Economische encyclopedie 1940

Economische encyclopedie (1940), samengesteld door D.C. van der Poel. Gepubliceerd door Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V. Utrecht.

Gepubliceerd op 07-08-2020

2020-08-07

Grondbezit

betekenis & definitie

In tegenstelling tot het privaatbezit (zie: Bezit en Eigendom) der productiemiddelen, dat eigen, aan de technische ontwikkeling aangepaste, vormen heeft ontwikkeld (zie: Naamlooze Vennootschap, enz.), heeft het G. zich veel minder gewijzigd en oefent daardoor vaak nog een bepalende in vele gevallen remmende invloed uit op de productiewijze. Vooral de beide extremen, het Groot-G. en het dwerg-bezit treden in dit opzicht op de voorgrond.

Het eerste kan, waar het met een goed geleid agrarisch grootbedrijf samenvalt (o.a. in Amerika), een goede grondslag vormen voor technische vervolmaking van het productieproces; het is anderzijds maar al te vaak een rem voor de vooruitgang door onbevredigende pachtverhoudingen (zie: Pacht). De nadeelen worden versterkt door het absenteïsme van de grondeigenaars, die hun eigendom uitsluitend als bron van arbeidsloos inkomen zien, waardoor naast een uitbuiting van de pachters, die dezen elke mogelijkheid tot technische ontwikkeling van het bedrijf ontneemt, de inkomsten uit de grond voor een overwegend deel aan de woonplaats van de eigenaars meestal de groote steden ten goede komen, en verarming van het land in de hand wordt gewerkt (zie: Forensen).Het dwerg-bezit biedt meestal een onvoldoende grondslag voor technische en economische ontwikkeling, doordat het ten koste van hard werken van het heele gezin slechts een uiterst karig bestaan oplevert.

Klein en middelbaar G. vormt, voorzoover het niet overmatig door schuld is belast, binnen het kader van het privaatbezit in het algemeen de beste grondslag voor een gezond, intensief agrarisch bedrijf van eigen geërfde boeren. De mogelijkheden, die coöperatie ook het kleinbedrijf biedt voor aanschaffing van machines blijven echter toch in de meeste gevallen beperkt.

Een vorm van dwergbedrijfjes is in Ned. ontstaan door de Landarbeiderswet 1918 (Wet ter bevordering van de verkrijging van onroerend goed door landarbeiders), die ten doel heeft het verkrijgen van een „plaatsje”, d.i. woning en erf, voor landarbeiders te vergemakkelijken om op deze wijze een aan de bodem gehechte landarbeidersbevolking in het belang dus van de middelbare en groote bedrijven te bevorderen. De bedrijfjes mogen in dit verband het karakter van den eigenaar (of pachter) als landarbeider niet in de weg staan, dus slechts als aanvulling van zijn onderhoud door loondienst dienen en tevens een grondslag zijn voor zijn levensonderhoud bij ouderdom. Zij brengen, evenals elke met dit doel bevorderde verzorging met tuinbouwproducten door industriearbeiders (tuinwijken als „Nebenerwerbssiedlung”) het gevaar mede van loondruk, daar het arbeidsloon door de opbrengst van de arbeid in eigen bedrijf na de normale arbeidstijd kan worden aangevuld, waartegenover het voordeel staat van een eigen beperkte voedselbasis in tijden van werkloosheid. Het totaal der volgens de landarbeider swet door het Rijk aan de met de uitvoering belaste gemeenten uitbetaalde voorschotten bedroeg in 1925 ƒ 1222 000, in 1939 ƒ 557 000.

Bevordering van klein en middelbaar G. met sociale en politieke oogmerken zien wij o.a. in Duitschland en Italië (o.a. bij uitgifte van nieuwe gronden, verkaveling van groot-G. op Sicilië, enz.), terwijl in alle kapitalistische landen groote sociale en politieke waarde aan het G. als basis van politieke stabiliteit (vaak in de zin van behoudendheid) wordt gehecht.

Uitgifte van nieuwe gronden in Ned. (Wieringermeer) geschiedt bij voorkeur door verpachting als staatseigendom. In de steden gaat het streven van de gemeentelijke grondpolitiek meestal in de richting van erfpacht ← waarbij de gronden eigendom van de gemeente blijven en bevoordeeling van particuliere eigenaars door stijging van de waarde wordt voorkomen.

Resten van collectief G. zijn nog aanwezig in de Almend, Mark en Meent (*Almend) en bjj koloniale eigendomsverhoudingen (communaal G. enz.). In het algemeen maken zjj echter steeds meer voor privaatbezit plaats. Een belangrijke nieuwe vorm van gemeenschappelijk G. zijn de Kolchozen in de U.S.S.R. (zie: Artel), waarbij de mogelijkheden van groot- en kleinbezit practisch samengaan op de grondslag van het uitsluitend eigendom van alle grond in handen van de staat en gratis beschikbaarstelling voor onbepaalde tijd aan de Kolchozen. Hierbij is een collectief grootbedrijf met onbeperkte mogelijkheid tot toepassing van machines gecombineerd met persoonlijk gebruiksrecht van een stukje grond bij de woning, dat de grondslag voor persoonlijke behoeftenbevrediging met agrarische producten vormt.

Het streven naar hervorming van de bezitsverhoudingen van de grond als primaire productiefactor, dat ook in niet uitgesproken socialistische kringen groote weerklank heeft gevonden, gaat in het algemeen uit naar het opheffen van de particuliere rechten op de grondrente -e, die als een onbillijk voordeel uit meestal niet door toedoen van de eigenaars gestegen waarde worden beschouwd. (J. S. Mill, „Principles” 1848). De voornaamste middelen hiertoe zijn belasting tot 100 % van de grondrente of de waardevermeerdering, of een staatserfrecht waarbij de grond geheel in handen van de gemeenschapsorganen komt. Tot de belangrijkste propagandisten voor afschaffing van de grondrente aan particulieren behooren o.a. Henry George (die in deze rente één van de voornaamste oorzaken der armoede ondanks toenemende productiviteit ziet, daar deze laatste geheel in de vorm van grondrente aan de bezitters van de grond komt) en W. Damaschke.

Lit.: P. A. Diepenhorst, Onze landbouw Eigendom en pacht, 1932; Grundbesitz:

A, Wagner. Rechtsordnung; K. Lamprecht, Geschichte; J. Konrad, Die Stellung des ländlichen und des städtischen G. in der Volkswirtschaft; A. Wirminghaus, Statistik, H. d. S.; C. von Dietze, Ländlicher Grundbesitz, W. d.

V.; K. Diehl, Bodenbesitzreform, H. d. S.; H. George, Progress and poverty, 1879; W. Damaschke, Die Bodenreform, 1902; S. Gesell, Die natürliche Wirtschaftsordnung durch Freiland und Freigeld, 1919. zie: Ook Grondrente.