Economische encyclopedie 1940

Economische encyclopedie (1940), samengesteld door D.C. van der Poel. Gepubliceerd door Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V. Utrecht.

Gepubliceerd op 21-01-2020

Belasting

betekenis & definitie

is een verplichte bijdrage in de openbare uitgaven, onafhankelijk van de aard of quantiteit van eenige bijzondere tegenprestatie. Voorzoover enkele bestemmings B., waarbij in tegenstelling tot de B. in het algemeen de heffing en de bestemming van de daardoor verkregen gelden ten nauwste samenhangen, hierop een uitzondering maken, houdt deze B. toch geen direct verband met de quantiteit van de tegenprestatie.

Hierdoor onderscheidt B. zich van retributie, welke een heffing is voor bepaalde diensten: bruggeld of tol geheven bij elk afzonderlijk gebruik is een retributie, wegenB., waarvan de hoogte onafhankelijk is van de frequentie van het gebruik is een B. (in Ned. is verband met de intensiteit van het gebruik wel gelegd wat betreft het gewicht van het voertuig, echter onafhankelijk van het aantal afgelegde K.M.).In verband met het karakter der B. als bijdrage in de bevrediging van de zgn. collectieve behoeften, waarbij in het algemeen bewuste vraag althans wat betreft alle onderdeden ontbreekt, en het gemis van direct verband tusschen bijdrage en tegenprestatie, zal de B. veelal als een opgelegde last worden ondervonden, waardoor neiging tot ontduiking wordt verstrekt.

Daar in laatste instantie slechts één bron van B. bestaat: het volksinkomen als som van de afzonderlijke inkomsten (zie: Inkomen), zijn de verschillende systemen en vormen van B. slechts technisch verschillende middelen om een deel van dit inkomen aan de openbare kas over te dragen, onverschillig of dit geschiedt bij de bron (vermogen), het ontstaan (inkomen) of de toepassing (uitgaven). Een aanvulling vormt daarbij de B. op niet productief bezit (bijv. auto’s, enz.) als uiting van een zekere draagkracht.

Op grond van de erkenning van de ééne bron kwamen de Physiocraten tot één uitsluitende B. (impôt unique) op de opbrengst van de bodem, die zij als eenige productieve factor zagen. Met correctie van hun fout wat betreft de productieve factoren, zou dit systeem heden moeten leiden tot een uitsluitende B. op het oorspronkelijk inkomen, of, in verband met de vrijwel onoverkomelijke moeilijkheden bij de scheiding van oorspronkelijk en afgeleid inkomen, op de verschillende vormen van persoonlijk inkomen.

Technische overwegingen, in de eerste plaats de moeilijkheid van een volledig aangrijpen van- en een juiste verdeeling van de B. over dit eene object en het streven naar verminderde conjunctuur-gevoeligheid, hebben tot een meer gedifferentieerd B.-s telsel geleid, met het doel de inkomsten als primaire bron in al hun verschillende vormen, oorsprong en uitingen zoo volledig mogelijk te bestrijken, en omgaan en ontduiking te bemoeilijken. Hierbij dient er tegen gewaakt dat ongewenschte dubbele B. van een zelfde object zou kunnen ontstaan. Om aan de bezwaren van dubbele B. in het internationale kapitaalverkeer tegemoet te komen is dit vraagstuk door de Volkenbond in studie genomen (rapporten 1925 en 1927). De voornaamste onderscheiding welke wordt gemaakt is die tusschen directe en indirecte B., zakelijke en persoonlijke B. en B. op inkomen en vermogen en op verteringen (uitgaven). Het onderscheid tusschen directe en indirecte B. is vooral in zooverre onduidelijk als aan deze begrippen vaak door elkaar verschillende beteekenissen worden toegekend:

1. Als tegenstelling tusschen B., die direct op het inkomen drukt (ook via het vermogen) en die welke daarop indirect drukt door B. van de verteringen, waarbij tevens de eerste direct op de hoogte van het inkomen, als maatstaf van de B.-capaciteit, is gebaseerd, de tweede hiermede slechts indirect, via de uitgaven verband houdt, een verband dat bij de B. op bepaalde vormen van rechtsverkeer (registratie, enz.) vrijwel geheel verloren is. Deze beteekenis valt dus samen met de onderscheiding tusschen B. op inkomen en vermogen eenerzijds en op verteringen (inclusief rechtsverkeer, anderzijds.
2. Als tegenstelling tusschen B. die direct wordt opgelegd aan de werkelijke, uiteindelijke betaler, waarbij dus de B.plichtige, B.-betaler en B.-destinator (degene ten wiens laste naar de bedoeling van den wetgever de B. uiteindelijk zal komen) de zelfde is, en die welke door een andere B.-plichtige en -betaler ten slotte op den destinator wordt afgewenteld en deze dus indirect treft. Dit is o.a. het geval bij de accijnzen ← en invoerrechten ←, waarbij de B. via de prijs op den consument wordt verhaald, m.a.w. door den B.-betaler wordt voorgeschoten ten laste van een anderen destinator. In hoeverre het verhaal volledig kan zijn hangt echter af van de algemeene factoren der prijsvorming.
3. Als tegenstelling tusschen B. volgens kohier en alle andere B. Deze laatste indeeling is zuiver B.-technisch. Volgens deze vallen in Ned. onder de directe B. in de eerste plaats de inkomsten-B., vermogens-B., verdedigings-B., gemeentefonds-B., personeele B. en grond-B., terwijl bijv. de successierechten op erfenis en schenking hierbij tot de indirecte B. worden gerekend, volgens de beide eerste onderscheidingen echter directe B. zijn.

Zakelijke en persoonlijke B. worden ook wel objectieve en subjectieve B. genoemd, daar de eerste het object belasten onafhankelijk van de draagkracht van het subject (grond-B., rijwiel-B., enz.), de tweede bij de B. van het object met de draagkracht van het subject rekening houdt (vermogensB., inkomsten-B., enz.). Echter worden in Ned. op meer formeele gronden bij de systematische indeeling de verterings-B. onder de persoonlijke gerekend, hoewel de berekening hiervan een zuiver zakelijke is.

Bij de onderscheiding van B. op vermogen, inkomen en verteringen moet in het oog worden gehouden, dat een regelmatige, niet abnormaal hooge vermogens-B. slechts een B. is op een bron van het inkomen, die onder normale omstandigheden op het inkomen drukt. In Ned. is de vermogens-B. dan ook feitelijk een verzwaarde B. van het uit vermogen verkregen inkomen. Heffing op het vermogen is ten slotte normaler wijze alleen mogelijk in de vorm van geld-kapitaal (tenzij staatsobligaties worden aangenomen en de B. voor dit deel aflossing van staatsschuld beteekent) en moet dus noodzakelijk, ook door middel van eventueel noodige realisaties, in laatste instantie het onbelegde kapitaal mobiliseeren. Wordt deze te sterk opgevoerd of eischt deze, bijv. als incidenteele vermogensheffing, zeer groote offers, dan kan hierdoor de particuliere kapitaalvorming worden aangetast. In het algemeen wordt de vraag in hoeverre B. het vermogen direct treft meer dan door de uiterlijke vorm der heffing bepaald door de totale hoogte der gezamenlijke B., rentestand, enz., m.a.w. door de zelfde factoren die ook elders de verhouding tusschen vertering en sparen bepalen.

B. op de verteringen drukt op het inkomen in die zin, dat deze de werkelijke koopkracht daarvan vermindert. De zgn. „verkeers-B.” dankt haar naam aan de B. van een verkeershandeling in de vorm van een zegel op de betreffende documenten of kosten van verplichte registratie. De successierechten op erfenis en schenking vormen naar hun economische beteekenis, vooral bij de hoogere percentages, een bij elke overgang van vermogen herhaalde heffing op het kapitaal. De Ned. belastingwetgeving onderscheidt directe B. (in de zin van kohier-B.), indirecte B., accijnzen en rechten (waarborg goud en zilver, invoerrechten en statistiekrecht). De statistiek deelt de rijksbelastingen systematisch in: Conjunctuur-B.: oorlogswinst-B.; Zakelijke B.: grond-B., dividend en tantième-B., coupon-B., B. van de doode hand; Persoonlijke B. a. naar het inkomen en het vermogen: rijksinkomsten-B., vermogens-B., verdedigings-B., recht van successie; b. naar de verteringen: rechten op de invoer, statistiekrecht, accijnzen, B. op gouden en zilveren werken, B. op rijwielen, motorrijtuigen-B., omzet-B.; Rechtsverkeers-B.: rechten van zegel, rechten van registratie, rechten van hypotheek.

Opcenten kunnen op verschillende B. ten behoeve van rijk, provincies en gemeenten worden geheven. Deze laatsten heffen bovendien nog verschillende afzonderlijke B. De verhouding tusschen rijks-, provinciale- en gemeentelijke B. valt meer binnen het kader der algemeene financiëele politiek. (zie: Financieleer).

Omtrent de vraag in hoeverre fiscale monopolies zooals die in verschillende landen bestaan (tabaksregie, zoutregie, enz.; in Ned. Indië: opium, zout en pandhuisdienst) tot B. zijn te rekenen, bestaat meeningsverschil. In zooverre buiten-economische dwang tot verbruik van het monopolie-artikel ontbreekt is deze B. niet opgelegd; hetzelfde kan echter o.a. ook van de accijnzen worden gezegd. Inderdaad is een scheiding tusschen monopolie-winst en B. hier moeilijk door te voeren en verleent veeleer het verband tusschen het monopolie en de B.-administratie hier het fiscale karakter.

De stedelijke invoerrechten (in Frankrijk „Octroi”, in Italië „Dazio”) zijn met toenemend verkeer steeds meer opgeheven. Zuiver fiscale uitvoerrechten worden slechts in zeer bepaalde gevallen geheven bijv. van monopolieartikelen, waarbij prijsverhooging de afzet niet merkbaar vermindert. De verschillende B. worden in Ned. bij afzonderlijke wetten vastgesteld. Heffing en inning der B. geschieden tegenwoordig algemeen door ambtenaren van het betreffende openbare lichaam. Verpachting komt in Ned. alleen voor bij tol (retributie) en wordt in sommige landen ook toegepast bij fiscale monopolies. Abonnement (bijv. bij omzet-B.) wordt ter vereenvoudiging wel toegepast, waar toezicht op ontduiking moeilijk of kostbaar is. Ter vermijding van weerstand en ontduiking zijn ook de uiterlijke omgangsvormen der betrokken ambtenaren van psychologische beteekenis.

De B -rechtspraak kent administratieve (verhoogde aanslag) en strafrechtelijke sancties. Incidenteele kwijtschelding van straf bij vrijwillige correctie van vroegere ontduiking („generaal pardon”) heeft vaak belangrijke resultaten voor de schatkist opgeleverd, daar men anders om geen argwaan te wekken vaak gedwongen wordt met ontduiking voort te gaan.

Het is de opgave der B.-politiek te bepalen op welke grondslag en tot welke hoogte voor de afzonderlijke subjecten de B. zal worden geheven, terwijl de vraag hoe de heffing in onderdeden zal worden geregeld een B.-technische vraag is. Adam Smith stelde als eisch voor een goed B.-stelsel:

1. dat ieder betaalt naar evenredigheid van zijn inkomsten;
2. zekerheid en openbaarheid wat betreft tarieven en termijnen;
3. inning zoodanig georganiseerd, dat de B. het minimum bezwaar voor den B.-plichtige meebrengt;
4. er moet zoo min mogelijk méér worden geheven dan de schatkist ontvangt.

De drie laatste, B.-technische, eischen worden ook nu nog ten volle onderschreven en spreken in het algemeen voor zichzelf, al wil dit niet zeggen, dat er niet tegen gezondigd wordt; o.a. is de overzichtelijkheid der verplichtingen vaak nog verre van volmaakt en de kosten van inning (perceptiekosten) hebben de neiging met toenemende differentiatie der B. toe te nemen.

De eerste eisch, welke direct de B.-politiek raakt, wordt tegenwoordig in het algemeen niet meer onderschreven. Voor de op grondslag van vermogen en inkomen geheven B. wordt, in tegenstelling met de volgens Smith vereischte proportionnaliteit, algemeen progressie aanvaard, zoodat met toenemende draagkracht een hooger percentage wordt geheven. De erkenning, dat een gelijk percentage de lage inkomens relatief zwaarder treft, heeft mede onder invloed van de theorie der grenswaarde (afnemende waarde en dus ook afnemende beteekenis van verlies of afgifte bij toenemende hoeveelheid) algemeen veld gewonnen. In tegenstelling hiermede heerscht over de mate van progressie allerminst overeenstemming, waarbij economische en sociale argumenten veelal in botsing komen.

In de eerste plaats rijst hier de vraag in hoeverre een aan de draagkracht equivalente, dus progressieve, bijdrage zoo deze al is vast te stellen de kapitaalvorming in gevaar brengt. In de tweede plaats de principiëele vraag of B. de bestaande verdeeling van bezit en inkomen onaangetast moet laten of veeleer op dit punt nivelleerend moet werken een vraag, die in zijn principiëele beteekenis de grenzen van de B.-politiek overschrijdt.

Het belang van de kapitaalvorming en ook het gevaar voor B.vlucht ←, welke een grens vormen voor de uit sociale overwegingen gewenschte ontlasting van de kleinere inkomens ten koste van de grootere, heeft veelal geleid tot een op zekere hoogte eindigende of afnemende progressie (degressieve progressie) met vrijstelling van een bedrag voor noodzakelijk levensonderhoud (verbeterd stelsel van Bentham). Bovendien staan meestal en ook in Ned. tegenover de progressieve directe B. in hun werking sterk degressieve (bij toenemend inkomen relatief afnemende) indirecte B. op de voornaamste verbruiksartikelen, welke, daar zij in de goederenprijzen zijn weggewerkt, aan den uiteindelijken betaler niet als zoodanig opvallen (zie:Accijns). Bij deze indirecte B. maakt het eenig verschil of zij worden geheven naar het gewicht (specifiek) of naar de waarde (ad valorum), daar in het laatste geval de duurdere qualiteiten zwaarder worden belast en dus eenige, hoewel meestal zeer geringe en niet onverdeeld gunstig werkende, progressie kan ontstaan. Verschil tusschen normaal verbruik en luxe heeft bij de B. op uitgaven meestal weinig resultaat opgeleverd, daar de grens hier moeilijk is vast te stellen, waardoor onevenredig groote kosten voor administratie ontstaan, ongewenschte substitutie gemakkelijk in de hand wordt gewerkt en ook de waardeering van luxe een sterk wisselende is (men denke aan de in Ned. afgeschafte B. op haardsteden en vensters). Tegenover het nadeel van de indirecte B. wordt door de voorstanders o.a. gesteld de algemeene werking waardoor ook in andere B. niet aangeslagen buitenlanders worden getroffen, gemakkelijke, want veelal ongemerkte betaling door den destinator en daardoor geringe neiging tot ontduiking. Voor elke B.-politieke maatregel is een zoo volledig mogelijke kennis van de werking van elke afzonderlijke B. gewenscht.

Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tusschen gewenschte en ongewenschte reacties binnen het gebied der B. en daarbuiten. Ongewenschte reacties binnen het gebied der B. zijn o.a. vermindering van de grondslag, omgaan en ontduiking. De regel, dat B. nooit haar bron mag aantasten, stelt niet alleen een absolute grens aan de hoogte der B. waar deze de bron uitput, maar vaak ook een lagere ter voorkoming, dat de B. wordt omgaan, doordat bijv. de drang tot vermeerdering van inkomen wordt verzwakt (vermijding van overgang naar een hoogere B.-klasse bij trapsgewijze progressie), bij verterings-B. de consumptie van belaste artikelen naar onbelaste wordt geleid (substitutie) of de premie op ontduiking en kapitaalvlucht zoo hoog wordt, dat verhooging van het tarief een relatief of absoluut lagere opbrengst ten gevolge heeft, enz. Tegen ontduiking op elk gebied is naast controle en straf het wekken van een zeker gevoel van rechtvaardigheid der opgelegde lasten een belangrijke psychologische factor.

Tot de gewenschte reacties binnen het kader der B. behoort o.a. de afwenteling van indirecte B. van den betaler op den destinator. Hierbij dient er rekening mede te worden gehouden, dat het in het algemeen moeilijk, zoo niet ondoenlijk, is bepaalde factoren en verschijnselen van het economisch leven te isoleeren. Voor de amortisatie van B. Amortisatie.

De reacties welke buiten het gebied der B. vallen zijn vele en het is de opgave van de B.-politiek de ongewenschte zooveel mogelijk te elimineeren.

De vraag in hoeverre niet-fiscale doelstellingen, dus andere dan verkrijging van de gewenschte middelen, toelaatbaar of gewenscht zijn houdt menig strijdpunt in. Tot de niet-fiscale reacties moeten o.a. worden gerekend: verschuivingen binnen het verbruik als gevolg van indirecte B., waardoor de productie een bepaalde richting kan worden gegeven (bijv. naar lichte motorrijwielen en lichte auto’s als gevolg van B.-vrijdom of een lagere B. klasse, enz. enz.); verminderd gebruik van belaste artikelen ten nadeele zoowel van producenten als van consumenten; verschuiving in de invoer als gevolg van invoerrechten -f en verminderde invoer, welke ten slotte op de handelsbalans kan doorwerken; prijsverhooging van binnenlandsche artikelen als gevolg van invoerrechten (hetzij verhoogde kostprijs als gevolg van heffing op grondstoffen, hetzij grootere winst als gevolg van verminderde buitenlandsche concurrentie); remmende werking op de vooruitgang of verbetering van qualiteit (B. op vensters). Anderzijds kan B. onder bepaalde omstandigheden vooruitgang stimuleeren, in het algemeen door de wensch deze door meerdere verdienste te compenseeren, in engere zin technische vooruitgang indien bijv. B. op een product, op grondslag van de verwerkte grondstoffen, een prikkel vormt om door betere technische uitbuiting een grooter eindproduct te verkrijgen, enz. Niet-fiscale motieven kunnen aan een B. uitsluitend of gedeeltelijk, primair of secundair ten grondslag liggen. In het eerste geval, bijv. wanneer de B. ten doel heeft het gebruik van een bepaald artikel tegen te gaan of de invoer te belemmeren, is de opbrengst bijzaak en wordt het doel inderdaad met vernietiging van de bron bereikt.

Bestaan fiscale en niet-fiscale motieven ten. opzichte van een bepaalde B. naast elkaar, dan blijft een zekere innerlijke tegenspraak der doelstellingen aanwezig. Meer of minder is dit het geval bij de invoerrechten en bijv. accijns op alcohol, waarbij een ethisch, niet fiscaal motief mede als dekmantel dient voor het fiscale doel, terwijl het niet-fiscale nut twijfelachtig is. Bij de invoerrechten kan de tegenspraak tusschen fiscale en niet-fiscale motieven leiden tot handhaving van aanvankelijk als tijdelijk bedoelde zuiver beschermende rechten (niet-fiscaal doel primair) waarvan de inkomsten moeilijk meer kunnen worden gemist. Als uitsluitend fiscaal kunnen invoerrechten worden beschouwd indien deze worden geheven als compensatie van binnenlandsche accijns of op artikelen die in het binnenland niet worden geproduceerd. In het laatste geval kunnen zij echter als gevolg van substitutie toch ook beschermend werken. Zuivere rekenschap van de motieven is in dit verband steeds gewenscht. Indien vrijgezellen B., waarbij meestal een bevolkingspolitiek doel voorop staat, samen gaat met ontheffing voor groote gezinnen (kinderaftrek) zijn hierbij beide mogelijkheden van niet-fiscale B. politiek: verzwaring en vermindering van lasten, vereenigd.

Veelal wordt de mogelijkheid van een sociale B.-politiek, waaronder in het algemeen moet worden verstaan nivelleering van de inkomsten door een min of meer sterk progressieve B. van de hoogere inkomens en van het vermogen (eventueel ook een hooge successie-B. als vorm van overgang naar staatserfrecht) ten bate van sociale maatregelen, bestreden daar deze door belemmering van kapitaalvorming ten slotte toch in de vorm van verminderde werkgelegenheid ten laste van de arbeidende klasse zou komen. Bij beschouwing van dit vraagstuk dient in het oog te worden gehouden dat door B. koopkracht noch voor verbruiksgoederen noch voor kapitaalgoederen in principe verloren gaat, daar B. niet anders is dan overdracht van koopkracht van particulieren aan de openbare lichamen. De verschuivingen welke hierdoor in de volkshuishouding worden veroorzaakt hangen ten slotte af van het gebruik van de B.-gelden, m.a.w. van de richting welke aan deze koopkracht door de openbare lichamen wordt gegeven. Productief gebruik, kapitaalvorming door de openbare lichamen, kan evengoed blijvende werkgelegenheid scheppen als particuliere kapitaalvorming. Mobilisatie van het werkloos liggende (geld) kapitaal door de B. kan de totale werkgelegenheid vergrooten. Vooral dit laatste is van belang tegenover de mogelijkheid dat zonder ingrijpen het economisch leven zich op een niveau met belangrijke werkloosheid van kapitaal en arbeidskracht stabiliseert. De economisch toelaatbare B.-druk (B. capaciteit) hangt steeds ten nauwste samen met de geheele financiëele, economische en sociale politiek.

Rijksinkomstenbelasting 1936/37 Bedrag der Belasting in inkomens hoofdsom Progressieve werking der directe B. en degressieve werking der indirecte B.

B. in % van het gemiddelde jaarinkomen:

Inkomensklasse onder ƒ1400 ƒ 1400 ƒ 1800 ƒ 1800 ƒ 2300 ƒ 2300 ƒ 3000 directe B. 1,49 2,45 3,44 4,42 indirecte B. 5,40 5,01 4,70 4,44 Inkomensƒ 3000 ƒ 4000 ƒ 6000 klasse ƒ 4000 ƒ 6000 en meer directe B. 6,70 9,37 13,52 indirecte B. 3,86 3,69 2,86 Progressieve B. op het inkomen ten behoeve van het rijk. B-jaar 1938/39.

B. in hoofdsom het en opcenten in % van inkomen:

Zuiver inkomen ƒ 1.000 0,51%

2.000 2,09%
5.000 3,83%
10.000 4,89%
50.000 10,65%
100.000 17,48%
200.000 23,28%

Totaal voor rijk, provincie en gemeente:

Zuiver inkomen laagste aanslag 1,35% ƒ 1.000 hoogste ,, 2,66% Zuiver inkomen laagste ,, 33,48% ƒ 200.000 hoogste ,, 41,25% Totale opbrengst van de progressieve B. ten behoeve van het rijk in Ned. 1936 (inclusief successie): ƒ 133.984.000.

Totale opbrengst van de niet progressieve B. in 1936: ƒ 372.669.000.

Hiervan B. op verteringen: ƒ 311.602.000.

Wet.: De afzonderlijke B.-wetten o.a. in de Belastingwetgeving (Noorduyn) en Vakstudie (Kluwer). Wet houdende bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting, 1930.

Stat.: Belastingdruk in Ned. C.B.S.

Lit.: H. W. C. Bordewijk en J. H. Bast, De theorie der belastingen en het Ned.

Belastingwezen, 2de, 1939 ; K. Th. Eheberg, Steuer, Doppelbesteuerung, Zwecksteuern, H.d.S.; K. Brauer, Finanzsteuern, Zwecksteuern und Zweckzuwendung von Steuerertragen, 1928; id., Monopol als Form der Besteuerung; en versch. art. over Steuer, H.d.S.; E. R. A.

Seligman, Progressive taxations in theory and practice, 1908; W. G. Koster, Fiscal monopolies, 1918; Tax systems of the world (legislative and statistical) jaarb., Chicago, 1939; Het aandeel van enkele indirecte belastingen en landbouwcrisisheffingen in de gezinsuitgaven (C.B.S.), 1939; ook Accijns.