Economische encyclopedie 1940

Economische encyclopedie (1940), samengesteld door D.C. van der Poel. Gepubliceerd door Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V. Utrecht.

Gepubliceerd op 21-01-2020

Inkomen

betekenis & definitie

Bij het begrip I. dient nadrukkelijk te worden onderscheiden tusschen maatschappelijk (nationaal- of volks-) I. en persoonlijk I., waarbij zich door middel van het laatste de verdeeling van het eerste, grootendeels gelijk met het tot stand komen, voltrekt.

Het maatschappelijk I. bestaat uit de in een bepaalde tijd voortgebrachte goederen, na aftrek van wat ter instandhouding van het maatschappelijk kapitaal (afschrijving) moet worden gereserveerd. Het is dus niet gelijk aan de totale koopkracht, daar deze ook de tegenwaarde der verbruikte gronden hulpstoffen en van de slijtage omvat. Het maatschappelijk I. de in geld uitgedrukte koopkracht als tegenpool van het maatschappelijk product maakt de directe rijkdom van een volk als geheel uit; de verdeeling van het persoonlijk I. bepaalt de mate waarin deze aan de verschillende klassen en personen ten goede komt.

De som van het persoonlijk I. in verband met belastingheffing nauwkeuriger bekend dan het maatschappelijk I. is niet gelijk aan het maatschappelijk I. In dit opzicht heeft het, overigens zuiver theoretisch, onderscheid tusschen oorspronkelijk en afgeleid I. beteekenis. Oorspronkelijk I. is de directe tegenwaarde der geproduceerde goederen, hetzij op arbeid of op een bezitsverhouding berustend, en valt als zoodanig min of meer met het maatschappelijk I. samen. Afgeleid I. ontvangen zij, aan wie in ruil voor diensten door de ontvangers van het oorspronkelijk I. rechten op goederen worden overgedragen: o.a. medici, kunstenaars, ambtenaren van het bestuursapparaat (overdracht via belasting), enz. Dit I. is reeds eenmaal in de denkbeeldige som van het oorspronkelijk I. begrepen. Wanneer het I. van een medicus met dat van zijn gezamenlijke patiënten zou worden opgeteld, zooals dit bij de som der totale persoonlijke I. inderdaad het geval is, wordt wat betreft het eerste de tegenwaarde van een zelfde deel van het maatschappelijk product dubbel gerekend. Tegenwoordig wordt op grond van het feit dat het afgeleid I. voor het grootste deel toch berust op indirect productieve arbeid onder afgeleid I. uitsluitend verstaan pensioen, steun, enz., waarvoor, althans in het betreffende jaar, geen diensten zijn verricht.

Een wezenlijk onderscheid bestaat tusschen arbeids-I.: arbeidsloon en salaris, en kapitaal-l. (arbeidsloos-l.): grondrente, kapitaalrente en ondernemerswinst. Het kapitaal-I. berust op een bezitsverhouding en is als zoodanig een historische categorie. Grondrente, kapitaalrente en ondernemerswinst zijn volgens de Marxistische theorie slechts de vormen waarin de door de arbeid geproduceerde meerwaarde onder de verschillende kapitaalbezitters wordt verdeeld.

Binnen het kapitalistisch systeem vormen arbeidsloon, grondrente en kapitaalrente de prijs der productiefactoren arbeid, bodem en kapitaal; de ondernemerswinst omvat de belooning voor het samenbrengen van de productiefactoren, een risicopremie voor het daarbij toegepaste kapitaal en eventueel uit een monopolieverhouding voortkomende extra winst, zooals deze tot uitdrukking komen in het dividend der N.V., voorzoover dit de normale rente van het geïnvesteerde kapitaal overschrijdt. Voor eventueel in de ondernemerswinst vervat arbeidsinkomen der medewerkende ondernemers zie: Ondernemerswinst.

Kapitaal- en arbeids-I. wordt, vooral ook in belastingtechnisch verband, wel onderscheiden als gefundeerd I., dat onafhankelijk van den tjjdelijken bezitter blijft bestaan, en ongefundeerd, aan den persoon gebonden, I. Bij de waardeering van de absolute hoogte van het persoonlek I. is de koopkracht van het geld van belang (zie: Geld grafiek), daar hierdoor de verhouding tusschen het I. als geldsom (nominaal I.) en als hoeveelheid goederen (reëel- of werkelijk I.) wordt bepaald. Werkelijke stijging of daling van het I. laat zich dus slechts vaststellen aan de hand van de indexcijfers van de kosten van het levensonderhoud, enz.

In een maatschappij, die gebaseerd is op de „vrije werking der economische krachten” is de verdeeling van het maatschappelijk product in de vorm van persoonlijk inkomen onderwerp van een voortdurende strijd, waarbij ceteris paribus winst voor de één onherroepelijk verlies voor den ander beteekent. Loonsverhooging bij overigens gelijke productiekosten en gelijke prijzen beteekent verschuiving van koopkracht ten gunste van de betrokken arbeiders en ten nadeele van de betrokken werkgevers, bjj stijgende prijzen ten nadeele van de betrokken consumenten; stijgende rente drukt de ondernemerswinst of moet door prijsstijging of loondaling worden gecompenseerd, enz. enz. Voor elk der afzonderlijke groepen wordt het streven naar vergrooting van het inkomen bjj de verdeeling van een gegeven maatschappelijk product door het zelfde streven der andere groepen begrensd.

De functioneele verdeeling van het maatschappelijk I. tusschen de verschillende groepen: arbeiders, grondeigenaars, kapitaalbezitters, en ondernemers, bepaalt het aandeel van elk der productiefactoren, waarbij de verhouding tusschen vraag en aanbod en de verschillende machtsposities (organisatie, enz.) hun invloed uitoefenen. De strijd om de verdeeling van de meerwaarde is als zoodanig een strijd om de cultureele waarden, die de maatschappelijke arbeid boven het strikte levensonderhoud voortbrengt. Tevens openbaart zich hier de innerlijke tegenstelling in het moderne kapitalisme tusschen de belangen van een zoo groot mogelijk aandeel der bezittende klasse ten behoeve van de noodzakelijke kapitaal-accumulatie (naast de wensch naar een zoo ruim mogelijke consumptie) en het belang van de koopkracht der arbeidersmassa als consument. De richting van de productie wordt door de functioneele verdeeling van het I. bepaald.

Ten slotte oefent de staat invloed uit op de uiteindelijke verdeeling van het I. door de belastingpolitiek, die door ontlasting van de lage- en progressieve belasting van de hooge inkomens de oorspronkelijke verschillen in het aandeel van het maatschappelijk product in belangrijke mate kan nivelleeren (zie: Belasting). Bij de theorie der verdeeling van het maatschappelijk I. staan vooral de verschillende theorieën der „toerekening”, die de bestaande verdeeling als door economische wetten onafhankelijk van de bezitsverhoudingen bepaald willen motiveeren, en de Marxistische theorie der meerwaarde 4-, die het kapitaalinkomen als een uitsluitende historische bezitsverhouding ziet, scherp tegenover elkaar. Daartusschen staat het meer ethische streven naar een „rechtvaardige” verdeeling, waarvoor echter een objectieve maatstaf ontbreekt.

Verdeeling van het I. in Ned. volgens aanslagen Rijksinkomstenbelasting 1937-'38:

Hoegrootheid aantal aanbedrag der I. millioenen

v. h. I. geslagenen guldens

ƒ 8001 400 617 015 669

1 4002 000 349 503 570
2 0003 000 177 917 424
3 0005 000 96 586 361
5 00010 000 44 312 297
10 00020 000 13 220 178
20 00030 000 2 997 72
30 000-100 000 2 393 112
100 000-en hooger 282 55
1 304 225 2 738

(zakb. C.B.S.)

Stat.: Stat. der inkomens en vermogens in Ned. C.B.S.

Lit.: (Behalve de hand- en leerboeken), F. von Wieser, Theorie der gesellschaftlichen Wirtschaft, G. d. S. 1/2 ; W. Winkler, Einkommen H. d. S.; H. Mayer, Verteilung, Zurechnung, H. d. S.; K.

Diehl, Einkommen, W. d. V.; id. Zurechnung, W. d. V.; I. Fisher, Der Einkommensbegriff im Lichte der Erfahrung Wirtschaftstheorie der Gegenwart III, Einkommensbildung, 1928 ; K. Marx, Das Kapital I, 5-20 (Mehrwert), II, 19, 20, III/2.