Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

Gepubliceerd op 24-11-2020

BESTUUR

betekenis & definitie

[i]

Plaatselijke besturen (gemeenten).[/i]

In 1815, bij de geboorte van het Koninkrijk der Nederlanden, telde de provincie Zeeland 117 plaatselijke besturen, verdeeld over een vijftal districten. In dit aantal zijn negen steden begrepen: Middelburg, Zierikzee, Goes, Tholen, Vlissingen, Veere, Sluis, Hulst en Axel. In 1825 werd door de koning ook het predikaat ‘stad’ verleend aan: Brouwershaven, Aardenburg, Oostburg, IJzendijke, (Ter)Neuzen en Sas van Gent. Het onderscheid tussen steden en overige plaatselijke besturen was van betekenis, omdat voor de eerstgenoemden een reglement op het bestuur van de steden gold en voor de andere ‘gemeenten’ een reglement voor het bestuur ten plattelande. Er bestond verschil in bestuursinrichting en bevoegdheden, waarbij de steden over het algemeen meer macht en vrijheid bezaten dan de besturen ten plattelande, die nagenoeg alle voortgekomen zijn uit de vroegere ambachtsheerlijkheden. Tot de Zeeuwse ‘gemeenten’ behoorden (gegevens uit 1815):



1e DISTRICT:
Aagtekerke, 312 inw., Arnemuiden, Nieuwerkerk en Mortiere, 885 inw., Biggekerke en Krommenhoeke, 421 inw., Domburg, binnen en buiten 576 inw., Gapinge, 161 inw., Grijpskerke, Poppendamme, Buttinge, Zandvoord en Hoogelande, 556 inw., Kleverskerke, 202 inw., Koudekerke, 1060 inw., Melis- en Mariekerke, 390 inw., Middelburg, 13114 inw., Nieuwland en Sint-Joosland, 448 inw., Oostkapelle, 660 inw., Oost-Souburg, 499 inw., Ritthem ca. 377 inw., Serooskerke, Rijnsburg en Hondegems Ambacht, 674 inw., SintLaurens en Brigdamme, 410 inw., Veere en Zanddijk, 1275 inw., Vlissingen, 4538 inw., Vrouwenpolder ca. 630 inw., Westkapelle en Sir Poppekerke, 1227 inw., West-Souburg, 250 inw., Zoutelande, Sint Janskerke en Boudewijnskerke, 425 inw.



2e DISTRICT:
Bommenede en Bloijs, 316 inw., Brouwershaven, 755 inw., Burght en Westenschouwen, 343 inw., Dreischor, 723 inw., Duivendijke, ca. 372 inw., Elkerzee, 353 inw., Ellemeet, 324 inw., Haamstede, 510inw., Kerkwerve, NieuwerkerkenZuidland, 528 inw., Nieuwerkerke, Kapelle en Botland, 831 inw., Noordgouwe, 438 inw., Noordwelle, 292 inw., Oosterland en SirJansland, 861 inw., Oud-Vossemeeren Vrijberge, 1102 inw., Ouwerkerk, 592 inw., Poortvliet en Nieuw-Strijen, 905 inw., Renesse, 320 inw., Scherpenisse en Westkerke, 841 inw., Serooskerke, 195 inw., Sint-Annaland, 1277 inw., Sint-Maartensdijk, 1352 inw., Sint-Philipsland, 421 inw., Stavenisse, 850inw., Tholen, 1898 inw., Zierikzee, 6260 inw., Zonnemaire, 346 inw.



3e DISTRICT:
Baarland en Baakendorp, 462 inw., Borsselen, 610 inw., Colijnsplaat, 1432 inw., Driewege en Coudorpe, 377 inw., Ellewoutsdijk en Everdinge, 369 inw., Fort Bath en Bath, 286 inw., Goeds, 4415 inw., ’s-Gravenpolder, ca. 507 inw., ’s-HeerAmbtskerke, ca. 310 inw., ’s-Heer-Arendskerke, 1197 inw., ’s-Heerenhoek, 509 inw., ’s-Heer-Hendriks kinderen en Wissekerke, 195 inw., Heinkenszand, 982 inw., Hoedekenskerke, 621 inw., Kapelle, Biezelinge en Eversdijk, 996 inw., Kats, 280 inw., Kattendijke, ca. 307 inw., Kloetinge, 631 inw., Kortgene, 670 inw., Krabbendijke en Nieuwlande, 597 inw., Kruiningen, 860 inw., Nisse, 412 inw., Oudelande, 371 inw., Waarde en Valkenisse, 385 inw., Wemeldinge, 679 inw., Wissekerke in Noord-Beveland, 1499 inw., Wolphaartsdijk, 858 inw., Yerseke, 568 inw.



4e DISTRICT:
Aardenburg, 1124 inw., Biervliet, 1177 inw., Breskens, 605 inw., Cadzand, 686 inw., Eede, 1038 inw., Groede, 1526 inw., Heille, 439 inw., Hoofdplaat, 701 inw., Nieuwvliet, 530 inw., Oostburg, 856 inw., Retranchement, 462 inw., Schoondijke, 980 inw., Sint-Anna-ter-Muiden, 191 inw., Sint-Kruis, 484 inw., Sluis, 1210 inw., Waterlandkerkje, 412 inw., IJzendijke, 1678 inw., Zuidzande, 686 inw.



5e DISTRICT:
Axel, 2154 inw., Boschkapelle, 777 inw., Clinge, 1136 inw., Graauwen-Langendam, 1147 inw., Hengstdijk, 590 inw., Hoek, 1004 inw., Hontenisse, 3517 inw., Hulst, 1920 inw., Koewacht, 1315 inw., Neuzen, 1385 inw., Ossenisse, 606 inw., Overslag, 425 inw., Philippine, 208 inw., Sas van Gent, 812 inw., Sint-Jansteen 1180inw., Stoppeldijk, 1169inw., Westdorpe, 1001 inw., Zaamslag, 1518 inw., Zuiddorpe, 580 inw.

Uit vorenstaande opsomming blijkt, dat er in Zeeland een groot aantal kleine gemeenten (deze term wordt na 1825 gemeengoed) was. Sommige waren zo klein in omvang dat van enige taakuitoefening nauwelijks sprake kon zijn. Tot deze conclusie kwamen ook de Staten van Zeeland in 1824 bij de ‘deliberatie’ over de voorstellen tot wijziging van het bestuursreglement voor het platteland. Men ging er vanuit dat een inwonertal van 400 zielen als een minimum moest worden beschouwd. Hantering van deze stelregel leidde tot het voorstel tot samenvoeging van de gemeenten: Arnemuiden en Kleverskerke; Vrouwenpolder en Gapinge; Oost Souburg en West-Souburg; Bommenede en Zonnemaire; Elkerzee en Ellemeet; Noordwelle, Renesse en Serooskerke, Kats en Kortgene; Fort Bath, Bath, Rilland en Maire, Boschkapelle en Stoppeldijk, Overslag en Zuiddorpe. Behalve deze werd ook als wenselijk vermeld de combinatie van de gemeenten: Sint Kruis met Aardenburg en gedeeltelijk met Waterlandkerkje, Heille en Sluis en ten laatste de opdeling van Retranchement tussen Oostburg, Cadzand en Zuid-Zande.

De geschiedenis heeft aangetoond, dat het merendeel van deze samenvoegingen eerst na ruim een eeuw is verwezenlijkt. Veel vaart zat er ook toen al niet in de herindeling. Het eerste resultaat kwam in 1835 toen Oost- en West-Souburg verenigd werden op verzoek van beide gemeentebesturen. In de discussies over de ‘vereniging van gemeenten’ kwam n.1. een nieuw element naar voren: de instemming van de betrokken gemeente moest aanwezig zijn bij het entameren van een samenvoeging. Het is wellicht deze eis geweest, die voortgaande samenvoeging heeft geblokkeerd. Na de grondwetswijziging van 1848, die ook voor de gemeenten van grote betekenis was, bezonnen de Staten van Zeeland zich opnieuw over de vereniging van gemeenten.

De grootscheepse herindeling van gemeenten in Friesland werd als voorbeeld aangehaald, waarbij men zich realiseerde dat bij toepassing op gelijke schaal in Zeeland van de 116 gemeenten er nog 21 over zouden blijven. Vooral met het oog op de geldelijke gevolgen, stelde men zich terughoudend op. Het gevolg zou zijn, zo werd in de Staten naar voren gebracht, dat het aantal burgemeesters (destijds een zeer karig beloond ambt) sterk zou terug lopen, terwijl toch een aantal ambtenaren en bedienden het werk zou moeten overnemen. Deze consequentie zou tot een te zware financiële belasting van de bevolking leiden, rekening houdende met het feit dat de ingezetenen destijds zelf alle kosten van het bestuur voor hun rekening moesten nemen. Het is niet uitgesloten, dat het tot stand komen van bepaalde uitkeringen aan gemeenten ten laste van ’s rijks kas in de loop der jaren het voortbestaan van zeer kleine gemeenten in de hand heeft gewerkt. Vanaf het jaar 1850 hebben er slechts enkele samenvoegingen plaatsgevonden tot het moment waarop de systematische herindeling van de vijftiger jaren van de twintigste eeuw op gang kwam.

In 1857 kwam de vereniging van Arnemuiden met Kleverskerke tot stand, tegelijk met de samenvoeging van Gapinge en Vrouwenpolder. In hetzelfde jaar werden ’s-Heer Hendrikskinderen en Wissekerke (Zuid-Beveland) toegevoegd aan ’s-Heer Arendskerke. In 1865, veertig jaar na het voorstel, werden Bommenede en Zonnemaire één gemeente. In 1877 werd Rilland-Bath gevormd uit de vroegere gemeenten Forth Bath, Bath, Rilland en Maire. In 1880 kwam Sint-Anna ter Muiden bij Sluis, evenals Heille. Het duurde tot 1936 voor een nieuwe samenvoeging plaatsvond.

De gemeente Vogelwaarde werd gecreëerd, bestaande uit de vroegere dorpen Stoppeldijk, Hengstdijk, Boschkapelle en Ossenisse. In het oorlogsjaar 1941 werden Schore en Vlake verdeeld over resp. Kapelle en Kruiningen. In dat jaar werden Kortgene, Colijnsplaat en Kats samengevoegd en kwamen Sint Kruis en Eede bij Aardenburg. Zestien namen verdwenen van de Zeeuwse gemeentekaart en Vogelwaarde kwam er bij. Na de oorlog waren er nog 101 gemeenten in Zeeland.

Hiervan hadden er 56 minder dan 2000 inwoners in 1950. De toenemende betekenis van de taken van het gemeentebestuur, mede onder invloed van de wederopbouw en de naoorlogse wetgeving, legden een zware claim op de bestuurskracht van de gemeenten. Het relatief grote aantal kleine gemeenten leidde tot een systematische aanpak van de herindeling, waarvoor overigens reeds voor het begin van de tweede wereldoorlog al een aanzet was gegeven. In 1961 kwam de gemeentelijke herindeling van Schouwen Duiveland tot stand. Opgeheven werden de gemeenten Burgh, Haamstede, Renesse, Noordwelle en Serooskerke (nieuwe gemeente: Westerschouwen); Elkerzee, Ellemeet, Kerkwerve en Duivendijke (nieuwe gemeente: Middenschouwen); Brouwershaven, Zonnemaire, Noordgouwe (nieuwe gemeente: Brouwershaven); Nieuwerkerk, Oosterland en Ouwerkerk (nieuwe gemeente: Duiveland). Bruinisse en Zierikzee bleven bestaan.

In 1966 volgde een herindeling van het eiland Walcheren. Samengevoegd werden Koudekerke, Biggekerke en Zoutelande tot de nieuwe gemeente Valkenisse. Aagtekerke, Meliskerke, Grijpskerke en een deel van Sint Laurens werden samengevoegd tot de nieuwe gemeente Mariekerke. Domburg en Oostkapelle vormen de nieuwe gemeente Domburg. Aan de gemeente Middelburg werden toegevoegd Nieuw- en Sint Joosland en een deel van Sint Laurens. Oost- en West-Souburg en Ritthem werden onderdeel van de gemeente Vlissingen.

Veere, Vrouwenpolder en Serooskerke vormden de nieuwe gemeente Veere. Westkapelle en Arnemuiden bleven gehandhaafd. In 1970 werden 24 gemeenten op Zuid-Beveland teruggebracht tot vier nieuwe lokale besturen. Goes werd uitgebreid met de gemeenten Wolphaartsdijk, Kloetinge, Kattendijke en een deel van ’s-Heer Arendskerke. De nieuwe gemeente Borsele omvat de vroegere gemeenten: Borssele, Ovezande, ’s-Heerenhoek, Heinkenszand, Oudelande, Ellewoutsdijk, Baarland, Hoedekenskerke, ’s-Gravenpolder, ’s-Heer Abtskerke en een deel van ’s-Heer Arendskerke. Wemeldinge en Kapelle werden verenigd tot de nieuwe gemeente Kapelle.

De nieuwe gemeente Reimerswaal werd opgebouwd uit de gemeenten Yerseke, Kruiningen, Krabbendijke, Waarde en Rilland-Bath. In hetzelfde jaar (1970) kwam de gemeentelijke herindeling van Oost en West Zeeuws-Vlaanderen tot stand. Het aantal van 29 gemeenten werd verminderd tot 8. Aardenburg bleef in stand, aan Sluis werd Retranchement toegevoegd. De nieuwe gemeente Oostburg bestaat uit de vroegere gemeenten Oostburg, Cadzand, Nieuwvliet, Zuidzande, Breskens, Schoondijke, Waterlandkerkje, IJzendijke, Hoofdplaat en een deel van Biervliet. Philippine, Westdorpe en Sas van Gent vormen thans de nieuwe gemeente Sas van Gent.

Het grondgebied van Terneuzen werd uitgebreid met een gedeelte van de gemeente Biervliet en met de gemeenten Hoek en Zaamslag, alsmede een gedeelte van Axel. Aan de nieuwe gemeente Axel werden behalve de oude kern Axel toegevoegd: Zuiddorpe, Overslag en Koewacht. Hontenisse en Vogelwaarde werden verenigd tot de nieuwe gemeente Hontenisse. De nieuwe gemeente Hulst is opgebouwd uit de voormalige gemeenten Hulst, Koewacht, Sint Jansteen, Clinge en Graauw-en-Langendam. Het sluitstuk van de herindelingsoperatie viel in 1971 met de vereniging van alle gemeenten op het eiland Tholen, t.w. Tholen, Poortvliet, Scherpenisse, Sint Maartensdijk, Stavenisse, Sint Annaland en Oud Vossemeer.

Het aantal gemeenten in Zeeland was hiermede gereduceerd tot 30. Er gingen stemmen op om ook de twee gemeenten op Noord-Beveland samen te voegen en nog eens de situatie op Schouwen-Duiveland in overweging te nemen voor een volgende herindelingsronde. Gepleit werd voor één gemeente voor dit eiland. Tot voorstellen is het echter niet gekomen, mede onder invloed van de ontwikkelingen in landelijk verband, n.l. de plannen tot algehele reorganisatie van het binnenlands bestuur. Bij de concept-voorstellen wordt een verdergaande indeling van gemeenten in het vooruitzicht gesteld. Als de voorgestelde minimum omvang van 10.000 inwoners een maatstaf wordt, zal dit ook voor Zeeland tot nieuwe herindeling van het gemeentelijk grondgebied leiden.



Gemeente, bestuursinrichting

In 1815 werd het bestuur van de steden gevormd door een Raad met twee of meer burgemeesters. De leden van de raad werden gekozen door een kiescollege, dat op zijn beurt werd aangewezen door stemgerechtigde burgers. De raadsleden moesten ‘zonder onderscheid uit de vroedste en gegoedste ingezetenen’ worden gekozen. Om als burger kiesrecht uit te oefenen moest men tenminste een zeker bedrag per jaar (Middelburg ƒ 30,- Axel ƒ 10,-b.v.) in de algemene middelen bijdragen. Op het platteland kende men de figuur van de schout, die door de koning werd benoemd op voordracht van de ambachtsheer. Verder was er een college, gemeenteraad genoemd, dat, naar gelang de uitgestrektheid van de gemeente, bestond uit 3 tot 7 leden, naderhand gewijzigd in 7 tot 9 leden.

De leden van de raad werden door de stemgerechtigde ingezetenen gekozen. Ook hier was het stemrecht, behalve aan een aantal formele vereisten: ingezetenschap en ouderdom, gebonden aan een bepaalde bijdrage aan de gemeentelijke middelen. Het systeem van de afzonderlijke bestuursinrichting voor stad en platteland werd doorbroken door de gemeentewet van 1851, die voor alle gemeenten dezelfde bestuursinrichting voorschreef.

Aan het hoofd van de gemeente staat de Raad, voorgezeten door één burgemeester. Tot het dagelijks bestuur van de gemeente wordt een college van burgemeester en wethouders geroepen, dat voor wat de wethouders betreft uit de Raad wordt gerecruteerd. Daarnaast krijgt de burgemeester enkele zelfstandige bevoegdheden voornamelijk op het gebied van de openbare orde. Deze grondvorm is tot op de huidige dag ongewijzigd gebleven. In de loop der tijden is de omvang van de gemeentelijke taak enorm uitgedijd en zijn de bemoeiingen op tal van gebieden toegenomen. Naast de passieve, veelal politionele, taak, die in het verleden werd uitgeoefend is het gemeentelijk bestuur uitgegroeid tot een belangrijk lokaal aktiviteitencentrum ten behoeve van de welvaart en het welzijn van de burgers.



Provincie, bestuursinrichting:

Onder de grondwet van 1814/1815 werd het bestuur van de provincie Zeeland opgedragen aan een college van Provinciale Staten, dat uit 44 leden bestond. Als voorzitter van deze vergadering werd de door de koning benoemde goeverneur aangewezen.

Het benoemingsrecht voor de Staten berustte bij de edelen, de steden en de landeigenaren of wel → eigengeërfden. De ridderschap kon aanspraak maken op 6 zetels, de steden op 20 (waarvan Middelburg niet minder dan 8) en de landelijke stand op 18. In 1825 werd deze verdeling respectievelijk: 6, 21 en 19. Provinciale Staten konden desgewenst uit hun midden een college van gedeputeerden kiezen, aanvankelijk van 9 leden, na 1825 van 5 leden. De verkiezing van de leden van de landelijke stand of de eigengeërfden geschiedde districtsgewijs door een kiezersvergadering. Voor deze vergadering van kiezers, die een niet onaanzienlijk aandeel in de belasting moesten betalen om als zodanig verkozen te worden, vond de aanwijzing plaats door de stemgerechtigde burgers ten plattelande.

Dit stemrecht was ook afhankelijk van een bepaalde bijdrage in de algemene middelen. De provinciale wet van 1853 bracht een uniforme regeling voor het provinciewezen in ons land. De Staten van Zeeland zouden uit 42 leden bestaan; de vertegenwoordiging van de standen kwam te vervallen. Het census-kiesrecht werd tot de grondwetswijziging van 1887 gehandhaafd en na het capaciteiten-kiesrecht dat toen werd ingevoerd, pas in 1917 vervangen door het algemeen kiesrecht. Het college van Gedeputeerde Staten van 6 leden wordt in de provinciale wet als orgaan van de provincie voorgeschreven. Meer dan een eeuw heeft deze bestuurlijke inrichting van de provinciale wet gegolden.

Ook bij de nieuwe provinciewet van 1962 is er fundamenteel niet zoveel veranderd. Het aantal leden van Provinciale Staten bedraagt nu voor Zeeland, bij een inwonertal tussen de 3- en 400.000; zevenenveertig. In het begin van de 19e eeuw had de provincie als bestuursorgaan een vrij geringe betekenis. Naarmate echter het lokale bestuur in betekenis toenam bestond er meer behoefte aan regionaal bestuur, dat qua bevoegdheid uitgroeide tot een toezichthoudend orgaan voor de financiële onderdelen van het beleid en b.v. t.a.v. de waterschappen voor de taakuitoefening. Pas in de 20e eeuw ontwikkelde de provincie zich tot een bestuursorgaan met eigen taken in het uitvoerende vlak. Met name in Zeeland, waar de steden relatief klein zijn, heeft het regionale bestuur een aantal taken tot zich getrokken, die elders door grote steden worden vervuld, b.v. energievoorziening, vervoer (veren).

Ook op sociaal-cultureel terrein neemt de omvang van de provinciale inspanning toe. Sedert de tweede wereldoorlog is in dit pakket de ruimtelijke ordening en de volksgezondheid (milieu) sterk naar voren gekomen. Begin 1977 is het wetsontwerp tot herziening van de provinciale herindeling aangeboden. Dit behelst een opsplitsing van de 11 provincies in Nederland in 24 nieuwe bestuurseenheden. Zeeland blijft volgens dit voorstel in territoir hetzelfde, hoewel later de toevoeging van Goeree en Overflakkee in overweging werd genomen. In de ontwikkeling wordt voorzien dat de provincies meer taken zelfstandig zullen gaan uitvoeren, die als het ware op het gemeentelijk vlak niet anders dan in samenwerking kunnen worden behartigd.