Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

Gepubliceerd op 22-01-2020

KOE

betekenis & definitie

(Fr.: kou). Natuurlijk komt in Frl. met zijn oude veehouderij de K. in het spraakgebruik veel voor. ‘In kousiten’ (fsT.s-eten) was wat één K. in de winter opat (vier k vijf wagens hooi).

Hoe nuttig de K. ook was, het beest was dom. Het was niet goed altijd ‘efter de kousgatten’ (achter het achtereind van een K.) te zitten of hetzelfde ‘kouwepaedtsje’ (pad waarlangs de K.en in de wei lopen) te gaan.

Vroeger, toen de K.en naar de markt gedreven werden, was de ‘koudriuwer’ (veedrijver) een bekende figuur. De ‘kouwekapper’ knapte oude K.en op, om ze jong te doen schijnen.

Tt is de kou forgetten, dat se keal west hat’ (de K. denkt er niet meer aan dat ze eenmaal een kalf was). Het madeliefje heet in Frl. o.a. ‘kouweblomke’, de rode klaver ‘kouweklaver’. zie Koegang, Koemelker, Rund, Ús Mem.