Encyclopedie Groningen

Nieuwe Groninger Encyclopedie

Gepubliceerd op 20-09-2021

Doleantie

betekenis & definitie

De Doleantie van 1886 is de naam van de protestbeweging van predikanten en gemeenteleden in de Hervormde Kerk tegen de toenmalige Algemene Synode, die weigerde te waken over het traditioneel gereformeerde belijden en zich slechts bezighield met formele bestuurlijk-organisatorische zaken.

In 1834 was een beperkt aantal hervormden meegegaan met de Afscheiding van dominee H. de Cock. In 1886 kwam onder leiding van Abraham Kuyper (1837-1920) een bredere beweging op gang. Velen hadden kritiek op de heersende theologie van de Groninger Richting en het modernisme en wachtten tevergeefs op enig ingrijpen van de synode. Zij vroegen om een herstel van de klassieke gereformeerde belijdenis, een herinvoering van de tucht en een presbyteriaal-synodale kerkorde met het hoofdaccent op de plaatselijke gemeente van ‘wedergeborenen’. Op grond van dit streven stichtten Abraham Kuyper, F.L. Rutgers, Ph.J.

Hoedemaker e.a. in 1880 de Vrije Universiteit op gereformeerde grondslag te Amsterdam als reactie op het besluit van de Staat om de theologische faculteiten om te zetten in min of meer neutrale faculteiten van godsdienstwetenschappen. Bovendien kwam het in de Amsterdamse kerkenraad, waar Kuyper ouderling was, tot een ernstig conflict tussen de orthodoxen en de modernen over de weigering attesten af te geven voor aanmeldingen van moderne predikanten. Dit had mede een verschil van mening over het eigendomsrecht van de kerkelijke gebouwen tot gevolg. Kuyper c.s. werden afgezet, wat een definitieve breuk met de Hervormde Kerk betekende. Zij traden vervolgens op onder de historische naam Nederduitsche Gereformeerde Kerken, met de bijvoeging ‘dolerend’ (doleren = treuren, klagen over het feit dat de kerkelijke goederen werden onthouden).

Tijdens het Gereformeerde Congres van 11 tot 14 januari 1887 kwam de organisatie van de dolerende kerken tot stand. Kerken in het meervoud, omdat men van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk uitging. Het Gereformeerde Congres deed een oproep zich los te maken van het synodale juk. Zeker vijftig predikanten en duizenden leden sloten zich aan.

In de provincie Groningen, waar eerder al tientallen gemeenten met de Afscheiding waren meegegaan, gingen in totaal slechts zeven hervormde gemeenten, predikanten en gemeenteleden mee met de Doleantie: Bedum, Groningen, Oostwold, Spijk, Stroobos, Wagenborgen, Wetsinge-Sauwerd en Zuidwolde.

Een belangrijke rol bij de Doleantie in de stad Groningen speelde dominee J. Hulsebos (1844-1904) uit Zuidwolde, die reeds met zijn gemeente dolerend was geworden. Hij nam als consulent het initiatief tot het organiseren van een bijeenkomst waar 24 aanwezigen besloten te breken met de Hervormde Kerk.

In 1892 verenigden de dolerende kerken zich met de uit de Afscheiding voortgekomen Christelijke Gereformeerde Kerken tot het kerkgenootschap De Gereformeerde Kerken in Nederland, met dien verstande dat de leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken, die met deze vereniging niet konden instemmen, zich onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland constitueerden.

[De Olde]

Lit: J. Vree (red.), De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis (Kampen 1992); W. Bakker (red.), De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis (Kampen 19886); H. Doornbos en G. de Fijter, Op het erf der Vaderen (z.p. 1983); J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsch Hervormde Kerk der XIXe eeuw (z.p. 1936).