Encyclopedie van Zeeland

Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1982)

Gepubliceerd op 24-11-2020

BRAAK

betekenis & definitie

Periodiek rustjaar van de grond, in vroeger eeuwen nodig geacht om de aarde, die vruchten had voortgebracht, gelegenheid te geven producerende kracht te herwinnen. De Fransen spraken van ‘la terre qui fait son dimanche’.

Het gebrek aan mest in de oude landbouwstelsels vroeg om een rustjaar, in de oudste praktijk om de drie jaar (drieslagstelsel). Bovendien zou ononderbroken graanbouw geleid hebben tot totale vervuiling van het land, temeer waar de vroegere ploegen met houten keerbord de grond slechts ondiep omroerden. In het braakjaar kon men het land dan ook telkens grondig zuiveren van onkruid. Ab Utrecht Dresselhuis vermeldt (1819) dat in West Zeeuws-Vlaanderen de braaklanden 8 maal in één seizoen werden omgeploegd. Braken betekent dan ook opbreken, landzuiverend werk verrichten.Tot in de 18e eeuw gold in Zeeland een systeem van vruchtwisseling met een zevenjarige omloop, gewoonlijk: 1 gerst (of koolzaad), 2 tarwe, 3 bonen of erwten, 4 tarwe, 5 erwten of bonen, 6 klaver of paardebonen, 7 braak. Er was echter in Zeeland een grote variatie in omlopen, korter of langer, hoewel in het begin van de 19e eeuw overal in de provincie volledige braak om de 7 of 9 jaar voorkwam. Zeeuws-agrarische standaardwerken als die van Boerendonk en Bouman geven talrijke voorbeelden van die variaties per streek. In een braakjaar kon men niet alleen ‘zuiveren’, maar ook mesten en uitgedolven grond uit greppels en sloten spreiden over de akkers.

Hoewel in de 19e eeuw reeds vroeg geëxperimenteerd werd met afschaffing van de braak door mensen als C. de Wilde te St.-Maartensdijk (1816), Pous en Vis (onder invloed van de Duitse landbouwwetenschap - Thaer - die het stelsel van zomerstalvoedering aanprees, dat dan weer voor organische mest zorgde) en zeker ook onder invloed van de Vlaamse landbouw - aangrenzend op het zand in Zeeuws-Vlaanderen nagevolgd waar reeds in de 17e eeuw, zij het lang niet algemeen, braken werd gestaakt, bleef de braak in Zeeland hardnekkig stand houden. Jan Kops beval de Vlaamse bouwerij aan. Volgens Staring waren de tienden daarop van zeer nadelige invloed. Even sterk nadelig waren ongetwijfeld de bepalingen in pachtcontracten die tot braak verplichtten. In de crisis aan het eind van de 19e eeuw is de braak op zijn eind gelopen. Toenemende waardering voor kunstmest had het nemen van die drempel ook zeer bevorderd.

Toch vond in 1880 in de algemene vergadering van de ZLM in Groede nog een uitvoerig debat plaats n.a.v. een inleiding van M. Luteyn Mazure, die volgens jarenlange aantekeningen en z.i. gunstige geldelijke resultaten, het braakstelsel verdedigde, waartegen → Marlet sterk protesteerde en het stelsel ten strengste afkeurde.

Voor het zover was paste men i.p.v. volle of zwarte braak, nog wel halve braak toe, d.w.z. men ploegde pas in de voorzomer om, zodat men eerst nog bijv. klaver kon winnen en dan daarop of op stoppelonkruid kon weiden. Hetzelfde gold voor de groene braak, waarbij men pas einde zomer ploegde; men had dan niet het voordeel van het schoonhouden. In 1910 resteerde nog slechts 500 ha braak.

Het woord braken komt nog levend in het Zeeuws taalgebruik voor men zegt b.v.: het winterland (op wintervoor geploegd) ligt lekker te braeke.

(Zie verder → vlas.)

LITERATUUR

Lindemans, Landbouw in België. Staring, Huishoudboek van den landman. Verslag omtrent de toestand van de Landbouw en Veeteelt in Zeeland en van de ZLM over

1878, 1879, 1880.