Encyclopedie van de Zaanstreek

Zaanse encyclopedie (1991)

Gepubliceerd op 02-10-2020

Krommeniedijk

betekenis & definitie

Klein dorp in de gemeente Zaanstad, deel van →Krommenie. Krommeniedijk bestaat feitelijk uit een lage dijk langs het voormalige Kromme IJ (→Crommenije).

De geschiedenis van Krommeniedijk is niet los te zien van die van Krommenie (en in deze encyclopedie deels daar behandeld). Het is niet bekend welke bewoningskem er eerder was. Volgens mr. D. →Vis is Krommenie het oudste dorp dat uit Westzaan ontstond, en kwam daarna Krommeniedijk uit Krommenie voort. Hij plaatst het jaar van ontstaan van Krommeniedijk in mogelijk 1357, het jaar dat het Crommenije door de “Nieuwendam werd afgesloten. Zekerheid ontbreekt echter.

Krommenie en Krommeniedijk hadden steeds veel met elkaar te maken. Kerkelijk waren beide dorpen één tot 1593. in welk jaar Krommeniedijk zich afscheidde. In 1729 echter werd de banne van Krommenie een ambachtsheerlijkheid en gekocht door Krommenie. Krommeniedijk wenste niet bij te dragen aan de koopsom van ƒ 25.000 en was sedertdien bestuurlijk ondergeschikt aan Krommenie. In 1816 volgde de samenvoeging met Krommenie.De naam Krommeniedijk is. volgens G.J “Boekenoogen. niet ouder dan de 18e eeuw. Eerder was de naam ‘Crommenieërdijk'. De oorsprong van de naam laat zich makkelijk raden; het dorp ontstond immers aan de dijk langs het Crommenije.

Journalist G →Visser. die het boekje 'Zeven eeuwen Krommeniedijk' schreef, noemde 1280 als het beginjaar van de geschiedenis van het dorp. In dat jaar werd op last van graaf Floris V de Westdijk opgeworpen, die het achterliggende land tegen het Crommenije beschermde. ‘Rond 1357 werd deze Westdijk onderdeel van een veel langere waterkering die de 'Nieuwe Dam' bij Krommenie verbond met de Knollendam bij het gelijknamige dorp. En het zal langs deze dijk zijn dat de eerste Krommeniedijkers zich vestigden' (Visser). In de visie van Visser strekte Krommeniedijk zich uit van de Ham tot de sloot de “Indijk. Oostelijk van de Indijk lag de buurtschap →Krommeniehorn. die bij de Durgsloot een haast haakse bocht maakte ('horn' betekent 'bocht'). De hom behoorde van oudsher bestuurlijk tot Krommenie.

In de late middeleeuwen was Krommeniedijk als bewoningskern belangrijker dan Krommenie. In 1494 woonden er tenminste 300 personen aan de dijk. De eerste exacte cijfers dateren overigens pas van 1743, toen Krommeniedijk 492 inwoners telde. Toen was Krommenie al belangrijk groter. De bevolking van Krommeniedijk nam toen al geruime tijd af. Die ontwikkeling bleef doorgaan.

In 1845 schreef Van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek dat het dorp vroeger een vrij aanzienlijk aantal huizen had gehad, maar inmiddels zeer was vervallen en slechts uit enkele boerenwoningen bestond. Pas in de 20e eeuw. en dan vooral na de Tweede Wereldoorlog, was er weer sprake van bevolkingsgroei, ofschoon de bebouwing zich nog altijd beperkt tot het deel direct langs de dijk.

Krommeniedijk heeft altijd betrekkelijk geïsoleerd in het Zaanse land gelegen. Mogelijk daardoor werd het dorp reeds vroeg een toevluchtsoord voor doopsgezinde vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden. Krommeniedijk was een der eerste doopsgezinde gemeenten in Noord-Holland. Reeds in 1534 werden 69 inwoners van wederdoperij beschuldigd. Zie: →Doopsgezinden 3.6.

De rooms katholieke kerk werd in de Spaanse tijd door de hervormden overgenomen. Deze kerk, de bij het dorp opgeworpen schans en het dorp werden in 1574 door Spaanse troepen geplunderd en verwoest. Omstreeks het jaar 1600 werd ten behoeve van de belastingen een lijst opgemaakt van de bezigheden van de werkzame mannen. Van de 113 geregistreerden voeren er 36 als bootsman, waren er 21 landwerkers, 13 spinners, 8 zeevarenden in huur, 8 linnenwevers. 4 vissers, 4 hellingmannen. 3 mandenmakers, 2 vogelvangers, 2 schoenmakers, 2 bakkers enzovoort. Krommeniedijk was veel meer dan Krommenie voor een belangrijk deel aangewezen op de scheepvaart en de landbouw. Landbouw bleef hier geruime tijd belangrijk.

Zie voorts: →Krommenie.

Literatuur: G. Visser, Zeven eeuwen Krommeniedijk, Krommenie 1980; R. Boeke, Krommeniedijk en haar kerk; A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, deel 6. Gorinchem 1845; D. Vis, De Zaanstreek, Leiden 1948; J Honig Jsz.

Jr., Geschiedenis der Zaanlanden deel 1, Zaandijk 1849; G.J. Boekenoogen, De Zaanse Volkstaal, Zaandijk 1971; S Hart. De personele quotisatie te Krommenie en Krommeniedijk zoals die in 1742 is vastgesteld, in: De Zaende 1950; D Vis. Ieder het zijne, in: De Zaende 1946.