Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

Gepubliceerd op 20-10-2020

KASTEEL VAN BREDA

betekenis & definitie

reeds in 1190 is er sprake van een „castellum de Breda”. Godevaart, heer van de Lande van Breda gaf in dat jaar zijn kasteel te Breda met al zijn goederen gelegen ,,in den Hage, met de Venne te Stryen en den Geley-tol te Breda” aan hertog Hendrik I van Brabant, die het aan deze Godevaart of Godfried van Schoten weer in leen terug gaf.

Op het zegel van Godevaart, broer Hendrik staat een ronde donjon met kantelen, omgeven door een ringmuur, mogelijk een afbeelding van de burcht.Het eigenlijke Kasteel van Breda werd echter gebouwd door Jan van Polanen, die in 1339 voor 28.000 kleine florijnen een deel van het land van Breda van de hertog van Brabant had gekocht. In 1350 werd de eerste steen gelegd van het kasteel, „hetgeen hij verders naar de wyze dier eeuw zeer sterek met vier hoek-torens deed optimmeren, van hetwelk men heden (1774) alleen overig ziet den zwaren vierkanten hoektoren ten zuidwesten met nog een gering stuk van ’t oude gebouw; zijnde de twee andere, met de zaal, kapel en andere vertrekken, by Hendrik graaf van Nassau in het jaar 1535 en de derde by Willem den III, Prins van Oranje, in het jaar 1686 ter neder geworpen”. Inmiddels had prins Willem III die koning van Engeland en stadhouder der Nederlanden zou worden in 1682 nieuwe vestingwerken in Breda laten aanleggen en was ook begonnen met de voltooiing van het paleis, naar plannen van Jacob Roman, waardoor het kasteel van Breda het uiterlijk kreeg zoals het dat nu nog grotendeels heeft. Werd in 1686 de oude vleugel van het middeleeuwse kasteel met de grond gelijk gemaakt, twee jaar later begon de nieuwbouw; toen stond alleen nog de toren uit de middeleeuwen. Het nieuwe kasteel gebruikte Willem III als zomerresidentie en later ook als verblijf tussen zijn Engelse reizen in. Slotvoogd was toen Frederik van Nassau, een bastaardzoon van Frederik Hendrik.

Na Willems dood ontstond er een tientallen jaren durend geharrewar over de erfenis. Na tijdenlang onbewoond te zijn geweest, hield in 1766 Willem V zijn intocht in Breda; hij zou weer geregeld op het kasteel verblijf houden.

Met de inval der Fransen werd het kasteel van Breda eerst kazerne, later hospitaal. Keizer Napoleon gaf het kasteelpark aan de stad.

In 1816 kwam het kasteel aan de Oranjes terug. Een jaar later besloot koning Willem I er de Militaire Academie in onder te brengen. In 1826 werd opdracht gegeven de oude zgn. Deense toren met de daarbij gelegen gebouwen, het portaal en de kapel bij het kasteel af te breken, een aantal veranderingen aan te brengen aan het kasteelgebouw en twee nieuwe kapellen te bouwen. In de kelder van de zuidvleugel is nog een muurstuk van de middeleeuwse toren gespaard gebleven, maar dat is dan ook alles. Aan de westkant van de westvleugel werd een stuk bijgebouwd, waardoor een U-vorm werd verkregen.

De open hal onder de grote zaal werd dichtgemaakt, en in die zaal werd nog een verdieping aangebracht. Er kwamen ook overal nieuwe daken op nieuw opgetrokken muren. De hoektorens verloren hun spitsen. In de loop van de vorige eeuw werd er van alles bijgebouwd. De stallen en andere bijgebouwen van de academie buiten de gracht aan de kant van het stadspark Valkenberg zijn in 1883 grotendeels gesloopt. De onderbouw van een van de 17de eeuwse gevels werd overgebracht naar de binnenplaats van het „fragmentengebouw” van het Rijksmuseum.

In het begin van de 20ste eeuw werd het complex gerestaureerd. In 1948 volgde een nieuwe restauratie, waarbij verspreide gebouwen en niet passende aanbouwen werden afgebroken. Toen is op het bestrate voorplein ook een brede trap aangelegd.

Met uitzondering van de trappen en een overwelfde gang boven de galerij is alles binnen in het kasteel gemoderniseerd. In die gang zijn nog de monogrammen W.R. en M.R. te zien, voor Wilhelmus Rex en Maria Regina uit de tijd van de koning-stadhouder Willem III en Maria Stuart.

Bron: A.van Oirschot, Middeleeuwse kastelen van Noord-Brabant, 1981.