Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

Gepubliceerd op 20-10-2020

RECREATIE

betekenis & definitie

Brabant beschikt over een ruim aanbod aan recreatie-gebieden; daar echter het aantal recreanten jaarlijks toeneemt is de provincie overgegaan tot het opstellen van een meerjarenplan Openluchtrecreatie, waarbij onder openlucht wordt verstaan: het totaal van recreatieve bezigheden in de openlucht, zowel binnen als buiten de eigen woonomgeving. Men onderscheidt dagrecreatie, waartoe behoren: de oeverrecreatie (zwemmen en zonnen), de kleine watersport (kanoën, roeien, surfen), de sportvisserij; de extensief landgebonden recreatie (wandelen, fietsen, toeren, paardrijden) en de intensief landgebonden recreatie (dagkamperen, volkstuinieren, bezoek aan attractiepunten).

Op de tweede plaats komt de verblijfsrecreatie, voor korter of langer verblijf (vakantie) en op de derde plaats de watersport (zeilen, motorbootvaren, waterskiën).Door de uitgebreide Brabant-promotion komt een groter aantal niet-Brabanders hier hun vertier zoeken (10% van de vakantiegangers komt van buiten Brabant, ca 400.000 personen (1985)).

Wat de dagrecreatie betreft, biedt de natuur en het cultuurlandschap zelf voldoende gelegenheid door het grote aantal bossen, duinen, heide en vennen. Verder zijn er voorzieningen voor het opvangen van grotere aantallen recreanten: de parken, zoals het Nationaal Park de Biesbosch, en diverse attractiepunten: de openluchtvoorzieningen de Efteling in Kaatsheuvel, de Beekse Bergen in Tilburg, Hilvarenbeek, het Eurostrand in Westerhoven, Bosbad Hoeven, de Wanroyse Bergen, het Oorlogsmuseum te Overloon, Animali te Eindhoven, het Vogelpark in Oisterwijk; verder twee overdekte voorzieningen: Autotron in Drunen (wordt themapark verkeer in Vinkel) en het Evoluon te Eindhoven.

Gemiddeld wordt 800 à 900 ha grond per jaar in gebruik genomen voor bebouwing waardoor de mogelijkheid voor recreatie in het buitengebied enigszins is afgenomen, o.a. ook door aanleg van wegen, rationalisatie in de landbouw, intensieve veehouderij, het toenemende verkeerslawaai en door de geluidsoverlast van motorcrossers.

Bijna 20 procent van Brabant bestaat uit bossen, duinen en vennen, die zowel voor de dagals voor de verblijfsrecreatie belangrijk zijn. De Oisterwijkse vennen krijgen op topdagen soms 10.000 bezoekers te verwerken. Van de honderden vennen, die Brabant telt, zijn zij uniek doordat er tientallen bij elkaar zijn gelegen, elk op zich anders qua grootte, vegetatie en ligging.

De Vennen, (voor het ontstaan zie onder Vennen) Jac. P. Thijsse heeft een indeling gemaakt in stroomvennen, uitwaaivennen en smeltvennen. Uitwaai- of stuifvennen zijn: het Galgeven met de Piereberg en het Kolkven met de Duivelsberg. Ook het Schaapsven, Baksven, Duinven de Brouwkuip, het Palingven en het Ansumsven behoren hiertoe. Zij bevatten over het algemeen zeer voedselarm (oligotroof) water.

Het Witven en het Choorven en het Esschenven waren de eerste vennen, die in 1913 op aanraden van W. J. P. van Oppenraay en G. Perk werden aangekocht, in 1916 gevolgd door het Kolkven, het Brandven en het Diaconieven. Ook mr. Van Tienhoven heeft als voorzitter van Natuurmonumenten veel bijgedragen aan de totstandkoming van de „Provinciale Landschappen”.

De natuurreservaten Nemerlaer Noord en Zuid in de gemeenten Haaren en Oisterwijk en de Oude Hondsberg, Ter Braakloop en het Galgeven behoren tot het bezit van het Noord-Brabants Landschap, dat in 1932 opgericht werd. Het Galgeven is het grootste ven en schijnt veel cadmium te bevatten. Hier werd vroeger de wol gevold.

In het Baksven, dat zeer besloten ligt, is een zwembad gevestigd. Het Schaapsven ligt temidden van bossen en is van alle kanten omgeven door bloeiende gagel. Het Rietven bevat voedselrijk water en is bijna geheel dichtgegroeid, het moet vroeger rijk aan vis zijn geweest, getuige de visdam. Tussen de Reuzel en de Rosep (twee riviertjes) liggen het Allemansven, het Achterste en Middelste Kolkven, het Kolkven, het Voorste Choorven, het Witven en het Esschenven. Het Staalbergven bevindt zich ten westen van de Rosep, het bezat golfslagerosie, waardoor hier de biesvaren voorkomt. Eveneens voedselarm zijn het Wolfsputven en het Beeld- of Nemerlaersven.

Het grote Bekversven ligt ten oosten van de Rosep, een gebied dat vroeger regelmatig overstroomd werd, getuige het drassige terrein en de vele visdammen. De Huisvennen en de Zandbergsevennen, die voedselarm zijn, liggen in de Kampina in Boxtel; het Winkelven ten zuiden daarvan werd waarschijnlijk door het riviertje de Beerze gevoed.

Ook in de omgeving van Eindhoven, tegen de Leenderheide, liggen vennen, waarvan het Kanunnikesven het grootste is en uiterst waardevol, het is een ringven met levend hoogveen. Het Rietven, eveneens een open ven, is kleiner en dieper met een prachtig zandstrandje. Het Karperven is omringd door dennenbossen.

Tuinieren en vissen: Het gebruik van volkstuintjes is een belangrijke vorm van openluchtrecreatie geworden in Noord-Brabant, zeker ten opzichte van andere delen in ons land. Uit een onderzoek blijkt dat niet minder dan 40% van alle dagtochten naar volkstuinen in Nederland in Noord-Brabant plaats vindt. De ligging van de tuinen ten opzichte van de bevolkingsconcentraties is zeer belangrijk.

De kleine watersport, roeien, kanoën en het plankzeilen neemt sterk toe daar deze sport ook op kleinere wateroppervlakten toegepast kan worden.

De sportvisserij kan op nog meer plaatsen en in nog kleinschaliger water worden bedreven, hoewel er beperkingen bestaan ten aanzien van de kwaliteit van het water, het verdringen door de grote watersport en door het ontbreken van rechten (visrecht ontbreekt op 22% van de oevers' in Noord-Brabant, looprecht op 43%). Van de sportvissers vist ongeveer 2/3 vanaf de oever, 1/3 maakt gebruik van een boot. Elke oevervisser bezet een oeverlengte van 25 meter plus een strook water van 20 meter uit de kant. Voor het huidige aantal van 25.000 vissers (in 1982) heeft men nodig 400 km oeverlengte en + 2.200 ha. water. Er zullen ook nieuwe voorzieningen moeten worden getroffen zoals visplaatsen, steigers en parkeermogelijkheden.

De verblijfsrecreatie wordt in Noord-Brabant in stand gehouden door de aanwezigheid van veel bossen, heiden, stuifzanden en cultuurlandschappen. Voor de langere verblijfsperioden zijn echter voorzieningen nodig zoals campings, bungalowparken en hotels of gelegenheid voor het eenvoudige kamperen bij een boer. De betekenis van zomerhuizen en bungalows is de laatste jaren in Brabant aanmerkelijk groter geworden en ligt nu op landelijk niveau. Het topjaar van aankoop van caravans lag in 1977, zakte daarna door het stijgen van de rente en het moeilijker verkrijgen van hypotheken.

Wat betreft de watersport behoren de Maas, de Zuid-Willemsvaart en het Wilhelminakanaal tot het hoofdvaarwegennet, toch nemen ook de kleinere vaarwegen een belangrijke plaats in zoals het Beatrixkanaal, het Eindhovens kanaal, de afgedamde of Andelse Maas, de route Dintel, Mark, Markkanaal, Donge richting Amer, de Steenbergse Vliet en het Mark-Vlietkanaal.

De Biesbosch: De chaos, ontstaan in de Biesbosch door het grote aantal waterrecreanten is in de 70-er jaren enigszins beteugeld. Tevoren was al schade aangericht door de afsluiting van het Haringvliet in 1970, waardoor het getij en daarmee een groot aantal karakteristieke waarden verdwenen. Het getijverschil werd van twee meter teruggebracht tot twintig centimeter, waardoor rietvelden verdwenen, slikken onder water kwamen te staan en de griendcultuur verdween. Hoewel de oude, ruige Biesbosch daarmee voor een deel verloren ging, is het nog steeds een uniek gebied met meer broedvogels dan voorheen, zowel in aantal als in soorten; meer roofvogels, waaronder de bruine kiekendief, ook grotere aantallen van de blauwborst; en van de reeën; twee soorten rivierkreeft en de steurkrab komen er nu voor. De Biesbosch is inmiddels verheven tot Nationaal Park.

In de Biesbosch en de Afgedamde Maas is sprake van een overbezetting terwijl op het gedeelte van de Maas ten oosten van ’s-Hertogenbosch en op de grote wateren ten westen van Moerdijk nog ruimte voor watersport over is.

In 1976 bedroeg het aantal huishoudens in Nederland dat in het bezit was van een boot 1 op 33, in Brabant was de verhouding 1 op 50. De werkgroep Jachthavens verwacht dat in 1990 de verhouding voor Brabant 1 op 20 zijn zal. Het aantal plaatsen voor boten in onze provincie bedroeg in 1982 7.000. Ondanks een niet meer snel groeiend botenbestand blijft er toch behoefte aan meer ligplaatsaccommodatie. Specifieke passantenplaatsen zijn er weinig. In 1976 waren er in de 16 belangrijkste jachthavens met een capaciteit van 4600 boten (exclusief visboten) maar 200 ligplaatsen voor passanten.

Ook zijn de mogelijkheden in Brabant om een boot te huren miniem, eveneens om vaarles te nemen. In 1976 waren er voor deze doelen maar 100 boten beschikbaar en dat aantal is sindsdien nauwelijks toegenomen.

Wat betreft de vooruitzichten voor recreatiegebieden zou het er per stadsgewest als volgt in hectaren uitzien:

Breda 400 50 350 Tilburg 50 50 Eindhoven 350 250 100 ’s//DHertogenbosch 350 350 De eerste kolom betreft de ruimte voor recreatiegebieden tot 1995 in te richten, globaal ruimtelijk en financieel afgewogen. De tweede kolom betreft de ruimte voor recreatiegebieden tot 1995 in te richten, welke volledig is afgewogen en in streekplannen opgenomen dient te zijn.

De derde kolom betreft de ruimte voor recreatiegebieden tot 1995 in te richten, welke globaal is afgewogen en waarvan nadere afweging in het streekplan nodig is met inachtneming van de beleidsstrategie van dit schema.

Als consolidatie-gebieden werden in 1982 in Noord-Brabant de volgende streken aangewezen: Biesbosch, de oevers langs Hollands Diep en Volkerak, het gebied ten zuiden van Bergen op Zoom, de landgoederenzone ten zuiden van Etten-Leur (Pannenhoef e.a.), het gebied ten zuiden van Breda (Strijbeekse heide e.a.), het gebied van Baarle Nassau tot en met het landgoed De Utrecht en omgeving, de Loonse en Drunense Duinen, het potentieel Nationaal Landschap Midden Brabant, het gebied van het Dommeldal en van Helmond/ Strabrechtse Heide/Leenderbos/Malpie, de Mariapeel en de Deurnse Peel.

De keuze van deze gebieden komt voort uit het Structuurschema natuur- en landschapsbehoud en betreft het potentieel Nationaal landschap Midden-Brabant, de nationale parken, de grote landschapseenheden, de grote eenheden natuurgebied en de kwetsbare oevers.

Bron: Provincie Noord-Brabant, rapport openlucht-recreatie.