Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

GLOOIING

betekenis & definitie

Met natuur- of kunststeen bekleed talud, in ’t bijzonder van waterkerende dijken ter bescherming tegen golf aanval. Het merendeel van de zeedijken in Zeeland is voorzien van steenglooiingen.

Oorspronkelijk werd een zeedijk zo aangelegd dat nog voldoende voorland aanwezig was, zodat een stevige grasmat al of niet vastgelegd door een → krammat, voldoende verdediging bood. Was het voorland verdwenen dan paste men eertijds rijsbeslag toe, al of niet met staakrijen, waartussen puin of natuursteen werd gevleid. Geringe duurzaamheid van het rijshout leidde tenslotte tot het zetten van de steen op een onderlaag van puin. De eerste steenglooiingen in Zeeland waren in hoofdzaak van Vilvoordse, Doornikse en Lessische steen. In 1858 werd de eerste basaltglooiing toegepast langs Schouwen-Duiveland. Vervolgens deden in 1905 de betonglooiingen hun intrede met de betonnen spijkerglooiingen en de betonnen trapjesglooiingen van Jhr.ir.

R.R.L. de Muralt. Ze werden enkele tientallen jaren later gevolgd door diverse systemen betonglooiingen (o.a. systeem Leendertse, Haringman, Pit en diaboolglooiingen). Een ander kunstprodukt zijn de koperslakblokken als steenglooiingen, voor het eerst in Zeeland in 1956 toegepast aan de Torenpolder langs Noord-Beveland. Inmiddels waren ook de asfaltglooiingen in opkomst, die vooral werden toegepast bij de werken van het dijkherstel in 1953/54 en daarna bij de Deltawerken (Veersedam enz.).