Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

Gepubliceerd op 22-01-2020

HEILIGE

betekenis & definitie

In de r.k. kerk een met bijzondere deugden begenadigd persoon, van wie mede op grond van wonderen wordt verklaard dat hij in de hemel is. Bij een ‘gelukzalige’ staat dit minder vast.

Wat Frl. betreft gelden als heilig: de bisschoppen Willibrord, Bonifatius, Liudger en Frederik, verder Odulf; als gelukzalig de norbertijner abten Frederik en Siard (overleden 123o) van Mariëngaard, Eelke Liaukama van Lidlum, de kluizenaar Doda, de cisterciënzer abten Eiso (overleden 1191) en Gerbrand (overleden 1218) van Klaarkamp, Tethard (overleden 1200), stichter van Bloemkamp, enUlbod (overleden 1240), stichter van Nijeklooster. Doordat ca. 1200 de toelating tot plaatselijke verering aan de bisschop kwam en in 1625 aan de paus, zijn er geen Fr. H.n uit later tijd. Omtrent Titus Brandsma is het daartoe voorgeschreven onderzoek gaande.

Zie: J. Kronenburg, Neerlands H.n in de M.E., 4 dln. (Amsterdam 1898-1904).

Heiligenverering. Eerbetuiging aan de ‘voorouders in het geloof’, al in de oude kerk samengaand met een verzoek om bijstand, ontwikkelde zich sterk in de M.E. Men eerde de H. door zijn sterfdag (d.i. geboortedag in de hemel) te herdenken (daaruit bedevaart, jaarmarkt of kermis), door hem tot patroon van een kerk, altaar of klok te maken (zie Patrocinium), door zijn naam te dragen, door zijn leven met legenden te versieren. Om bijstand wendde men zich eerder tot een menselijke H. dan tot de verre God. In Frl. waren vooral Maria, Martinus (St. Maarten), Petrus (St.

Pieter), Nicolaas en St. Jan hoog in aanzien; in mindere mate ook .Michaël, Gertrudis, Vitus, Jacobus, Willibrord en Bonifatius. Onder de mantel van de H. school soms een heidense godheid en heidens ritueel werd in de ff.«-verering opgenomen. Ook leidde de ff.«verering tot misbruik; zij werd door de hervormers afgeschaft, maar onder het volk bleef er nog lang veel van leven.

Zie: St.-Bonifatiusboek (Nijmegen 1927); S. J. v. d. Molen, Fr. kalenderfeesten (Den Haag 1942); J. Hoekstra, Vier Fr. kronieken (Amsterdam 1948).