Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

Gepubliceerd op 22-01-2020

2020-01-22

FRIES

betekenis & definitie

a. Stamnaam.

Er is gedacht aan verband met Oudfr. friste, fresle (krulhaar). Vgl.

Nieuwfr. frisselje (vlechten). De F.en zouden dan krulharigen gewees moeten zijn! zie Antropologie, Bevolking.b. Bouwkundige term: het verticale vlak in een hoofdgestel tussen architraaf en kroonlijst, vaak versierd met schilder- of beeldhouwwerk. Het Franse grondwoord frise (krul) is van Germaanse oorsprong (zo misschien verband met a.).
c. Wollen stof. Grover, dikker, langer van haar, sterker gevold dan laken, bijv. blauw-, rood- en jicht-F.