveland. Totale lengte van de zeearm ca. 50 km.; de breedten variëren van 9 tot 3 km. Het hele gebied staat sterk onder invloed van de getijbeweging op de Noordzee; per vloed stroomt 11000.000.000 m3 zeewater de Oosterschelde binnen.Over de oorspronkelijke loop van de Schelde bestaat nog veel onduidelijkheid. Aannemelijk is echter, dat de rivier in de vroege middeleeuwen zijn weg had gevonden en voorbij Bergen op Zoom in noord-westelijke richting afboog, onderlangs de verzameling eilandjes waaruit later Tholen zou ontstaan en verder het tracé volgde, dat nu in grote trekken aangegeven wordt door wat we Oosterschelde noemen. Het was toen duidelijk een rivier, een grensrivier zelfs, want op den duur ging men spreken van Zeeland Bewesten- en Zeeland Beoosten-Schelde, maar bij lange na niet van de breedte die de Oosterschelde thans heeft. Uit oude kaarten en documenten is bekend dat bv. NoordBeveland zich aanmerkelijk verder noordwaarts uitstrekte dan thans, dat er voor de oude kust van Noord-Beveland nog een eiland lag, Orisand en dat aan de overkant, waar nu als stille getuige de Plompe Toren staat, een stuk land van ongeveer 4 km breedte in zee is verdwenen. Veel meer dan een km breed zal de rivier hier niet zijn geweest en onder Tholen misschien een honderd meter.

Stijging van de zeespiegel, stormvloeden, oevervallen en slecht waterbeheer, soms door nonchalance, maar vaker door pure onmacht, waren oorzaak dat het Zuidland bij Schouwen verloren ging en dat bij Reimerswaal vele duizenden hectaren onder water liepen. Landverlies betekent vergroting van het getijvolume, betekent verdieping en verbreding van de getijgeulen; die verbrede geulen vormen weer een gevaar voor de bedijking, terwijl anderzijds bedijking en inpoldering het water dwingen andere wegen te zoeken, waardoor ginds verloren ging wat hier gewonnen werd. In deze voortdurende strijd van mens tegen elementen heeft de Oosterschelde de vorm gekregen die wij thans kennen. De mens damde af en rondde af en tenslotte verloor de stroom haar functie als hoofdmonding. De reeds genoemde afdamming van het Kreekrak en de daarop in 1871 gevolgde afdamming van het Sloe, maakten haar tot een estuarium zonder rivier, waardoor ze zich kon ontwikkelen tot een uniek natuurgebied, al had toen niemand oog daarvoor. Door de grote getijamplitude, het hoge en constante zoutgehalte en de helderheid van het water kon hier een flora en fauna tot ontwikkeling komen van een rijkdom, die in Europa weinig meer voorkomt.

Het bekken is een van de prachtigste vogelgebieden van ons continent en fungeert als kinderkamer voor vele larven en vissen. Voorlopig zag men echter alleen het economisch belang, als vaarwater, als kweekplaats voor mossels, oesters, kokkels en garnalen en als visgrond voor de vangst van platvis. Tot in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 de dijken plotseling braken en het element van de veiligheid in het geding kwam. Het poldergebied van Schouwen, geheel Duiveland, bijna geheel St.-Philipsland en half Tholen liep onder. Op Noord-Beveland viel de schade mee, terwijl op Zuid-Beveland langs de Oosterschelde geen dijkdoorbraken voorkwamen.

De Oosterschelde en de daarmee in verbinding staande wateren eisten 977 slachtoffers, meer dan de helft van het totaal. Alleen al in Stavenisse waren ruim 150 doden op een bevolking van 1737 zielen.

Deltaplan.

De regering nam meteen maatregelen. Op 18 februari 1953 installeerde zij de Deltacommissie en op grond van door deze commissie verstrekte adviezen diende de minister van verkeer en waterstaat een ontwerp-Deltawet in, die aangaf met welke middelen men een herhaling van deze ramp kon voorkomen.

De wet, die door de Tweede Kamer onder applaus werd aanvaard, bepaalde dat (onder meer) de Oosterschelde zou worden afgesloten. Als voordelen hiervan werden genoemd:

- kustverkorting (9 km dam i.p.v. 245 km dijk)
- veiligheid (o.m. door het niet langer voorkomen van dijk- en oevervallen)
- de mogelijkheid om een groot zoetwaterbekken te vormen
- verlossing van de eilanden uit hun isolement.

Erkend werden ook enkele nadelen, zoals het verdwijnen van visserij en schelpdiercultures.

Twijfels

In de loop van de jaren zestig werden steeds meer vraagtekens bij deze beslissing gezet, al was deze officieel definitief. Een bioloog van het ministerie van Landbouw en Visserij kreeg zelfs een spreekverbod opgelegd, toen hij in zijn vrije tijd voor een open Oosterschelde wilde pleiten. Vooren tegenstanders presenteerden zich gezamenlijk in 1967 tijdens een congres van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. In 1969 publiceerde de Studiegroep Oosterschelde, die later zou opgaan in het comité Oosterschelde Open (S.O.S.) een memorandum. Hoewel ook hierin de veiligheid centraal stond, werd een grotere prioriteit bepleit voor het milieubeheer. De Oecologische Kring en het Delta Instituut gaven de voorkeur aan dijkverhoging.

Onder de voorstanders spraken de Zeeuwse Staten zich uit tegen iedere vertraging van de werken, al bepleitten ook zij in juni 1972 onderzoek naar de milieuhygiënische kant van de afsluiting. Om aan de eisen van milieu en veiligheid tegemoet te komen, bepleitten de Staten later overigens wel de vaststelling van een nieuw compartimenteringsplan. Volgens Rijkswaterstaat noopten de veranderde inzichten echter niet tot wijziging van de plannen. Ook het milieu, dat na afsluiting zou ontstaan, zou volgens de dienst aantrekkelijk zijn. De opeenvolgende bewindslieden van Verkeer en Waterstaat deelden dit standpunt. Ook de Gewestelijke raad voor Zeeland van het landbouwschap en de Zeeuwse polder- en waterschapsbond bleven afsluiting bepleiten.

De Zeeuwse vissers dachten er anders over. Zij blokkeerden een boot, waarop de Staten een excursie naar de werkeilanden zouden maken, met de leus ‘Geen akkoord met jullie moord’.

Heroverweging (mei 1973 tot 1975). Het kabinet-Den Uyl zei in zijn regeringsverklaring toe, te zullen pogen veiligheid en milieu te verzoenen. De daarop ingestelde Commissie Oosterschelde (Commissie-Klaasesz) hoorde alle betrokkenen en kwam met een synthese: een stormvloedkering. Hierdoor zou, vóór de aan te leggen Oester- en Keetendam, een getijverschil kunnen worden gehandhaafd (1.80 m bij Yerseke). Dat zou betekenen èn veiligheid èn behoud van schelpdiercultures en visserij, èn behoud van de kinderkamerfunctie van de Oosterschelde, èn de mogelijkheid om (achter beide dammen) zoetwaterbekkens aan te leggen.

Alle betrokkenen drongen daarna aan op een spoedige regeringsbeslissing. Provinciale Staten achtten uitstel van de beloofde veiligheid tot na 1980 alleen aanvaardbaar als extra veiligheidsgaranties werden geboden. Op 15 juli 1974 koos de regering voor de bouw van een stormvloedkering, waarbij (later) aan de uitwerking drie voorwaarden werden gesteld:

- het plan moest technisch uitvoerbaar zijn
- de bouw moest in 1985 kunnen zijn voltooid
- de kosten mochten niet meer dan ƒ 1.750 mln. + 20% extra bedragen.

Intussen zouden uiterlijk in 1980 de bestaande dijken moeten worden versterkt om tot 1985 niet meer risico te lopen.

Nieuw plan.

Ondanks deze beslissing discussieerden voor- en tegenstanders door. Provinciale Waterstaat - en met deze dienst de Staten - wees dijkversterking af in het rapport ‘Dijkverzwaring Oosterschelde’. Uit een studie van Comité S.O.S. bleek nu juist dat dijkverzwaring vóór 1985 haalbaar zou zijn. In de regeringsnota ‘Analyse Oosterschelde varianten’ werden dijkverhoging, de aanleg van een stormvloedkering en afsluiting met elkaar vergeleken. Uit het ‘Eindrapport stormvloedkering Oosterschelde’ bleek dat aan de drie voorwaarden kon worden voldaan. Op basis daarvan besloot de regering op 17 juni 1976 tot aanleg van een stormvloedkering.

Bepalend voor de (on)zekerheid over het behoud van het karakter van de Oosterschelde is het getijverschil, dat afhankelijk is van de grootte van de doorlaatopening in de stormvloedkering. Ondanks Zeeuwse pleidooien voor een grotere opening koos de regering voor een doorlaatprofiel van 14.000 m2 (handhaving van 77% van het getijverschil bij Yerseke). In maart 1982 gepubliceerde berekeningen komen op een nuttige doorstroming van 16.480 m2 bij geheel openstaande stormvloedkering. Bij doodtij gedurende hoog water betekent dit nu gemiddeld 19 cm hogere waterstand.

Uitvoering

(na oktober 1977). Al ruim de helft van de Oosterschelde is afgesloten. In de drie resterende geulen zullen 66 pijlers van elk 18,5 mln. kg met een speciaal hefschip op een tevoren geprepareerde bodem worden neergezet. Tussen de voeten van de pijlers, die onder het fundatiebed verdwijnen, ligt een drempel met een dorpelbalk. Daarop zal bij een gesloten kering de schuif rusten, die aan de bovenzijde aansluit op een bovenbalk. De gaten tussen die balken vormen de doorlaatopeningen.

Compartimenteringswerken

Met België is overeengekomen dat het Schelde-Rijnkanaal getijdevrij zal worden. Door de aanleg van compartimenteringsdammen kan ook het bekken achter de kering (en dus de kering) worden verkleind. Bovendien kunnen de compartimenten achter de dammen worden gebruikt als zoetwaterreservoirs.

De Commissie Compartimentering Oosterschelde rapporteerde uiteindelijk in april 1975 over twee varianten: een Philipsdam en een Oesterdam met kanalen bij resp. Krabbendij ke en Rilland-Bath of een verbreed Kanaal door Zuid-Beveland.

De regering koos op aandrang van Provinciale Staten voor de laatste variant. Van de Oosterschelde blijft ± 80% onder de invloed van het getij, terwijl Volkerak, Eendracht en het Markizaat van Bergen op Zoom samen een zoet Zoommeer gaan vormen.

Het tracé van de Philipsdam laat zoveel mogelijk schor onaangetast. Mede ter wille van de verkeersveiligheid werd een oostelijk tracé gekozen (de weg over de dam zal het veer Anna-Jacoba-Zijpe vervangen). In de dam zal voor de duwvaart en de watersport een groot sluizencomplex worden aangelegd. Omdat de Oesterdam vlak tegen het Schelde-Rijnkanaal wordt aangelegd blijft de kom van de Oosterschelde vrijwel onaangetast. Bij de aansluiting van (de weg over) de dam op Tholen is gekozen voor een westelijke oplossing om landbouwgrond te sparen. In de dam komt een kleine sluis.

Voor de beheersing van het peil van het Zoommeer wordt parallel met het ScheldeRijnkanaal een lozingsmiddel naar de Westerschelde gegraven.

Om te voorkomen dat na de aanleg van de Philipsdam een extra sluispassage ontstaat, worden bij de verbreding van het Kanaal door Zuid-Beveland de sluizen bij Wemeldinge buiten gebruik gesteld. Bij Hansweert worden grote nieuwe sluizen aangelegd, waarvoor Hansweert-Oost moet worden afgebroken.

De afbraak is geschied, maar onder druk van de economische omstandigheden moest dit projekt zelve worden getemporiseerd: de tweede sluis bij Hansweert komt niet in 1985, zoals voorzien, maar eerst in 1990 gereed.

Partiële dijkversterking.

Toen de regering besloot een stormvloedkering te bouwen, betekende dit dat de beloofde veiligheid eerst in 1985 (in plaats van in 1978) zou zijn gewaarborgd. De regering zegde daarop toe dat ui terlijk in 1980 de dijken rond de Oosterschelde zouden zijn versterkt. Onder leiding van de (bestuurlijke) Stuurgroep Dijkversterkingen Oosterschelde (rijk, provincie en waterschappen) werd een bureau dijkversterking belast met het opstellen van de plannen. Daar waar - in landelij ke gebieden - zowel binnen- als buitendijkse versterking mogelijk was, moest veelal worden gekozen tussen de belangen van landbouw en milieu. In enkele gevallen konden op Noord-Beveland nieuwe waardevolle natuurgebieden (inlagen) worden ‘gemaakt’.

Specifieke problemen brachten de bebouwde kommen met zich mee, vooral als een deel van het plaatselijk bedrijfsleven op de dijk was gevestigd. Oplossingen konden vaak gevonden worden in nauwe samenwerking met de betrokken gemeenten. In Colijnsplaat werd zo een jachthaven aangelegd, terwijl in Yerseke zowel een haven als een buitendijks bedrijventerrein werden voltooid.

Een nieuwe Oosterschelde.

Na voltooiing van de stormvloedkering zal het getijverschil afnemen, zullen de hoogwaters lagere en de laagwaters hogere niveaux hebben dan thans. Een deel van het getijde- en het intergetijdegebied zal verloren gaan. Voor het voortbestaan van de schelpdiercultures is met name het zoutgehalte van belang. Om dit in natte perioden te kunnen garanderen zullen wellicht beheersmaatregelen nodig zijn. De kering zal gedurende een storm worden gesloten als bij een kering in geopende toestand voor de dijken langs de Oosterschelde beperkte dijkbewaking zou moeten worden afgekondigd. Deze sluiting kan volledig zijn (vrijwel vast peil op het bekken) of slechts gedeeltelijk, waardoor een wisselende waterstand ontstaat.

Een vast peil kan soms tot schade aan dijken en milieu leiden. Ter voorbereiding van het overheidsbeleid hebben Gedeputeerde Staten een stuurgroep Oosterschelde ingesteld. Hoofddoelstelling van het beleid is natuurbehoud, met inachtneming van de maatschappelijke functies van het gebied (met name visserij). Dat betekent dat de natuurfunctie bepalend is voor de aard, omvang en situering van de andere functies. Gezien de vele onzekerheden wijst de stuurgroep grote projecten af en kiest voor een terughoudend beleid. Zes inrichtingscombinaties zijn onderzocht met twee tot maximaal vijf nieuwe jachthavens, met in totaal 1.500 ligplaatsen. Het fourageergebied van vogels wordt hierdoor met 55 tot 85% verminderd.

Het voorlopig standpunt van het dagelijks bestuur van de stuurgroep betekent maximaal 1.000 nieuwe ligplaatsen voor watersporters in Colijnsplaat, Zierikzee en Goes/Goese Sas.

Zie kleurenplaat XXII, t.o. pag. 369.

LITERATUUR

Wolff en Post, Oosterschelde. Meijler, Oosterschelde. Meijler, Historisch overzicht. Commissie Compartimentering Oosterschelde, Rapport 1974, 1975. Rijkswaterstaat, Analyse. Rijkswaterstaat, Stormvloedkering, 1976. Rand Corporation, Projecting an estuary. P.Z.C. 3-3-1982. Driemaandelijkse Berichten Deltawerken. Zie verder bibliografie, topografische ingang.