Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

Gepubliceerd op 22-01-2020

2020-01-22

AARDAPPEL

betekenis & definitie

De A .-teelt begon in Frl. later dan in Zeeland, nl. ca. 1742, toen bleek dat de Fr. stadhoudersfamilie A.s kon verdragen. Zij breidde zich snel uit, ze bracht nl.: verbeterde vruchtwisseling, beperking van het braakland, verminderde armlastigheid (de arbeiders bouwden de A .s niet alleen voor eigen gebruik, maar ook in perceeltjebouw, voor de handel).

Aanvankelijk beschermde een invoerrecht de Fr. A. tegen de iets betere Zeeuwse, maar de Fr. late soorten bleken duurzamer, zodat zij weldra werden uitgevoerd naar Holland, naar Duitsland, na 1840 naar Engeland.Na 1800 was de A. met de rogge het meest verbouwde gewas. Drie maal ondervond de teelt moeilijkheden, nl.

a. door kwaliteitsdaling in de 20-er jaren der 19de eeuw; dit heeft zich hersteld tussen 1833 en 1842;
b. door de A.-ziekte na 1845, toen deze hardnekkige kwaal het gewas voor ’t eerst teisterde. Hongersnood was het gevolg. D. M. Buursma, lidmaat van de Chr. afgesch. gem. te Ferwerd, schreef enkele ‘Liederen op de tegenwoordige droevige en drukkende omstandigheden’ en betoogt dat ‘de Heere, naar Zijn Regtvaardig oordeel, ons Nederland heeft bezocht met de roede Zijner verbolgenheid: om des volks zware en hemeltergende zonde’. Maar velen berustten niet, vooral niet, daar de A., het schaarse volksvoedsel, nog wel uitgevoerd werd. Op 25.6.1847 barstten oproeren los, vooral in Lwd. en Harlingen; bakkerswinkels werden geplunderd, militairen moesten ingrijpen (vgl. Wumkes, Kroniek 11, 220; Paden iv, 501). Poters van elders, o.a. Munstersen, Zeeuwse jammen, Hallumer gele, bleken ’t best tegen de ziekte bestand. Door deze te gebruiken is men de A.-ziekte te boven gekomen;
c. door de in 1941 voor ’t eerst optredende A.-moeheid. Deze ontstaat als het A-cystenaaltje de wortels aantast. De planten blijven dan pleksgewijs achter en sterven. Tot nog toe is de kwaal alleen door ruime vruchtwisseling te bestrijden. Door de intensiviteit van de Fr. A.teelt sloeg de A.-moeheid in 1941 hard toe. Sedert 1949 regelt het ‘Besluit bestrijding A.-moeheid’ de verbouw: op besmet verklaarde grond is de teelt van A.s, tomaten en van al wat met aanhangende grond gedistribueerd wordt (bloembollen, stekbieten e.d.) verboden. Elders mogen hoogstens eens in de drie jaar A.s of tomaten worden verbouwd. Worden de A.s in juli gerooid, dan is hiervan ontheffing mogelijk en mag men om ’t jaar A.s telen, zo o.a. bij de eerstelingenteelt in en om Berlikum. Gevolg: in 1948 in Frl. i2 20oha4l.s, in 1956 6800 ha. De gardeniers werden in hun broodwinning bedreigd. De Fr. ‘Commissie tot bestrijding van de sociaal-economische' gevolgen van de toepassing van de wet Bestrijding A.-moeheid’ tracht in deze nood te voorzien door: teelt van grove tuinbouwgewassen, aanleg van kunstweide, uitbreiding van de veestapel, pachten van grond in de N.O.-polder en het saneren van daardoor vrijkomende gronden. Uiteraard was de verbouw van consumptie-A. eerst hoofdzaak, maar de hele 19de eeuw door teelde men ook poot-A. Als na 1870 rogge, koolzaad en boekweit teruggelopen zijn, en de A.-bouw weer de belangrijkste is, gaat men zich ook op de export van poters richten: eerst jammen en Hallumer gele. Vooral in N.W. Frl. (Het Bildt, Menaldumadeel, Lwd.) wordt het na W.O. 1 daarmee menens; na W.O. ii is de export bijna verdubbeld (zie Pootaardappel). Eveneens na 1870 begint op het zand de later weer afgenomen teelt van fabrieks- en voeder-A.s.

In de loop der jaren zijn diverse A .-rassen opgekomen en soms weer verdwenen. In de 19de eeuw bouwde men in de Wouden en in gardeniersbedrijven op de klei meest vroege A.s: muisjes, Pruisen, Pekelers, Schoterwitte, op de grote kleibedrijven met wisselend succes late soorten: Munstersen, jammen, Bommelse bruintjes, Hallumer- en botergele, Wierster zaaiers, roodkuiltjes. Sedert 1942 neemt op de klei Bintje ruim 50 pct. (Nederland 18 pct.) van het totaal in. Meester KL de Vries van Suameer kweekte dit ras in 1905, en noemde het naar een leerling Bintje (Jansma). Als consumptie-A. werd Bintje niet gewaardeerd, en verdween. In 1923 herkende J.

C. Dorst, toen consulent voor de plantenveredeling bij de Fr. Mij. van Landbouw in de zgn. Gelderse muis de verloren gewaande Bintje, die sedert als export-A. opgang maakt. In 1890 kweekte G. Veenhuizen te Sappemeer de Eigenheimer, die in Frl. evenmin succes had, maar J.

A. Bergstra, landbouwer te Beetgumermolen, herdoopte de A. in Borger Munsterse (Munsterse uit Borgercompagnie). Nu hadden Munstersen een goede naam, en zo won de Borger het pleit. Onder deze naam neemt hij in Frl. in 1956 12 pct. (Nederland 12 pct.) in. Verder worden verbouwd: Eerstelingen 6 pct., Alpha 6 pct., Furore 2 pct., Rode Ster 7 pct. De laatste handhaaft zich in Frl. om de goede consumptie-eigenschappen.

Op 't zand teelt men als exportpoters Voran en Record. In 1957 werden ca. 40 rassen voor de keuring aangegeven. De verdeling over de landbouwgebieden was in 1956: kleiweidestreek 999 ha., Wouden 1783 ha., veenweidestreek 150 ha, eilanden 50 ha, kleibouwstreek 5158 ha, in totaal 27,9 pct. van het bouwland. De handel in consumptiefs ligt meest in handen van dezelfde bedrijven als de handel in poot-A.s. De afdeling Frl. van de Vereniging ter behartiging van de Nederl. A.-handel (V.B.N.A.), opgericht 22.5.1947, had op 1.1.1957 234 leden, waaronder ca. 30 exporteurs en ver over de 100 groothandelaars. Zij behartigt hun commerciële belangen.