Encyclopedie van de Zaanstreek

Eindredactie Jan Pieter Woudt & Klaas Woudt (1991)

Gepubliceerd op 02-10-2020

Krommenie

betekenis & definitie

Voormalige zelfstandige gemeente in het noorden van de Zaanstreek, per 1 januari 1974 opgegaan in Zaanstad. Na Zaandam in omvang de tweede gemeente van de streek.

De ➝ samenvoeging tot Zaanstad leidde in Krommenie tot veel protesten. Krommenie wenste deze met en bepleitte (samen met Assendelft) een gemeente Krommenie-Assendelft. De rijksoverheid besliste evenwel anders. Krommenie zelf is feitelijk ook een samenvoeging van een aantal woonkernen. Naast Krommenie behoren ook het (tot 1816 zelfstandige) ➝ Krommeniedijk en een deel van de buurtschap ➝ Busch en Dam tot het dorp.Krommeniedijk (waar de buurtschap ➝ Krommeniehorn deel van uitmaakt) was tot 1816 zelfstandig. Vanaf 1729 was die zelfstandigheid overigens beperkt. In dat jaar werd de banne van Krommenie een ambachtsheerlijkheid en door Krommenie gekocht. Krommeniedijk wenste niet bij te dragen aan de koopsom van ƒ 25.000, en was sedertdien feitelijk al ondergeschikt aan Krommenie.

Naam De naam Krommenie komt voor het eerst voor aan het einde van de 13e eeuw. Toen werd evenwel niet over het dorp gesproken, maar over het water ➝ Crommenije dat een verbinding vormde tussen het Wijkermeer en het Langmeer. De plaatsnaam Krommenie komt voor het eerst voor in het laatste kwart van de 14e eeuw. De naam is in de loop van de eeuwen op verschillende wijzen gespeld: Crommenye, Crommene. Crommennee. Crummene. De huidige spelling stamt uit de 19e eeuw.

Wapen Zoals de andere dorpen die (oorspronkelijk) deel uitmaakten van de banne van Westzaan. heeft Krommenie een wapen dat sterk lijkt op dat van de banne. Het bestaat uit vier zilveren leeuwen die op een veld van rood of zwart zijn geplaatst (de eerste en de vierde leeuw op een rood veld, de tweede en derde op een zwart). De vier leeuwen staan alle naar links gewend. Het dorpswapen is gelijk aan het wapen van de voormalige banne van Krommenie.

Bijnamen Destijds gebruikelijke bijnamen voor Krommenieërs waren koeketers en guiten. De bij-(of scheld-)naam guiten werd alleen door Assendelvers gebruikt. Dat deze naam, zoals wel is verondersteld, afstamt van een oudere bijnaam 'geuzen' (Assendelvers werden Spanjolen of Spanjaarden genoemd), is twijfelachtig.

Omvang, oppervlakte Krommenie ligt in het noordwesten van de Zaanstreek en grenst in het westen en het noorden aan Uitgeest (dat deels achter de Noorder- en Zuiderham ligt), in het oosten aan Wormerveer (achter de Nauernase Vaart) en in het zuiden aan Assendelft (achter spoorlijn en Provincialeweg). Krommeniedijk ligt noordelijk van Krommenie; Krommeniehorn verbindt Krommenie en Krommeniedijk. Naast de reeds genoemde uitbreiding van Krommenie met Krommeniedijk in 1816, kende Krommenie in 1965 een grenswijziging. Bij de aanleg van de spoorlijn in 1869 was de noordelijke kop van Assendelft van deze gemeente afgesneden. Krommenie meende dat zij dit gedeelte (Weiver en Spoorbuurt) beter kon beheren dan Assendelft. In 1894 werd deze gedachte door Gedeputeerde Staten overgenomen, een wetsvoorstel (minister Van Houten, 1895) werd echter ingetrokken.

In 1910, 1917, 1925 en 1936 beijverde Krommenie zich opnieuw voor de grenswijziging, de laatste maal meende men extra sterk te staan, doordat het gebied waar het om ging door de aanleg van de Provincialeweg nog meer een enclave was geworden. Uiteindelijk lukte het Krommenie, ondanks tegenstribbelen van Assendelft in 1965; per 1 juli van dat jaar werd het gebied ten noorden van de spoorlijn overgeheveld naar Krommenie. Door deze uitbreiding met een kleine 14 hectare kreeg Krommenie de huidige omvang van 426 hectare. Bevolking Krommeniedijk/Krommeniehorn was aanvankelijk als bewoningskern belangrijker dan Krommenie. Deze opmerking is echter niet met cijfers te staven. De eerste afzonderlijke bewoningscijfers van Krommeniedijk en Krommiehorn dateren uit de 18e eeuw.

In 1739 telde Krommeniehorn 384 inwoners, in 1743 Krommeniedijk 492 inwoners. Navolgende tabel geeft de cijfers van Krommenie inclusief Krommeniedijk en Krommeniehorn.

jaar aantal jaar aantal

1477 600 1899 3098
1622 1947 1930 5372
1742 2873 1940 5905
1795 2164 1950 7020
1815 1809 1960 9280
1840 2581 1970 13534
1869 2829 1988 17005

Het verloop van de bevolkingsomvang van Krommenie wijkt niet af van dat van de meeste Zaanse gemeenten: groei in de 16e, 17e en het begin van de 18e eeuw, teruggang in de tweede helft van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw (Franse tijd), daarna weer groei. De groei met ruim 4000 personen tussen 1960 en 1970 wordt niet alleen verklaard door de toevoeging van het noordelijk deel van Assendelft aan Krommenie; er werden in deze periode ook veel nieuwe woningen in de gemeente gebouwd.

Kerkelijke gezindheid Over de kerkelijke gezindheid en verhoudingen in Krommenie zijn we bijzonder uitgebreid en betrouwbaar geïnformeerd. Dat is met name te danken aan het werk van dr. S. ➝ Hart (zie ook de literatuuropgave), die hierover acht statistieken publiceerde. De gegevens in de tabel over 1845 zijn ontleend aan het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa. Voorts zijn de gegevens over 1960 aan de statistieken van Hart toegevoegd. De aan de voet van deze bladzijde geplaatste tabel geeft de percentuele verhoudingen.

In deze tabel zijn de oud-katholieken, die in Krommenie een eigen kerk bezitten, niet apart opgenomen. Zij zijn ondergebracht bij de rooms-katholieken en vanaf 1889 bij de overige kerkgenootschappen. In 1811 was drie procent van de Krommenieërs oud-katholiek, in 1889 twee procent en in 1947 ongeveer nog een half procent.

Opmerkelijk is het grote aandeel dat de rooms-katholieken in Krommenie innamen. Ondanks de ontkerkelijking nam hun aantal juist vanaf het einde van de 19e eeuw toe (in absolute zin tussen 1947 en 1960 van 1921 naar 2938). Het getal der doopsgezinden nam steeds af, in 1960 was hun aantal zo gering dat zij bij de overige kerkgenootschappen werden opgenomen. De cijfers over 1845 (afkomstig van Van der Aa) moeten met enige scepsis worden bezien; deze wijken ver af van de percentages over de andere jaren. Bevolking naar politieke gezindheid Vóór de invoering van het algemeen kiesrecht (1917) had Krommenie de naam de meest links-radicale gemeente in de Zaanstreek te zijn. ➝ Domela Nieuwenhuis kreeg er een grote aanhang, die hij ook geruime tijd hield. Pas toen de SDAP in de andere Zaanse dorpen vaste voet aan de grond had gekregen, kreeg de sociaal-democratie in Krommenie aanhang.

In de tabel, die in 1923 begint, komt dit niet tot uiting. De vrije socialisten namen slechts één keer deel aan de verkiezingen (1935) en behaalden toen geen raadszetel. De communistische partij was wél vanaf 1927 in de raad vertegenwoordigd, en kreeg bij de eerste na-oorlogse verkiezingen verreweg de grootste raadsfractie (zie de tabel op blz. 420).

De vrijzinnigen waren links-liberaal. de PCG is de Protestants Christelijke Groepering (ARP en CHU samen). PCG en KVP hadden reeds in 1970 een gezamenlijke lijst; dat is lang voordat er landelijk één confessionele partij ontstond.

Uit de tabel blijkt dat de politieke verhoudingen in Krommenie in de loop der jaren weinig veranderingen ondergingen. De socialisten en de rooms-katholieken waren steeds het sterkst vertegenwoordigd, terwijl na de oorlog de CPN een grote raadsfractie kreeg.

jaar n.h. ger. r.k. dopers overige geen

1742 56 _ 28 16 _ .
1811 64,1 24,2 9,7 2 -
1845 82,8 13.8 3.4 -
1889 59,9 19.8 9.4 4,7 6.2
1899 55,2 23 9.7 4,5 7.6
1909 42,9 3,3 24.1 8.7 2,4 18.6
1920 33 6,4 25.4 6.3 2,5 26.4
1930 21 7,5 25,6 4.7 1.7 39.5
1947 15,8 7.8 28,7 2,9 1.6 43,2
1960 13,5 8.3 31.4 3.9 42.9
1923 '27 '31 '35 '39 '46 '49 '53 '58 '62 '66 '70

SDAP/PvdA 4 3 3 2 2 3 4 4 4 4 4 3 Vrijzinnigen 4 3 3 i ARP 1 i i 2 i 1 2 1 1 RKSP/KVP 2 2 2 2 3 3 3 3 4 4 4 CPN/CPH 2 2 3 3 5 4 4 3 2 3 3 Gemeentebel. 1 PCG 2 2 PCG/KVP 5 VVD 1 1 1 2 PSP - 1 1 Bij de verkiezingen van 1990 behaalde de PvdA 22,5 % der stemmen, CDA 20,3 %, D66 18,2 %, Groen Links 14,5 %, VVD 14 %, ZOG 8,4 %. GPV/RPF 1,3 % en Overige 0,7 %.

De raad van Krommenie bestond tot de oorlog uit elf leden, daarna uit dertien leden. In 1966 konden de Krommenieërs vijftien vertegenwoordigers kiezen.

Burgemeesters Krommenie kreeg pas in 1825 een echte burgemeester. Dat was notaris Jacobus Alberti, zoon van een hervormd predikant te Zaandijk. Alberti was in 1795 al schout van de banne geworden en was van 1811 tot 1814 maire van Krommenie. Hij zou schout en burgemeester blijven tot zijn dood in 1836. Zijn opvolger werd zijn schoonzoon Dirk van der Wart, eveneens notaris, die veertien jaar eerste burger zou blijven. In 1850 werd Dirk van Leyden tot burgemeester benoemd; hij overleed echter nog in datzelfde jaar.

De volgende werd de rolreder en eerdere wethouder Dirk ➝ Schaap. Hij liet een aantal publikaties over zijn gemeente het licht zien. Schaap werd in 1856 op eigen verzoek vervangen door Comelis Walig, notaris van beroep. De volgende burgemeesters waren; K van Eden (1866-1884), A.F.C.G.H. van den Steen van Ommeren (1884-1890, voor Krommenie de eerste burgemeester van buiten de Zaanstreek), D. Koeleman (1891-1893) en Jan Walig (1894-1896). Walig was zoon van de eerdere burgemeester Cornelis Walig, en vertrok toen hij notaris te Zaandijk werd.

Ook zijn opvolger M.J. Chevalier bleef slechts kort, hij vertrok toen hij in 1898 werd benoemd tot burgemeester van Valburg. Na hem kwam J.C.P. Mossel, die tot 1909 in Krommenie bleef. Na hem volgden P. Lammerschaag (1909-1915), H.

Klerk Jz. (1916-1938) en J. Kalff. Kalff moest in 1942 wijken voor de NSB-burgemeester A.G. Jongsma. Na de oorlog kwam hij slechts kort terug; in 1947 werd hij benoemd tot burgemeester van Heiloo. Zijn opvolger Jan Cornelis Adriaan ➝ Provily werd een bijzonder populaire burgemeester; hij vertrok in 1965.

Zijn opvolger F. ➝ Tjaberings was een opvallende verschijning. Hij mat ruim twee meter en was daarmee de langste burgemeester van Nederland. Toen Tjaberings in 1971 werd benoemd tot burgemeester van Hoorn werd hij opgevolgd door Gosse ➝ Oosterbaan, die tot dan toe burgemeester van Zaandijk was. Oosterbaan beijverde zich er als burgemeester voor om Krommenie buiten de samenvoeging tot Zaanstad te houden. Hij zou echter de laatste burgemeester van Krommenie zijn. Bewoningsgeschiedenis Krommenie is een der oudste Zaanse dorpen.

Daarbij wordt de bewoning rond het begin van de jaartelling nog buiten beschouwing gelaten. Op verschillende plaatsen tussen de Noorder- en Zuiderhoofdstraat en de Ham en in de polder het ➝ Woud werden scherven van Romeins aardewerk gevonden (zie: ➝ Archeologie 2.1. tot 2.5.).

De eerste schriftelijke vermeldingen van het huidige Krommenie dateren uit de tweede helft van de 13e eeuw, maar aangenomen wordt dat er al vanaf circa het jaar 1000 duurzame bewoning was. Deze eerste bewoners moeten permanent de dreiging van het omringende water hebben ervaren. Nabij Krommenie lag het ➝ Crommenije, dat de verbinding vormde tussen de grote Noordhollandse meren en het IJ. Mogelijk vestigden de eerste bewoners zich wat verder landinwaarts (Krommenie), mogelijk ook wierpen zij een primitieve dijk op (Krommeniedijk). In 1357 werd het Crommenije (het Kromme Y) door de ➝ Nieuwendam bij ➝ Busch en Dam afgesloten. Daarvóór was de Hoge ➝ Dam in Zaandam al aangelegd, terwijl tezelfdertijd de ➝ Knollendam werd aangelegd; de Zaanstreek was daarmee redelijk beschermd.

Daarna kon de gestage groei van Krommenie en Krommeniedijk beginnen (zie voorts het bij 'Bevolking' geplaatste overzicht). Middelen van bestaan De eerste bewoners van Krommenie zullen (evenals de bewoners rond het begin van de jaartelling) vermoedelijk vooral hebben geleefd van de visvangst en de jacht op vogels. Vanaf vermoedelijk de 15e eeuw was er ook sprake van enige agrarische activiteiten. In 1494 werd gesproken over het houden van koeien in het dorp. terwijl in 1514 akkerbouw in verband met Krommenie werd gebracht. Deze moet zeer kleinschalig van karakter zijn geweest en plaats gehad hebben op met bagger opgehoogde wallen langs sloten. Eveneens in 1514 werd geschreven over veebezit in de banne van Westzaan en Krommenie. De formulering 'dat zij hem generen een luttel mit koyen' geeft aan dat de veehouderij van geringe omvang was.

Het Crommenije was een visrijk water. Omstreeks 1300 werd er zalm en steur gevangen. Toen in 1357 de Nieuwendam werd aangelegd. werd daar een opening van 16 voeten in uitgespaard ten behoeve van de visserij. Deze bleef lange tijd gehandhaafd. Later werd de haringvisserij van belang. In 1514 voeren 200 man uit de Banne van Westzaan en Krommenie op de buizen mee.

Zij waren overigens slechts bemanningsleden; de schepen waren van stedelijke reders. Krommenie heeft dus niet gedeeld in de opbrengsten van de haringvangst. Anders lag dat met de ➝ palinghandel op bijvoorbeeld Engeland. In deze handelstak nam de Zaanstreek een dominante positie in; Krommenie zal daarvan mee geprofiteerd hebben. In de loop van de 17e eeuw nam de betekenis van de palinghandel af, en tenslotte speelde deze nog maar een zeer geringe rol.

Een andere vroege bestaansbron was de schipperij. Het merendeel van de in Krommenie (en Krommeniedijk) geregistreerde schippers zal binnenschipper zijn geweest. Maar ook de ➝ Oostzeevaart speelde een rol. Tussen 1617 en 1628 werden in de Sont 86 doorvaarten van schippers uit Krommenie of Krommeniedijk genoteerd (dit betreft dus het aantal doorvaarten, niet het aantal schippers). In 1795 werden er 15 schippers in Krommenie geteld, en in 1811 12: onder hen bevonden zich volgens Van der Woude geen zeelieden. Bij de opschrijving van weerbare mannen in 1747 waren er geen inwoners van Krommenie of Krommeniedijk 'uitlandig'.

De conclusie dat de Krommenieërs zich vooral met binnenvaart bezig hielden lijkt dus gerechtvaardigd.

Dat hiervoor Krommenie en Krommeniedijk in één adem genoemd werden, geeft nogmaals aan dat de bestaansbronnen van beide dorpen niet onafhankelijk van elkaar behandeld kunnen worden. De meeste statistische gegevens slaan op beide kernen, alsmede op Krommeniehorn en Busch en Dam. Daarbij moet aangetekend worden dat Krommeniedijk, Krommeniehorn en Busch en Dam langere tijd agrarisch bleven. Ten dele bestaat die situatie ook nu nog.

Over Krommeniedijk en Krommeniehorn zijn nog enige afzonderlijke opmerkingen te maken. Het is bekend dat ‘in de Hom’ een →bierbrouwerij heeft gestaan. De drie herbergen in Krommeniehorn werden tot in de 19e eeuw door deze brouwerij bevoorraad. De naam ‘Taandijk’, die loopt van Krommeniedijk naar de Nauernase Vaart, doet vermoeden dat daar in ieder geval één taanderij heeft gestaan.

Van zeer groot belang voor Krommenie werd de →zeildoekweverij, meestal ‘rolrederij’ genoemd. Deze economische activiteit werd zo omvangrijk dat ook Assendelft er wat de werkgelegenheid betreft voor een flink deel afhankelijk van werd. De zeildoekweverij werd volgens sommigen omstreeks 1600 door doopsgezinde vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden en/of Frankrijk in de Zaanstreek geïntroduceerd. Vooral in de eerste helft van de 18e eeuw was de produktie enorm hoog, daarna volgde teruggang. Het dieptepunt kwam in de jaren 1810-1814, gevolgd door een sterk herstel. De zeildoekweverij werkte vooral voor de scheepsbouw en -vaart, en ook voor de molenindustrie.

Toen het zeilschip steeds meer plaats moest maken voor het stoomschip en ook molens uit de tijd raakten, liep de zeildoekweverij opnieuw sterk terug. De tweede helft van de 19e eeuw kenmerkte zich voor de zeildoekweverij door bedrijfsconcentratie. Aan het einde van die eeuw was het gehele produktieproces gemechaniseerd.

Ter bevoorrading van de zeildoekweverij ontstonden voorts de →garenspinnerij en de →hennepklopperij. Zowel het spinnen als ook het weven vonden voornamelijk in thuisarbeid plaats. De rolreders verkochten de rollen geweven zeildoek aan de zeilmakers. De thuiswevers verkeerden in een volledig afhankelijke positie van de rolreders. Uit de zeildoekweverij kwam de linoleumindustrie voort (zie: →Forbo Krommenie, thans gevestigd te Assendelft), en voorts brandslangen-fabricage (door Tufton, zie supplement 2). Beide activiteiten werden ter hand genomen door de familie →Kaars Sijpesteijn. Zie voorts: →Economische geschiedenis 2.5.2. en 3.5.1.

Uit vergelijking van tellingen uit 1742, 1797 en 1811 blijkt dat in de periode dat het de zeildoekweverij slecht ging, het → boerenbedrijf meer mensen werk verschafte.

Uit de → personele quotisatie van 1742 blijkt dat de weverij toen verreweg de belangrijkste activiteit in het dorp was. Van de 91 aangeslagenen waren er 42 rolreder. Van de 366 niet-aangeslagenen oefenden er 101 het beroep van wever uit. Daarnaast voerden 57 personen een beroep uit dat direct samenhing met de weverij (personeel hennepkloppers en spinners). Voorts waren er 26 boeren, 13 bakkers, 13 personen met kleine winkels, 12 dagloners, 8 timmerlieden, 7 timmermansknechten en 6 schoenmakers.

In 1811 was dat beeld ingrijpend gewijzigd. De mannelijke beroepsbevolking (van 21 jaar en ouder) bestond toen uit 543 personen. De belangrijkste sectoren en beroepsgroepen waren: textiel (76 personen), bouwbedrijven (53), handel (47), landbouw (45), voedingsmiddelen (26), scheepsbouw/wagenmakerij (19). leerbewerking (16), verkeer (16), kleding/reiniging (11). arbeiders 124 (overige: 110).

De molen-industrie, de hennepklopperij uitgezonderd, heeft voor Krommenie nooit een belang gehad zoals in de meeste andere Zaanse dorpen. In de banne van Krommenie hebben in totaal 32 molens gedraaid. Twaalf daarvan waren hennepklopper. De eerste kwam reeds in het begin van de 17e eeuw in gebruik, de laatste verdwenen in de eerste decennia van de 20e eeuw. Dankzij publikaties van prof. dr. J. →Goudsblom is over een groot aantal jaren het exacte aantal molens bekend.

Van der Aa kwam bij een telling in 1845 tot afwijkende cijfers. Hij telde slechts één hennepklopper en vermeldde een niet door Goudsblom genoemde potasmolen. Deze laatste wordt ook niet door →Boorsma genoemd. die echter wél twee biksteenmolens noemde. Van der Aa gaf ook het aantal zeildoekweverijen (12, waarvan één op stoom) en leerlooierijen (2).

Door de mechanisering en de terugval van de zeildoekweverij in de tweede helft van de 19e eeuw raakten veel thuiswevers hun werk kwijt. Zij zochten werk als arbeider. Er kwamen aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw enkele nieuwe industriële sectoren op. Daarvan worden genoemd de →sigarenmakerij. de →blikindustrie en de linoleumfabricage (zie: →Forbo Krommenie). De sigarenmakerij ontstond reeds vroeg: omstreeks de jaren '60 van de 19e eeuw waren de eerste sigarenmakerijen reeds in Krommenie gevestigd. Als economische sector was de sigarenmakerij niet buitengewoon belangrijk, maar het produkt was wel zeer arbeidsintensief.

In 1891 waren er zes sigarenmakerijen in Krommenie gevestigd met 70 man personeel. In 1916 was het aantal bedrijven gehalveerd, maar het personeelsbestand verdubbeld. Uiteindelijk kon de sigarenmakerij echter niet overleven. De opkomst van de sigaret en concurrentie uit gebieden met lagere lonen zorgden voor beëindiging van de sector.

Van groot belang werd de blikindustrie. Het oudste Zaanse blikbedrijf was →Verwer, dat in 1885 te Krommenie werd opgericht. Het tweede bedrijf was →Woud en Schaap, opgericht in 1888 te Zaandijk en in 1889 verplaatst naar Krommenie. Later ontstond te Krommenie →Zaanlandia blik, terwijl Verwer en Woud en Schaap fuseerden tot De Verenigde Blikfabrieken (→Verblifa). In 1916 werkten in Krommenie een kleine 450 personen in de blikindustrie. De Verblifa werd in 1964 overgenomen door Thomassen & Drijver te Deventer en in 1969 werd de produktie beëindigd. Zaanlandia bleef wel in Krommenie produceren.

De linoleumfabricage begon in 1899 in een fabriek aan de Padlaan, met toen 23 werknemers. De industrie werd opgezet door de familie Kaars Sijpesteijn, die zo trachtte de teruglopende inkomsten uit zeildoekweverij en lijnoliefabricage te compenseren. In 1923 kon een tweede fabriek in gebruik worden genomen, eveneens in Krommenie, aan de Nauernase Vaart. Hierna werd een volgende fabriek gebouwd, nu te Assendelft. De produktie in Krommenie werd nadien beëindigd. Ook het te Krommenie gevestigde Tufton kwam voort uit de activiteiten van de familie Kaars Sijpesteijn.

De werkgelegenheid in Krommenie veranderde door de hiervoor geschetste ontwikkelingen zeer ingrijpend. Bij de volkstelling van 1930 bleek de gemeente de meest van industrie afhankelijke gemeente van de Zaanstreek. Nadien was er een verschuiving naar de dienstverlenende sector. Bij tellingen in 1973 bleek Krommenie inmiddels een van de minst van industrie afhankelijke Zaanse gemeenten te zijn geworden. De verschuiving naar de dienstverlening zette zich nadien verder voort.

De tabel over 1930 geeft aan in welke economische sectoren de inwoners van Krommenie hun broodwinning vonden. Aangenomen mag worden dat het grootste deel van de bevolking toen werkte in de eigen gemeente. Waarschijnlijk zullen daarnaast vooral →Wessanen te Wormerveer en de Iinoleumfabriek te Assendelft Krommenieërs werk hebben geboden. De tabellen over 1973 en 1987 geven het aantal beschikbare arbeidsplaatsen te Krommenie aan. onderverdeeld naar sector. Opvallend is dat in deze periode van 14 jaar het aantal beschikbare banen in Krommenie sterk afnam (van 3039 naar 2405). Deze daling is vrijwel geheel toe te schrijven aan het inkrimpen van de nijverheid; de dienstverlening werd belangrijker.

Andere (voormalige) bedrijven te Krommenie die in deze encyclopedie zijn opgenomen zijn: De →Acht. →Ado-Scholtz. →Atlantic, J. →Baars en Zoon. →Chromos, →Hondema, →Knijnenberg, →LBU, →Reyne, P. →Vlaar en Zonen.

Literatuur: A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden deel 6, Gorinchem 1845; A.M. van der Woude. Het Noorderkwartier, Utrecht 1983; J. Goudsblom, De molens van Krommenie, in: De Zaende 1951; J. Goudsblom, De hennepkloppers van Krommenie, in: De Zaende 1949; S. Hart. De personele quotisatie te Krommenie en Krommeniedijk zoals die in 1742 is vastgesteld, in: De Zaende 1950;

G.J. Honig, De Zaanse burgemeesters sedert 1814, in: De Zaende 1951; P. Boorsma, Duizend Zaanse molens, Wormerveer 1950; K. Woudt. De geschiedenis van een Zaanse familie-onderneming. Krommenie 1987; G. Visser, Krommenie, Krommenie 1960; G. Visser. Zeven eeuwen Krommeniedijk, Krommenie 1980: G.J. Boekenoogen, De Zaanse Volkstaal, Zaandijk 1971; G.J. Honig, Zaanlandsche gemeentewapens, Zaandijk 1887; M.A. Verkade, Den derden dach, Alkmaar 1982; A. van Braam e.a., Historische Atlas van de Zaanlanden. Zaandam 1970; H.N. ter Veen e.a.. Problemen der samenvoeging van Zaangemeenten. Haarlem 1941; Zaanstreek in cijfers 1974. Zaandam 1975; Zaanstad in cijfers 1987, Zaandam 1988.

< >