Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

Gepubliceerd op 22-01-2020

2020-01-22

KLOOSTER

betekenis & definitie

Gemeenschappelijke woonplaats van mannen of vrouwen (afgezien van enkele dubbel-üf.x), die zich bij gelofte hebben verbonden tot dienst aan God volgens de regel van hun orde of congregatie. Hoewel het K.-wezen al voor 400 ontstaan is en de kerstening het werk was van monniken (benedictijnen), had Frl. voor 1100 maar één echt K.: Foswerd.

Daarna groeide het aantal K.s, maar ca. 1580 zijn alle verdwenen. De inw. kregen pensioen (mits ze zwegen) of weken uit; slechts enkelen traden in dienst der herv. kerk of oefenden in het geheim r.k. zielzorg uit.Omtrent de economische betekenis der K.s geven slechts enkele rekenboeken uit de 16de eeuw een indruk (van hun landbouwbedrijf). Kerkelijk waren vooral de K.s der augustijner koorheren, de norbertijnen en der bedelorden van belang, zie Haskerconvent. Cultureel stonden de K.s open voor invloeden van buiten: kunst, wetenschappelijke tradities; ze leverden ook de geschiedschrijvers. Later, toen veel vreemdelingen intraden, verbreidden ze het Nederlands.

Gesticht Opgeheven

m. vr. m. vr.

tot IIOO 1

1100-1150 1
1151-1200 8 4
1201-1250 4 3
1251-1300 2 3 2
1301-1350 2 1
1351-1400 1
1401-1450 3
1451-1500 5 7 1 1
1501-1550 1 2 2
1551-1569 1 1 1
1570 3
1572-1580 20 20
1581-1593 1 1

onbekend 2 11 1 6 Bij de opheffing der K.s is veel vernield dat over hun geschiedenis en cultuur had kunnen inlichten. De meeste gebouwen verdwenen spoedig; van de inventaris, ook de boeken, bleef zelden iets over (koorbânken en orgeltje te Bolsward, enkele stadskerken, wat handschriften). Na de grondwet van 1848 zijn in Frl. 21 K.s gesticht

m. vr.
1850-1875 .... 4
1876-1900 .... 3
1901-1925 .... I 3
1926-1950 .... 1 7

I95I-I957 .... 2 D K.s worden alle op hun trefwoord behandeld.

Kloostergoed. Goederen in de M.E. door schenkingen aan de K.s gekomen in een omvang die niet voor elk K. na te gaan is (Bloemkamp had 1514 3425 pondemaat, Sion bij Nijwier 1725; in Leeuwarderadeel was toen 25 pct. van de grond K.-goed). Een deel werd verpacht, het ‘corpus’ door het K. zelf geëxploiteerd. Ook de bedelorden bezaten iets.

De goederen van enkele K.s kwamen 1570 aan het bisdom Lwd., 1579-80 aan het gewest. De Statenresolutie van 30.3.1580 gelastte het overige K.-goed te seculariseren door overeenkomsten met de conventualen, waarmee al was begonnen. Daardoor kwam het goed der land-K.s meest aan het gewest, dat de grootste landeigenaar van Frl. werd; het leverde in 1600 f 106 702 op, voor oorlog, kerk en onderwijs. De zwaar op de Staten drukkende Unielasten dwongen tot verkoop, vooral 1638-40. Zo kwam het K.goed, land met boerderijen, de K.plaatsen, meest in handen van de adelen andere grootgrondbezitters. De goederen der stads-7C.s en enkele andere werden door de stadsbesturen gebruikt voor kerk, gasthuizen, onderwijs e.d.

Zie: L. J. van Apeldoorn, De kerkelijke goederen in Frl. (1915), 369-472.

Kloosterhervorming (observantiebeweging). Terugkeer tot strenge regels en gebruiken in de 15 de eeuw. Nodig geworden door de invoering van dispensaties en niet K.-lijke gewoonten.

De beweging sloot aan op het werk van Ruusbroec en Geert Grote, en begon onder de augustijner koorheren (stichting van Windesheim, 1386; van Thabor, 1406; hervorming van Ludingakerk en Bergum, 1429; Haskerconvent, 1465), werkte door onder de franciscanen (Bolsward, 1474), dominicanen (uitgaande van Rotterdam, 1444; Lwd., 1476), karmelieten (Woudsend, 1479) en benedictijnen (uitgaande van Bursfeld, een stichting van Heinric van Nordheim; Hemelum, 1495; Foswerd, 1551). Bloemkamp hervormde op eigen gelegenheid (1424), o.a. door de conversen uit te laten sterven; Nijeklooster volgde (1436).

Kloosterlijsten. Na ca. 1200 van enige kanten aangelegd. Geven soms aanwijzingen over weinig bekende K.s.

Zie: B. x (1948), 136-139.

Kloosterorde. Vereniging met bindende regels. In de oude, landbouwende orden (zie benedictijnen, cisterciënzers, augustijner koorheren, norbertijnen) staan de abdijen op zich zelf; in de jongere (bedelorden, kruisbroeders) is de orde een algemene broederschap met centralisatie van het bestuur bij algemene en provinciale oversten. Na 1215 mogen geen nieuwe orden meer worden opgericht, maar het genootschap van Jezus (jezuïeten) en de vele missiecongregaties hebben toch het karakter van een sterk georganiseerde orde. Voormalige en tegenwoordige kloosters in Friesland. Voormalige kloosters in de grietenijen: Ferwerderadeel: 1. Mariëngaarde; 2.

Foswerd, bij Ferwerd; 3. Genezareth-Gamewerth. Oostdongeradeel: 4. Sion, bij Nijwier; 5. Templum Domini, Weerd of Waard bij Morra. Barraded: 6.

Mariëndal Lidlum; 7. Bethanië, Tjummarum. Franekcradeel: 8. Ludingakerke; 9. Achlum; 10. Maria-Magdalenaklooster,Tsjum.Menaldumadeel: 11.

Mariënberg, Aengum of Anjum; 12. Berlikum; 13. Franjum. Leeuwarden: 14. Fiswerd; 15. Galilea.

Tiet jer kst eroded: 16. Bethlehem, Oudkerk; 17. Bergum; 18. Barraconvent Bergklooster; 19. Sinai', Siegerswolde. Dantumadeel: 20.

Klaarkamp, bij Rinsmnageest; 21. O.L. Vrouw ten Berge of Sionsberg. Kollumerland: 22. Olijfberg, Veenklooster; 23. Galilea, bij Burum; Wonseradeel: 24.

Oegeklooster; 25. Oldeklooster of Bloemkamp; 26. Vinea Domini, bij Pingjum; 27. Makkum. Baarderadeel: 28. St.

Michaëlsberg, Monnikebajum; 29. Westerwird, tussen Beers en Jorwerd. Smallingerland: 30. Vlierbos; 31. Smalle Ee Smelna. Achtkarspelen: 32.

Buweklooster, Maria’s graf; 33. Gerkesklooster, Jerusalem; Wymbritseradeel; 34. Thabor; 35. Nijeklooster of Aula Dei, Schamegoutum; 36. Groene Dijk, bij Sneek; 37. Nazareth, Idsega; 38.

Woudsend. Rauwerderhem: 39. Engwird, bij Rauwerd. Sneek: 40. Sint Jansberg. Utingeradeel: 41.

H. Maria in Bethlehem, Aelsum, bij Oude Schouw; 42. Nes, bij Akkrum. Opsterland: 43. Mariënhof, Bakkeveen. Workum Heidenschap: 44.

Kartuizers. Hemelumer Oldeferd: 45. St. Nicolaas, Hemelum. Haskerland: 46. Haskerconvent, Maria’s Rozendal.

Engwirden: 47. Luinjeberd, Steenkerk of Mariënbos. Ameland: 48. Foswerd, bij Nes. Griend: 49. Kloosterschool van Mariëngaarde.

Schiermonnikoog: 50. Uithof van Klaarkamp. Schoterland: 51. Oudeschoot. Voormalige kloosters in de steden: Leeuwarden: 52. Predikheren of Dominicanen; 53.

Minderbroeders of Galileaklooster (15); 54. St. Catharina of Witte Nonnenklooster; 55. St. Anna of Grauwe Bagijnenklooster (Fiswerd, 14). Dokkum: 56.

St. Bonifatius. Francker: 57. Jerusalem, Kruisbroeders. Bolsward: 58. Proostdij ’t Zand (eertijds te Pingjum, 26); 59.

Minderbroederklooster; 60. H. Geestklooster.Sneek: 61. KruisbroedersIdooster; 62. Grauwe Bagijnen. Ijlst: 63.

Karmelieten en of O.L.Vr. broeders. Sloten: 64. Augustijner Eremieten. Workum: 65. Mariënakker;

66. Hospitaal Grauwe Bagijnen. Staveren: 67. St. Odulfus (later naar Hemelum, 45); 68. Reg. Kan. St. Augustinus.

Thans bestaande kloosters en andere religieuze vestigingen: Witmarsum: a. Augustijnen-Eremieten. Drachten: b. Franciscanen, met uithoven: b1. Oosterwolde, b. Gorredijk, b3.

Bergum, b4. St-Jacobi Parochie. Leeuwarden: c. Franciscanessen van Bennebroek; d. Franciscanessen van Munster; e. Zusters van Liefde.

Francker: f. Franciscanessen van Bennebroek. Harlingen: g. Zusters van St. Jozef.Sneek: h. Gezelschap van Jezus, Maria, Jozef; i.

Zusters van Carolus Borromeus. Bolsward: j. Franciscanessen van Bennebroek. Workum: k. Gezelschap van Jezus, Maria, Jozef. Rijs: 1.

Dochters van O.L. Vrouw. Bakhuizen: m. Zusters van Carolus Borromeus. Blauwhuis: n. Arme Zusters van het Goddelijk Kind.

St. Nicolaasga: o. Zusters van O.L. Vrouw. Joure: p. Zusters van St.

Jozef. Heerenveen: q. Franciscanessen van Denekamp. Wolvega: r. Zusters van St. Jozef.

Oosterwolde: s. Franciscanessen van de H. Familie. Drachten: t. Ongeschoeide Karmelietessen; u. Kleine Zusters van St.

Jozef. Naar de levensstijl onderscheidt men orden van clerici (jezuïeten, missiecongregaties) en kanunniken (augustijner koorheren, norbertijnen, kruisbroeders) enerzijds, van monniken (benedictijnen, cisterciënzers) en mendicanten (bedelorden) anderzijds; verder zijn er de kluizenaars (kartuizers). Vele orden zijn mengvormen (dominicanen, augustijnen). Naar het doel kan men de orden indelen in overwegend beschouwende (benedictijnen en cisterciënzers met hun vrouwelijke takken, kartuizers, norbertinessen, regularissen, de tweede orden der bedelorden), overwegend actieve (hospitaalridders, Duitse orde, broeders van het gemene leven) en gemengde (norbertijnen, bedelorden, tertiarissen). Al deze orden waren in de M.E. in Frl. vertegenwoordigd.

Na de invoering van de hervorming bleven van sommige orden afzonderlijke leden werkzaam; weldra kwamen als missionarissen jezuïeten, franciscanen, dominicanen en kapucijnen, maar tot de stichting van een K. kwam het pas met de komst van de augustijnen in Witmarsum (1903), gevolgd door de franciscanen in Drachten (1933).

Zuster-K.s waren er al meer en eerder. Een ervan (karmelietessen Drachten, 1936) is alleen beschouwend; de andere wijden zich aan onderwijs, ziekenverpleging en verzorging van bejaarden. Ze behoren tot diverse congregaties, soms rechtstreeks aan de paus, soms aan een bisschop onderworpen. Vele ervan kunnen gerekend worden tot de franciscanessen, d.w.z. hun regel is gebaseerd op de derde regel van Franciscus, nl. de religieuzen, penitenten of franciscanessen van Bennebroek (gesticht te Rotterdam, 1847, moederhuis te Bennebroek 1920), gevestigd te Bolsward (1850), Lwd., Grote Kerkstraat (1851), Franeker (1853); Kongregation der Krankenschwestem zu Sankt Mauritz of franciscanessen van Munster te Lwd. (1850), St.-Bonifatiushospitaal (1883), Rijs (1927-41); kleine zusters van St.-Jozef (Heerlen 1872) te Drachten (1943); franciscanessen van de heilige martelaar Georgius (Thuine/Eemsland, 1857, naar Denekamp, 1875) te Heerenveen (1951); franciscanessen van de Heilige Familie (Eupen, 1857, provincialaat te Nijmegen) te Oosterwolde (1957)De verdere congregaties vertonen onderling groter verschillen; het zijn: de zusters van liefde (Tilburg, 1832) te Lwd., Amelandshuis (1860); gezelschap van Jezus, Maria en Jozef (Amersfoort, 1822, naar Den Bosch, 1S71) te Sneek, Leeuwarderdijk (1881), Workum (1887); barmhartige zusters van St.-Carolus Borromeus (Nancy, 1652, noviciaat in Den Bosch) te Sneek, ziekenhuis (1903), Bakhuizen (1939); arme zusters van het Goddelijk Kind (Amsterdam, 1852) te Blauwhuis (1904); zusters van St.-Jozef (Amersfoort 1841, ’78) te Harlingen (1915), Joure (1929) en Wolvega (1934), zusters van Onze Lieve Vrouw (Amersfoort, 1822) te Sint Nicolaasga (1931); dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart (Issoudun, Frankrijk, 1882, hoofdklooster voor Nederland te Tilburg) te Rijs in het kinderkoloniehuis ‘Mooi Gaasterland’(1947).

Kloosterplaatsen, zie Kloostergoed.

Kloosterzegels. Van verschillende Fr. K.s zijn zegelstempels en -afdrukken bewaard, van belang voor de heraldiek, evenzeer voor profane, kerk- en kunstgeschiedenis. In W. A. Beelaerts van Blokland e.a., Ned. K.-zegels voor 1600 (1935 e.v.) zijn tot nog toe zegels van Bloemkamp, Bolsward, Dokkum, Foswerd, Gerkesklooster, Hemelum, Klaarkamp, Lidlum, Mariëngaard, Nijeklooster, Smalle Ee en Staveren afgebeeld. zie Kerkzegel.