Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

Gepubliceerd op 20-10-2020

JAMIN

betekenis & definitie

C. Jamin, nu Oosterhoutse Zoetwarenfabriek (OZF) bv te Oosterhout, is ruim een eeuw lang de bekendste koekjes- en snoepgoedfirma van Nederland geweest, waar 2000 mannen en vrouwen werk vonden.

Het bedrijf had in leper een fabriek voor Belgische bonbons, had verkoopkantoren in Kobe, Japan, in het Duitse Neuss-Norf en in Tourcoing, Frankrijk, en exporteerde naar meer dan veertig landen, terwijl het voor talrijke importeurs, grossiers en winkelbedrijven artikelen produceerde en verpakte onder gewenste eigen merknaam. In ons land beschikte de firma over 246 eigen winkels.Begin 1985 werd het faillissement over de firma uitgesproken. De fabriek in Oosterhout werd afgeslankt. Vier pijlers van het bedrijf werden behouden: de bakkerij, de ijsfabriek, de suikerwerk- en de chocoladeafdeling. Jamin werd in twee afzonderlijke bv’s voortgezet: de Oosterhoutse Zoetwarenfabriek (OZF) bv, eigenaar Wijlaars Participatie Management te Den Bosch, en het winkelbedrijf Oosterhout bv. De aldus zelfstandig gemaakte winkelketen werd verkocht aan Staalbankiers, een onderdeel van het V. en D.-concern. Van de 246 winkels werden onmiddellijk 74 gesloten.

Volgens insiders is de ondergang van het oude Jamin te wijten aan een niet aan de tijd aangepaste bedrijfsvoering en aan het niet aanwezig zijn van een opvolger, toen de laatste Jamin, E. Jamin, in 1975 het bedrijf verliet èn aan de jaren heersende patriarchale sfeer in de onderneming, mede gedragen door vertrouwen in de bekende naam.

Cornelis Jamin (1850-1907) vestigde in Rotterdam een eenmansbedrijf voor banket, koek, chocolade en suikerwerken, dat binnen enkele tientallen jaren zou uitgroeien tot een grote onderneming, waarvan de naam tot ver over de grenzen bekend werd. De groei was mede te danken aan het idee, een keten van eigen winkels te smeden, waarin de fabrieksprodukten konden worden verkocht. De eerste winkel werd in Rotterdam in 1883 geopend, de 50ste volgde in 1907, het sterfjaar van C. Jamin. Tien jaar later bezat de firma al 100 winkels, in 1930 ’n 250.

Elke winkel kende een filiaalhoudster, een bezetting waarmee de leiding van het bedrijf haar tijd op het gebied van de emancipatie van cré vrouw vooruit was. Die dames werden niet alleen beoordeeld op haar uiterlijk en haar kwaliteiten, gelet werd ook op het gezin waaruit zij kwamen, belangrijker nog: wie van het gezin zij konden meebrengen in loondienst. Het was gebruikelijk dat zusters of dochters van filiaalhoudster in haar winkel verkoopsters werden. Zo’n gezin kreeg een bij de winkel behorende woning. Wel moest de hoofdpersoon het loon van de verkoopsters betalen, bovendien voor het onderhoud van de winkel zorgen, ja de schoonmaakartikelen daarvoor uit eigen portemonnaie bekostigen. De winkels stonden onder toezicht van een rayonleider, die in het begin van de uitbreiding controleur heette.

Boven hem stonden hoofdcontroleurs. Rond 1925 bestond er nog geen beloningssysteem, wel voor elke winkel een soort omzetgrens. Wie boven de grens kwam kreeg een extra beloning, wie het gestelde omzetbedrag niet haalde, kreeg een boete.

Een instructie voor filiaalhoudsters uit 1928 luidt: ,,De Filiaalhoudsters moeten zorgen dat zij er in den winkel altijd goed gekleed en proper uitzien en zorgen steeds een wit schortje voor te hebben. Het haar dient opgemaakt te zijn voor de winkel opengaat. Met loshangend haar mogen meisjes niet in den winkel helpen. Het filiaal mag nimmer onbeheerd staan en er dient steeds een der filiaalhoudsters aanwezig te zijn. Bij goed weer hoort de buitendeur open te staan. De filiaalhoudsters moeten zich steeds aan de voorschriften der Heeren Controleurs houden, zijnde deze de vertegenwoordigers der Firma.” Vanzelfsprekend is er nadien veel veranderd.

Na de oorlog maakte in vele winkels bediening plaats voor zelfbediening. De oorspronkelijk houten winkels werden „groene”, daarna „rode”, vervolgens weer houten. Waren de Jaminfilialen vroeger de volkswinkels op de hoek, later kwamen zij te liggen tussen de supermarkten en de banketbakkerijen.

Wat het productiecentrum betreft, nadat de in 1908 gebouwde grote fabriek in Rotterdam, de Zuid-Hollandse Stoomfabriek van Banket, Koek, Chocolade en Suikerwerken te klein was geworden, verhuisde de firma naar Oosterhout, waar de grote nederzetting van 1967 dateert. W. A. Wijlaars, die nu eigenaar is van de fabrieken, bezit ook de oud-Nutricia dochter Spijer, Van der Vijver en Zwanenburg in Etten-Leur, die zich bezig houdt met de afzet van groenten en fruit. Bovendien zijn in zijn bezit Sprangers Diepvries in Dongen, Groenhoven in Zwolle en het uien verwerkend bedrijf Onion Specialities Holland in Sint Maartensdijk. Bronnen: Weekblad De Tijd, 3. 5. 1985; Dagblad De Stem, 26. 3. 1983; Nationale Personeelgids, 11. 5. 1985 en Archief C. Jamin.