Encyclopedie van Friesland

Prof. Dr. J.H. Brouwer (1958)

Gepubliceerd op 22-01-2020

VOLKSKUNST

betekenis & definitie

Kan men spreken van een Fr. V. ? Is het niet veeleer zo, dat er algemeen Europese, ja misschien zelfs wel Euraziatische V. is, waarvan de Fr. een onderdeel uitmaakt, terwijl vormen en motieven gelijk of bijna gelijk zijn aan die, welke men elders aantreft?

Tot zekere hoogte is dit volkomen juist en is het chauvinistisch te spreken van Fr. V. Het wezen van deze kunst is internationaal en hoogstens onderhevig geweest aan bepaalde lokale invloeden, die er dan een speciaal karakter aan gegeven hebben. In tegenstelling tot Kunst met een grote K, de uiting van individuele schoonheidsbehoefte, die bepaald wordt door esthetische normen, die sterk aan ‘mode’ onderhevig zijn, maakt bij de V. het persoonlijke plaats voor het traditionele en schept de kunstenaar iets, dat aanvaard wordt door de gemeenschap, waarin hij leeft en werkt. De oorsprong van de V. op te sporen is uiterst moeilijk.

Men kan aannemen, dat bepaalde vormen en versieringsmotieven zeer oud zijn. Motieven uit het begin onzer jaartelling tonen treffende overeenkomst met die van bijv. Fr. keeftkasten: het eenvoudige geometrische ornament komt reeds voor op Romeins aardewerk en bepaalde toverknopen zijn uit VoorIndië bekend. De opgejaagde primitieve mens vond rust als bepaalde dingen herhaaldelijk goed af liepen. Herhaling brengt rust, regelmaat wordt systeem, een harnas tegen de chaos. Hierop berust het gebruik van het geometrisch ornament; het is symbool van het constante, het eeuwige.

Om iets dat vergankelijk is te beschermen, worden eeuwigheidssymbolen aangebracht, bijv. op aardewerk. Daarnaast speelt de natuur een grote rol. Bomen, bloemen en vogels treft men als versieringsmotieven aan, maar nooit naturalistisch, doch steeds als symbool, dikwijls symmetrisch ten opzichte van een verticale as geplaatst, wat een zeker gericht zijn naar boven uitdrukt. Toch herkent men bijna altijd een produkt van Fr. oorsprong; een eigen karakter valt niet te ontkennen. De afzonderlijke ligging van Frl., afwezigheid van steden met overheersende invloed hebben een agrarische levensstijl ontwikkeld, die ook in de V. zich uit. Eigen taal, wetten en gebruiken hebben dit bevorderd.

De volkskunstenaar, de ‘nifeler’, werkt uit ingeboren scheppingsdrang. Zijn werktuigen zijn gewoonlijk primitief: zakmes, guts, schaar, soms verfkwast. Hij werkt niet voor een ‘markt’, maar voor eigen genoegen. Namen uit vroeger tijden zijn niet bekend. Veel werk: mesheften, pijperoders, mangelplanken, mastplanken, pijpekoppen, stoven, knipwerk vindt men in museums.

Ook zijn er nog ‘nifelers’, geregistreerd door de Foriening foar Fr. Folkskunst. Nog leven o.a. Hendrik v. d. Wal te Oudega (Smallingerland), de schaarkunstenaar, en Jan Hylkema te Luinjeberd, de beensnijder, r Ambachtskunst, Geluksvogel, Hindeloopen, Houtsnijden, Ikelbeam, Kerkstoof, Levensboom, Mangelplank, Merklap, Noordelijk Scheppend Ambacht, Uilebord, Zinnebeelden.

Zie: N. Ottema, Het Kunstambacht en de V. in Frl. (Amsterdam 1942); G. J. A. Bouma, J. J.

M. Vegter en A. Wassenbergh, Fr. Folkskinst (1946); Frl. toen, nu en straks (1952), 301-305; Repert., 359-360.