Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

Gepubliceerd op 20-10-2020

DIALECT

betekenis & definitie

Evenals andere dialecten is ook het Brabants bezig te verdwijnen ten koste van de cultuurtaal. Omgekeerd evenredig met het gebruik van dialecten is de (wetenschappelijke) interesse ervoor: juist in de laatste jaren is er sprake van een enorme groei in de bestudering van diverse dialecten, ook van het Brabants.

Voor de bestudering van het Noordbrabantse dialect is het niet alleen van belang de specifieke klanken en vormen (afwijkend van de cultuurtaal) op te sporen, maar tevens de interne taalstructuur te onderzoeken, dat wil zeggen: de begrippen- en inhoudenwereld. Deze geeft namelijk het best het wereldbeeld: de levenswijze en het verleden van het volk aan. Ter illustratie: het Oostnoordbrabants kent in tegenstelling tot andere Nederlandse dialecten slechts één woord voor „mens” en „man”, namelijk „mens” of „mins” („mene mins”, „der kumt ene mins en een vrouw”). Hieruit blijkt de superioriteit van de man boven de vrouw.

Wat betreft de specifieke klanken en vormen kunnen we als belangrijkste kenmerken van het Noordbrabants (hoewel soms ook voorkomend in andere dialecten) onderscheiden:

1. diftongering (klinker wordt tweeklank), („mienekes” = lammetjes).
2. Gebruik van k in verkleinwoorden („durske” = meisje).
3. Afwijkende vormen in het persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon („gullie, gillie, gellie, ullie” in plaats van , jullie”; „gij, ge” en ,,-de, -te” in plaats van , jij ”, bijvoorbeeld: „da ge bedaankt zijt, da witte”).

Drie groepen van dialecten in Noord-Brabant voldoen niet aan bovengenoemde kenmerken: Budels (gesproken in Budel en omgeving), Cuijks (gesproken in het Land van Cuijk en in Grave) en Westhoeks (gesproken in Willemstad, Klundert, Fijnaart en Dinteloord). De oorzaken daarvoor zijn historisch en geografisch van aard: Budel en omgeving heeft altijd veel (economische) betrekkingen met Limburg en met Aken gehad doordat deze streek door grote heidegebieden van de rest van Brabant gescheiden was; het Land van Cuijk was door de Peel (vroeger een enorm moeras) van de rest van Brabant gescheiden en de Westhoekse dorpen zijn tamelijk laat ingedijkt (pas in de 16e eeuw) waardoor ze overwegend invloed hebben ondergaan van het protestantse noorden.

Naast bovenvermelde kenmerken zien we nog twee belangrijke aspecten in de verschillende Noordbrabantse dialecten, namelijk de i-umlaut (het verschijnsel dat de klinker van de stamlettergreep onder invloed van een i of j in de volgende lettergreep de articulatieplaats wijzigde in de richting van de i) en de klinkerverkorting. De umlauten zijn afkomstig uit Duitsland, nu is de neiging tot umlaut afnemend naarmate men verder van de Duitse grens verwijderd is, met andere woorden: in het oosten van Noord-Brabant treft men veel umlautsgevallen aan, in het westen weinig en de overgang tussen beide gebieden is zeer geleidelijk. Ter illustratie: umlaut van de oude lange a = „gêf” (gaaf), umlaut van de oe: „we lusse ze gruun” (we durven ze aan), umlaut van de oo: „geleuve” (geloven).

Ook de klinkerverkorting komt in het oosten van Noord-Brabant (met uitzondering van Cuyk en Budel) vaak voor, terwijl het westen de lange vorm heeft. Voorbeelden: „start, stert” (staart), „torre” (toren), „hummel, hemmel” (hemel), „wotter, watter” (water), „mirre” (uur).

Deze tegenstelling Oost-West komt ook tot uiting in de fonologie: de h ontbreekt als foneem in het westen, maar is in het oosten wel aanwezig; de uitspraak van de korte ŏ maakt in het westen geen verschil, in het oosten daarentegen maakt men onderscheid tussen een open korte 6 en een gesloten korte ö (bijvoorbeeld: „klók” = „kloek” en „klók” = „klok”). Ditzelfde geldt voor de e. Het oosten kent ten gevolge van de umlaut wèl de fonemen ü („putje” = „potje”) en korte êû („êürken” = „oortje”), terwijl deze in het westen ontbreken. Door bovengenoemde klinkerverkortingen heeft het oosten veel meer fonemen dan het westen.

Op grond van het bovengenoemde kunnen we het Noordbrabants niet als een eenheid beschouwen; we moeten spreken van het Westnoordbrabantse en het Oostnoordbrabantse dialect. De Middennoordbrabantse dialecten vertonen onderling veel overeenkomsten, maar zijn desondanks te beschouwen als varianten op het Oostnoordbrabants.

Er zijn nauwelijks of geen specifieke Noordbrabantse taaleigenaardigheden die én alleen én overal in Noord-Brabant voorkomen.

Voor zover bekend werd het Noordbrabants dialect het eerst iets uitgebreider in 1776 genoteerd, wat later verwerkt in het Woordenboek van de Nederlandse Taal. In 1799 brengt Hanewinkel verschillende Brabantse woorden naar voren, zoals „katijng” voor ellendig en „aves” voor verkeerd; in een dialectenschets uit 1829 zijn de woorden als „vaijer” voor vader, „heure” voor horen en „keijer” voor kinderen, die een rol spelen, en in 1836: „(be)stuiten” voor prijzen, „reep” voor hoepel en „touteren” voor schommelen. Het Bredaas en Meijerijs werden steeds meer gevolgd, en vooral na 1900 komen er meer studies, dialecten-enquêtes en ook plaatselijke en gewestelijke onderzoeken.

Van het oude dialect is intussen veel verdwenen, maar toch zijn er nog vele vertrouwde namen, die de Brabanders aan alle mogelijke gebeurtenissen en dingen gaven, bewaard en in gebruik gebleven. Men spreekt nog van „Sintjansbizzeme” voor bosbessen, van „schop” voor een losstaande schuur, van „de moor” voor waterketel, van „griessel” voor hark en men kent nog oude landmaten bij de boeren, zoals „Leupese”, „bunder” en „merge” (morgen). Er zijn Keltische, Germaanse en Frankische invloeden in ontdekt, en ook het Frans speelt hier en daar een rol, zoals in verschillende Tilburgse woorden, zoals „avezeerplenkske” voor step. En ’t „fokkedeert nie”, en in „astrant” voor brutaal. In de literatuur heeft het Noordbrabants dialect geen grote rol gespeeld, met uitzonderingen in werken van Marie Gijsen, van A. M. de Jong in de serie „Merijntje Gijzens Jeugd” en van Antoon Coolen, met o.a. zijn „Peelwerkers”; „Kinderen van ons volk” en „De Goede Moordenaar”.

In de gedichten en verzen werd het Brabants vooral gebruikt door Stemeberg, Piet Heerkens en Lodewijk van Woensel. In de zeventiger jaren ontstond er een hausse in Brabantse liedjes in de volkstaal, zoals in die van Gerard van Maasakkers en Ad de Laat, die evenals vele andere ook op platen werden uitgebracht.

Bron: Anton van Oirschot: Land van de Brabanders; dr. A. Weynen: dialecten van Brabant.