Economische encyclopedie 1940

Economische encyclopedie (1940), samengesteld door D.C. van der Poel. Gepubliceerd door Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V. Utrecht.

Gepubliceerd op 21-01-2020

Geld

betekenis & definitie

Het G. is in de eerste plaats waardemeter en ruilmiddel (ruilobject). Het eerste in die zin, dat de prijs van alle goederen en diensten in G. wordt uitgedrukt, het tweede in de zin van algemeen ruilbemiddelaar, waardoor de oorspronkelijke ruil in natura verkoop en koop wordt.

Ook als ruilmiddel heeft het G. slechts beteekenis en waarde als recht op goederen en diensten. Niemand zou zelfs baar goud in ruil aannemen, indien hij niet de zekerheid had zich daarvoor te allen tijde wederom andere goederen te kunnen verschaffen.

Rijkdom in G. (goud) heeft zoowel voor personen als voor een geheel volk slechts beteekenis als een beschikkingsrecht (beschikkingsmacht) over goederen, dat te allen tijde geldend kan worden gemaakt.Het G. maakt het mogelijk de ruilhandeling te onderbreken: te verkoopen aan den één en te koopen bij een ander, te verkoopen en eerst later te koopen, dus de tweede helft van de samenhangende ruil uit te stellen, koopkracht te sparen, enz. Voor een juiste waardeering van het G. als ruilmiddel is het noodzakelijk zijn oorsprong niet uit het oog te verliezen. De beperkte mogelijkheden van de directe ruil in natura tusschen twee partners deed een plaatselijk algemeen gangbaar, d.w.z. door ieder begeerd, goed het karakter van ruilbemiddelaar (en daarmede ook van waardemeter) aannemen; het werd in beide beteekenissen algemeen équivalent: schelpen bij de primitieven, waar deze een algemeen begeerd sieraad zijn, huiden bij jagersvolken, vee bij herdersvolken, enz., enz. Een dergelijk goed werd dan algemeen in ruil als „betaling” aangenomen. Het bleef daarbij een gewoon gebruiksgoed en maakte deel uit van de gewone voorraad van de betreffende goederen, die tevens het voornaamste vermogensbestanddeel vormde, als sieraad, deel van de kudde, enz. Het ruilmiddel nam slechts tijdelijk het karakter van G. aan en vervulde zijn taak als zoodanig geheel op grond van zijn eigen waarde, die op dezelfde grondslag berustte als de waarde van alle andere goederen.

G. in de tegenwoordige beteekenis wordt het ruilmiddel eerst ten volle als de edele metalen goud en zilver die door hun bijzondere geschiktheid: constante waarde, houdbaarheid, deelbaarheid en betrekkelijk groote waarde bij klein volume, als ruilbemiddelaar algemeen ingang vinden en later, door een stempel wat betreft gehalte en gewicht gewaarborgd, als munten in omloop komen. Hiermede is het aanvankelijk nog noodzakelijke keuren en wegen (op het „goudschaaltje”) van het als ruilmiddel fungeerende metaal overbodig en het eigenlijke G. ontstaan. Het vergemakkelijkt de ruil in alle variaties en biedt de mogelijkheid de rechten op goederen in onbeperkte mate op te hoopen: sparen en schatvorming. Het ruilmiddel heeft echter één van zijn belangrijkste oorspronkelijke eigenschappen behouden. Het is te allen tijde als metaal in zijn oorspronkelijke gebruikswaarde, die de grondslag van zijn waarde vormt, om te zetten.

Daar de ruil: waar-G.-waar, bij het G. willekeurig lang kan worden onderbroken, worden verkoop en koop twee schijnbaar geheel zelfstandige handelingen en verschijnt het G. niet zoozeer als ruilmiddel, dan wel als betaalmiddel. Het G. heft met deze onderbreking de ruil van goederen tegen goederen niet op. De geheele G.-circulatie is niet anders dan een voortdurende omzetting van goederen in rechten op goederen en omgekeerd en de overdracht, verdeeling en samenvatting van dergelijke rechten.

Met de verruiming van de mogelijkheden tot ruil door het G. gaat onderlinge vervlechting van de verschillende ruilhandelingen gepaard. De ruil van de eene waar tegen de andere wordt door het G. met de ruil van de overige waren verbonden tot een onderling samenhangende warencirculatie. Het G. wordt circulatiemiddel met velerlei functies, die geen zichtbaar verband met de eenvoudige warenruil hebben. Het maakt de indirecte behoeftenbevrediging eerst ten volle mogelijk, waarbij het geheele economische handelen op het verwerven van G. als koopkracht (recht op goederen en diensten) is gericht.

Het als ruilmiddel fungeerende edele metaal heeft als G. een eigen speciale gebruikswaarde gekregen. Het heeft daarnaast nog steeds een andere gebruikswaarde en kan daarom ook te allen tijde, omgesmolten tot grondstof of verwerkt tot gebruiksvoorwerp of sieraad, een andere vorm dan geld en een andere functie dan ruilmiddel aannemen. Het is ook heden nog in de vorm van sieraden middel tot schatvorming. Het als geld fungeerende edele metaal blijft oorspronkelijk een waar en kan deze functie slechts vervullen op de grondslag van zijn eigen waarde, die berust op de zelfde factoren als de waarde van de andere waren. Ook voor het goitd als basis van het huidige geldwezen blijft dit principiëel gelden. Het staat door zijn eigen waarde in verhouding tot de andere goederen.

De producent van goud kan slechts op grondslag van de waarde andere waren in ruil voor zijn product verkrijgen, onverschillig of hij dit verkoopt als grondstof voor de industrie of als grondstof voor het geldwezen. Het blijft voor de produceerende landen een gewoon uitvoerartikel (grondstof als alle andere grondstoffen) met slechts dit verschil, dat het zonder tusschenschakel als ruilobject kan fungeeren.

De standaardmunt (in Ned. vóór het verlaten van de volledige gouden standaard, het gouden vijf- en tien-gulden stuk) ontleent haar waarde direct aan het metaal, en daar bij volledig gehandhaafde gouden (of zilveren) standaard al het zich in omloop bevindende G. zijn waarde aan de standaardmunt ontleent, doordat de circulatiebank het G. tot elk bedrag tegen de standaardmunt inwisselt, is deze in laatste instantie volledig door de metaalwaarde bepaald. De waarde van de standaardmunt, die tot onbeperkt bedrag wettig betaalmiddel is, is aan het standaardmetaal gebonden door vrije aanmunting en ontmunting. Wanneer bijv. doordat in verhouding tot de hoeveelheid G. de warenmassa stijgt en de vraag naar circulatiemiddelen toeneemt, de waarde (koopkracht) van het G. op een gegeven moment zooveel grooter wordt dan van het standaardmetaal, dat het verschil (agio) de kosten van aanmunting (muntloon, in Ned. ƒ 5,per K.G. werks) overschrijdt, zullen particulieren er voordeel in zien voor hun rekening bij de Munt standaardmetaal in geld te doen omzetten. (In Ned. is de Munt niet verplicht goud ter aanmunting aan te nemen beneden 200 K.G.). Omgekeerd zal daling van de waarde van het G. beneden de waarde van het metaal tengevolge hebben dat standaardmunten, waartegen de circulatiebank te allen tijde het andere G. inwisselt, worden omgesmolten om als metaal te worden verkocht. Bij volledig gehandhaafde gouden (resp. zilveren) standaard is dus afwijking van de waarde van het G. van de waarde van het metaal, behoudens kleine schommelingen, uitgesloten.

Bij dubbele standaard (bimétallisme) fungeeren goud en zilver naast elkaar als standaardmetaal en gouden en zilveren munten als standaardmunt, met een vastgestelde waardeverhouding tusschen beide metalen. Een bezwaar hierbij is, dat zoodra deze waardeverhouding een wijziging ondergaat, m.a. w. de feitelijke waardeverhouding van de wettelijke afwijkt, het minder-waardige geld het meer-waardige verdringt (Wet van Gresham) doordat het laatste op groote schaal wordt ontmunt. In feite wordt dan de dubbele standaard tot een alternatieve standaard, waarbij het in verhouding goedkoopste van de beide metalen min of meer uitsluitend als standaardmetaal fungeert. Bij hinkende standaard is naast de standaardmunt goud, zilveren munt, waarvan alleen de staat het recht tot aanmunting heeft (zooals in de meeste landen het geval is) tot elk bedrag wettig betaalmiddel (standpenningen). De gouden standaard, die behalve op vrije aanmunting berust op volledige inwisselbaarheid van alle geld in de standaardmunt, is in het algemeen, ook daar waar het spraakgebruik deze term nog handhaaft, vervangen door het goudkernstelsel, waarbij goud slechts in zeer beperkte omvang in omloop is (in Ned. kan het papiergeld te allen tijde tegen teekenmunt, niet tegen goud worden ingewisseld), doch de circulatiebank uit haar voorraad tegen muntprijs goud voor uitvoer afgeeft, wanneer door stijging van de wisselkoers vraag ontstaat, en eveneens voor deze prijs goud koopt, waardoor aanmunting voor particuliere rekening overbodig is. Een uitbreiding hiervan is de goudwisselstandaard (gold-exchange standaard) en het goudwisselstelsel, waarbij naast de goudkern in goud betaalbare vorderingen op het buitenland en saldi in het buitenland tot een zeker percentage mede als dekking fungeeren, resp. voor betaling worden afgegeven, waardoor de kosten van goudverzending worden ontgaan.

Als dekking vormen zij, in tegenstelling tot de goudvoorraad in de kelders van de circulatiebank, „rentegevend goud”. Dat hieraan echter in tijden van monetaire onzekerheid belangrijke risico’s zijn verbonden, bewijst het verlies van pl.m. ƒ40 millioen door de Ned. Bank als gevolg van de devaluatie van het f. Naast de standaardmunt staat de teekenmunt (in Ned. rijksdaalder, gulden en halve gulden) die wettig betaalmiddel tot ieder bedrag is. De teekenmunten hebben, evenals de pasmunten, die slechts tot een beperkt bedrag in betaling behoeven te worden aangenomen, als metaal niet de volle waarde van de munt (de intrinsieke waarde is lager dan de nominale) zoodat zij hun waarde geheel aan het „teeken”, dat hun verhouding tot de standaardmunt uitdrukt, ontleenen. Zij hebben, voorzoover zij niet tegen standaardmunt inwisselbaar zijn, evenals het papiergeld, als wettig betaalmiddel een gedwongen koers.

Ter voorziening in een tijdelijk tekort aan metalen geld, o.a. tengevolge van aan de circulatie onttrekken („oppotten”) door particulieren, zijn in de oorlogsjaren tijdelijk zilverbom van ƒ5.-, ƒ 2.50 en ƒ1.uitgegeven, die bij herstel van de normale toestand wederom zijn ingetrokken. Muntbiljetten mogen in Ned. volgens de bankwet, die de verhouding van de staat tot de Ned. Bank regelt, niet meer door de staat worden uitgegeven.

Het onvolwaardige metalen geld en het papiergeld (bankbiljetten) treden in een gezond geldwezen slechts op als plaatsvervangers van goud in het circulatieproces, ter besparing op de kosten van het circulatiemiddel door het gebruik van een goedkoopere grondstof, zonder de waardeverhouding tusschen het G. en de goederen te verstoren; bovendien als middel tot grootere elasticiteit van het circulatiemiddel, waardoor gebrek aan circulatiemiddelen bij plotseling stijgende behoefte (G.crisis), welke nog wordt verscherpt door de in dat geval optredende neiging om G. aan de circulatie te onttrekken, wordt voorkomen. Het niet volwaardige metalen geld heeft hierbij tenopzichte van het papiergeld slechts betrekkelijk geringe beteekenis. De waardeverhouding tusschen het G. en de goederen wordt tot op zekere hoogte gehandhaafd door de uitgifte van papiergeld eenerzijds te binden aan de goudkern (gouddekking), anderzijds aan de warencirculatie (door het wisseldisconto) en aan werkelijke vraag naar circulatiemiddelen (door het disconto en de beleeningsrente) en door de beïnvloeding van deze vraag door de rentetarieven der circulatiebank Het verband tusschen in omloop gebracht G. en de warencirculatie is duidelijk bij het wisseldisconto, daar bij betaling van de wissel het G. automatisch tot de bank terugkeert, zoodat tegelijkertijd met het verdwijnen van de waren uit de circulatie het via de wissel op grondslag van die waren uitgegeven geld uit de circulatie verdwijnt. Regulatie van de hoeveelheid circulatiemiddelen door middel van de beleeningsrente is o.a. noodzakelijk in verband met het gevaar dat door overmatige uitgifte van biljetten op onderpand van staatsobligaties inflatie ← ontstaat.

De juiste hoeveelheid G. in het circulatieproces hangt ten nauwste samen met de gezamenlijke waarde der waren die zich in omloop bevinden en met de snelheid waarmede het G. zelf circuleert (omloopsnelheid) en dus achtereenvolgens warenomzetten kan bewerkstelligen, benevens met de voor een ongestoorde gang van zaken benoodigde G.-reserves bij de banken (geen circulatiebanken), bedrijven en particulieren. Deze voor de circulatie benoodigde hoeveelheid G. wordt steeds meer beperkt door een toenemende omzet van waren zonder G.-verkeer, waarbij betaling door overboeking (giro), wissels, chèques, enz. plaats vindt en het G. nog slechts als waardemeter, niet echter als eirculatiemiddel dienst doet. In dit verband worden deze naast het eigenlijke G. fungeerende circulatiemiddelen wel als giraal-G. of bank-G. (ook crediet-G.) samengevat.

Naarmate de gouden standaard minder volledig wordt gehandhaafd, is bewuste regulatie van de omvang der circulatie-middelen meer noodzakelijk. Bij volwaardig G. (een volledig gehandhaafde gouden standaard) geschiedt deze regulatie automatisch. Een teveel aan goud-G. zal aanvankelijk de zelfde gevolgen hebben als een teveel aan niet-vol waardig G., nl. dat de prijzen stijgen, doordat tegenover een niet evenredig toegenomen hoeveelheid waren een grootere hoeveelheid rechten op deze waren komt te staan.

(Volgens de Quantiteitstheorie kan de verhouding tusschen G. en waren worden verstoord zoowel door toenemende hoeveelheid, als door toenemende omloopsnelheid van het G.). Indien de waarde van het G. in verhouding tot de waarde van de waren, en daarmede ook van het goud daalt, zal spoedig door ontmunting van standaardmunt G. uit de circulatie verdwijnen tot het evenwicht is hersteld. Omgekeerd zal een hoogere waarde van gouden munten dan van het zelfde gewicht aan goud het omzetten van goud in G. en daarmede toenemende circulatie, tengevolge hebben. Ook onvolwaardig metalen G. verdwijnt uit de circulatie als de G.-waarde lager is dan de metaalwaarde, zij het ook dat dit eerst bij een belangrijke daling van de waarde van het G. intreedt. Een teveel aan ongedekt papier-G. kan deze weg niet gaan, daar de grondstof practisch geen waarde heeft. Ook hier werkt de Wet van Gresham, volgens welke het meer-waardige G. door het minder-waardige uit de circulatie wordt verdrongen, tot ten slotte slechts papier over blijft, waarbij depreciatie ongelimiteerd kan plaats vinden. (zie: Inflatie) . Bij de gouden standaard en zijn varianten, goudkernstandaard en goudwisselstelsel, wordt het evenwicht tusschen de verschillende internationale G.-stelsels (valuta), waarvan de onderlinge verhouding (muntpariteit) is gebaseerd op het wettelijk vastgestelde gewicht aan goud (muntvoet) van de standaardmunten, gehandhaafd door de vrije in- en uitvoer van goud en de afgifte en aankoop van goud of buitenlandsche wissels door de circulatiebanken, zoodra de internationale wisselkoers daartoe door afwijking van de goudpariteit aanleiding geeft, m.a.w. het goudpunt wordt overschreden. Dit vindt plaats wanneer door toenemende vraag naar buitenlandsche betaalmiddelen de wisselkoers zoodanig stijgt, dat het voordeeliger is een schuld in het buitenland door zending van goud af te doen dan door middel van een wissel, chèque of van bankpapier.

De schommelingen van de wisselkoers om de goudpariteit worden bij vrije in- en uitvoer van goud door de kosten van goudverzending begrensd. Bij het goudwisselstelsel wordt overschrijding van het goudpunt zooveel mogelijk voorkomen doordat de circulatiebank bij stijgende koersen op ruime schaal wissels op het buitenland afgeeft, wat natuurlijk eveneens een ruime mate van aankoop bij lage koers veronderstelt („openmarkt-politiek”). Daar goud voor betaling naar het buitenland vrijwel uitsluitend door de circulatiebank, hetzij voor verzending, hetzij uit haar buitenlandsch depot wordt afgegeven, vinden deze transacties en verzending in hoofdzaak ook door haar bemiddeling plaats.

Bij langdurige verstoring van het evenwicht der internationale betalingsbalans zal de goudbeweging, die daarvan het gevolg is, mede een corrigeerende werking uitoefenen. Hierdoor ontstaat in het land waarheen het goud vloeit de basis voor een ruimere G.-circulatie, waardoor de goederenprijzen zullen stijgen; in het land dat goud moet afgeven wordt daarentegen de basis voor de geldomloop ingekrompen, waardoor prijsdaling zal ontstaan, met als gevolg vermindering van de uitresp. invoer en daarmede van de vraag naar buitenlandsche wissels. Vermindering van de circulatie kan daarbij door de rentepolitiek der circulatiebank ten behoeve van een spoedig herstel van het evenwicht worden bevorderd.

Worden deze evenwichtstendenzen doorbroken, bijv. ingeval van oorlog door overwegende invoer ondanks ongunstige prijsverhouding, dan zal het goud afvloeien, en loslaten van de gouden standaard, al of niet gepaard met inflatie of devaluatie, het gevolg zijn.

Verbod van gouduitvoer (goudembargo), waarmede één der functies van de gouden standaard wordt uitgeschakeld, behoeft indien de betalingsbalans in evenwicht is en de internationale prijsverhoudingen niet zijn gewijzigd, ook bij een overigens vrij handelsen betalingsverkeer, niet noodzakelijk tot devaluatie te leiden (toen gedurende de oorlog 1914-18 de gouduitvoer uit Ned. verboden was steeg de koers van de $ slechts tijdelijk tot boven ƒ3.-). Indien de prijsverhoudingen feiteljjk reeds voordien een wijziging hadden ondergaan kan een nieuwe evenwichtstoestand op grond van een andere waardeverhouding der valuta’s intreden, zooals dit het geval was na de devaluatie van de gulden in 1936, toen geen nieuwe officiëele goudbasis werd vastgesteld, maar de gulden „zwevend” werd gehouden, waarbij met behulp van een egalisatiefonds ← abnormale en ongewenschte speculatieve schommelingen werden vermeden. De nieuwe evenwichtstoestand is toen op de basis van een depreciatie van de gulden met 18-22% ontstaan.

In verschillende andere landen is door beperking van het vrije betalingsverkeer met het buitenland, ondanks loslaten van de gouden standaard, een gedwongen koers bij een vrij stabiel binnenlandsch prijspeil gehandhaafd. (De verschillende koers voor verschillende soorten Marken berust op hun verschillende beperkte geldigheid en verschillend aanbod).

In verband met zijn functie als waardemeter en ruilmiddel is een stabiele waarde (koopkracht) van het G. van het grootste belang. Wijziging van de waarde van het ruilmiddel komt vooral tot uiting bij uitgestelde ruil en tijdelijk uiteenloopende verplichtingen. Wanneer een mud aardappelen en een mud kolen evenveel kosten, is het zonder eenig belang of tusschen de directe ruil (d.w.z. opeenvolgende verkoop en koop) van deze beide vandaag ƒ 1.- en morgen ƒ2.staat. Wanneer echter een mud kolen heden voor ƒ 1.wordt verkocht en, als gevolg van depreciatie van de waarde van het G. tot de helft, een mud aardappelen de volgende maand ƒ 2.kost, ontstaan belangrijke nadeelen voor het geheele economische leven, voorzoover dat niet op directe opeenvolging van verkoop en koop is gebaseerd. Dit geldt ook bij leening en aflossing, enz. en tenopzichte van de ruilverhouding met het buitenland, tenzij zich daar dezelfde wijziging heeft voltrokken. Wijziging van de waardeverhouding tusschen het G. en de goederen kan zijn oorzaak zoowel bij het eerste als bij de laatste vinden.

Bij een algemeene prijsdaling of prijsstijging van alle of vrijwel alle goederen is het echter vaak moeilijk uit te maken waar de oorzaak ligt, daar in dit geval een derde maatstaf ontbreekt. Men kan dan inderdaad spreken van prijsdaling of prijsstijging van de goederen of van waardestijging of waardedaling van het G. Het is dan van het grootste belang onder de oppervlakte der verschijnselen te onderzoeken bij welke van deze beide de verandering haar oorsprong vindt.

Bij inflatie ligt de oorzaak duidelijk bij het G., daar tengevolge van het feit dat de circulatie overmatig is toegenomen de koopkracht overeenkomstig daalt. Bij een algemeene wijziging van de productiekosten van de goederen tenopzichte van het goud, of omgekeerd, bij gehandhaafde gouden standaard^ ligt de oorzaak van een verandering der onderlinge waardeverhouding daar, waar deze wijziging haar oorsprong vindt. Het feit dat gedurende de crisis een vrijwel algemeene, hoewel niet gelijke, prijsdaling optreedt, doordat de waren als gevolg van de sterk verminderde vraag op groote schaal niet tegen hun werkelijke waarde kunnen worden verkocht, terwijl dit bij het goud niet het geval is (in de eerste plaats als gevolg van de constante vraag voor monetaire doeleinden), heeft de theorie der monetaire oorzaken van de crisis, althans in die zin dat deze de crisis verscherpen en herstel in den weg staan, versterkt. Mede in dit verband ontstonden pogingen om de algemeene prijsdaling door een kunstmatige, d.w.z. opzettelijke, verandering van de waarde van het G. (devaluatie) te corrigeeren, m.a.w. de waarde van het G. aan de gewijzigde waarde der goederen aan te passen. Hierbij trad ook het streven naar geldhervorming ← (veelal onder de leuze „waardevast geld”) op de voorgrond. Het bezwaar tegen de gouden standaard, dat hierbij een belangrijk punt uitmaakt, wordt nog versterkt door de toenemend ongelijkmatige verdeeling van de monetaire goudvoorraad. Terwijl hierbij echter theoretische eenheid nog ontbreekt, wordt de noodzaak van stabilisatie der internationale valuta’s als voorwaarde voor herstel van het internationale ruilverkeer algemeen erkend.

De G -theorie houdt zich in de eerste plaats bezig met de vraag betreffende de waarde van het G., die vooral van belang is voor het begrijpen van de daarbij optredende veranderingen. Als uiterste tegenstellingen staan hierbij tegenover elkaar de juridische of nominalistische theorie, volgens welke het G. uitsluitend berust op de rechtsorde en dus zijn waarde uitsluitend aan zijn instelling als zoodanig ontleent (G. F. Knapp, Staatliche Theorie des Geldes, 2de 1918; J. M. Keynes, Tract on monetary reform, 1928) en de economische theorieën, volgens welke het G. zijn waarde ontleent aan de grondstof (metallistische theorie) of aan zijn functie of dienst (deze laatste opvatting behoort met de nominalistische tot de ametallistische theorieën).

De beide economische opvattingen laten de Quantiteitstheorie als verklaring van de verandering van de waarde toe, daar zoowel goederen als diensten op vergroot aanbod door prijsdaling, op verkleind aanbod door prijsstijging reageeren. Als bezwaar tegen de metallistische theorie wordt door de tegenstanders o.a. aangevoerd, dat het goud zijn waarde voor een groot, of zelfs overwegend, deel zou ontleenen aan de vraag voor monetaire doeleinden (de Ver. Staten koopen tegen een vaste prijs goud), waardoor dus niet het G. zijn waarde aan het goud, maar het goud zijn waarde aan het G. dankt. Hiertegenover staat dat juist deze vraag, die in tijden van crisis constant blijft, mede oorzaak is van de betrekkelijk stabiele waarde van het goud en dat daarnaast toch altijd goud als grondstof voor andere doeleinden kan worden verkocht. Dat inderdaad de marktverhoudingen voor goud geheel anders zouden worden bij een algemeen losmaken van de G.-stelsels van deze grondstof, beïnvloedt niet de waarde zoolang deze toestand niet intreedt.

Marx, die scherp de nadruk legt op het warenkarakter van het goud als ruilmiddel, formuleert de beteekenis van de functie voor de waarde der fidudaire betaalmiddelen aldus, dat deze (de bankbiljetten, enz.) in zooverre zij werkelijk in plaats van de gelijknamige goudbedragen circuleeren (m.a.w. binnen de voor de circulatie benoodigde hoeveelheid, daar een teveel aan goud automatisch uit de circulatie verdwijnt) in hun beweging slechts de wetten van de G.omloop vertoonen (Das Kapital 1/3, 2c).

De veelal gestelde vraag hoe dit evenwicht zonder metaalbasis, door een bewust gereguleerd (gemanipuleerd) G.-stelsel is te bereiken is hiermede echter niet opgelost. De hierboven weergegeven overwegingen gelden voor een vrije economie, gebaseerd op overwegend particuliere handelingen der economische subjecten, die een min of meer automatisch correctief op verstoring van het evenwicht behoeft. In een gebonden economie, waar zoowel de prijzen als de in- en uitvoer bewust worden geregeld of althans binnen zekere grenzen gebonden zyn (zie o.a. Duitschland) heeft de gouden standaard veel van zijn beteekenis verloren. Tenopzichte van het binnenland is de werking ook in de vrije economie, indien de inwisselbaarheid van het zich in omloop bevindende geld is opgeheven, in hoofdzaak boekhoudkundig, en maakt het zoolang het principe gehandhaafd blijft weinig uit of het goud in de kelders van de circulatiebank ligt of niet. Hierdoor kon in 1940 in vele landen de goudvoorraad naar elders worden vervoerd zonder dat dit direct zichtbare gevolgen had.

In een gebonden internationaal ruilverkeer is goud (of valuta) alleen van belang voor verrekening van de saldi tier betalingsbalans (zoolang geen algemeene clearing via een centraal int. clearing-instituut plaats vindt), waarvoor een betrekkelijk kleine hoeveelheid voldoende is, en kan voor het beperkte vrije verkeer met een vastgestelde (gedwongen) koers worden volstaan. Inflatie is in zijn werking beperkt zoodra de voornaamste prijzen worden gefixeerd (Ned. 1940), eventueel gecombineerd met distributie van de noodzakelijke artikelen. Een teveel aan circulatiemiddelen kan in dit geval slechts invloed uitoefenen in het overblijvende vrije verkeer, bij algemeen gefixeerde prijzen door verhoogde vraag naar niet gedistribueerde artikelen. Bij distributie op groote schaal moet ingeval van inflatie een gelocaliseerde waardedaling van het geld plaats vinden in die zin dat een deel (boven de voor aankoop van de gedistribueerde artikelen noodzakelijke hoeveelheid) practisch uit het verkeer wordt gedrukt ten nadeele van hen die over een teveel aan koopkracht beschikken (zie: Prijs gemanipuleerde prijs).

In een algemeen of overwegend gebonden economie zal het goud grootendeels of geheel zyn monetaire beteekenis verliezen. In hoeverre de dan gewijzigde marktverhoudingen een groote prijsdaling tengevolge zullen hebben, is thans niet te overzien.

zie: Ook Deflatie, Devaluatie, Earmarked goud, Inflatie, Reflatie.

Wet.: Comptabiliteitswet, Muntwetten, Bankwet.

Stat.: int. A. S.; S. E. M.

Lit.: C. A. Verrijn Stuart, Hoofdtrekken V. d. leer der maatsch. voortbrenging, 1931 ; G. M. Verrijn Stuart, Inleiding tot de leer der waardevastheid v. h. geld, 1919 ; id. Geld en Crediet, 2de 1932 ; Geld F. von Wieser, Theorie ; Mildschuh, Geschichtl.

Entw. der G.-Theorie, G. F. Knapp und F. Gutmann, Staatliche Geldtheorie, H. d. S.; Versch. art. over Wahrung (Doppel-W., Gold-W., enz.), H. d. S.; F.

Gutmann, Geld, Wahrung, W. d. V.; J. M. Keynes, A treatise on money (vom Gelde) 1930/32; J. Chappey, La crise du Capital, la formation du système monétaire moderne, 1937 ; Report of the Gold Delegation of the Financial Committe, S. d. N. 1932.

Wereldproductie goud, kg:

Zuid Afrika Ver. Staten Canada Andere landen *) Totaal

1929 323.860 64.042 59.977 162.121 610.000
1937 364.986 128.056 127.407 459.551 1.080.000
*) Hiervan wordt het aandeel van de U.S.S.R. geschat op 30.000 kg in 1929 en 180.000 kg in 1937. (Cijfers A. S.)