Wijn & drank Encyclopedie

Jan Zellenrath (1979)

Gepubliceerd op 04-05-2021

Luxemburg

betekenis & definitie

De witte wijnen van de vriendelijke, ronde heuvels die in Luxemburg langs de Moezel oprijzen, lijken op hun Duitse tegenhangers; fruitig als ze zijn kunnen ze het best ter plaatse worden gedronken, en buiten de Benelux zijn ze dan ook nauwelijks te vinden.

De ongeveer 1200 ha aan wijngaarden in Luxemburg brengen jaarlijks gemiddeld 130 000 hl wijn voort.

Het Groothertogdom verbruikt ongeveer 55% van zijn wijnen, wat % van de totale Luxemburgse consumptie is. De rest wordt ingevoerd uit Frankrijk of Italiê. De Luxemburger drinkt gemiddeld 31 tot 36 liter per hoofd per jaar, hetgeen hem een zeer lage plaats geeft op de ladder der Europese consumptie. De rest van zijn eigen wijn, die de Luxemburger zelf niet opdrinkt, gaat naar België. Nederland en Duitsland importeren dusdanig kleine hoeveelheden dat die symbolisch zijn te noemen, en in de rest van de wereld kan de Luxemburgse produktie vergeleken worden met een druppel in een emmer water. Om deze wijnen te proeven moet men naar Luxemburg gaan, of op zijn minst naar België.

Geschiedenis van de Luxemburgse wijn

Tot aan de Franse Revolutie werd in Luxemburg de wijnstok door de monniken gekweekt. Het land werd door de Eerste Franse Republiek geannexeerd en maakte later deel uit van het keizerrijk van Napoleon I. De Fransen verjoegen de monniken, seculariseerden de wijngaarden en verdeelden ze in percelen. In die toestand zijn ze altijd gebleven, want in dit kleine land telt men 2067 van die stukjes grond. Hun gemiddelde oppervlak ligt in de buurt van 0,6 ha, en er zijn maar amper een stuk of 6 die de 6 ha bereiken. Het tegenwicht van deze verkaveling wordt gevormd door de coöperaties, waarvan er in iedere wijnstad één is. In totaal verwerken zij 65% van de oogst.

Aan het begin van onze eeuw diende de Luxemburgse wijn bijna geheel voor versnijdingen die werden verhandeld onder de vage naam Elbling, een verzamelnaam voor de middelmatige wijnen van de Rheinpfalz, de benedenloop van de Moezel en Luxemburg. De Eerste Wereldoorlog maakte een eind aan deze gang van zaken door Luxemburg van Duitsland te isoleren. Voor de karakterloze wijnen van het Groothertogdom moest een nieuw afzetgebied worden gevonden. Hieruit ontstond een crisis die duurde tot 1925. In dat jaar vestigde de regering een wijnbouwstation in Remich aan de Moezel. Voor het uittrekken van middelmatige wijnstokken werden premies uitgeloofd.

De Luxemburgse wijnbouwers aanvaardden het principe dat ze nog steeds hebben: de wijn is een produkt van kwaliteit, niet van kwantiteit. Het wijnbouwstation heeft tot taak op te treden als onderwijzer en als politieman. De dienstverlening strekt zich uit over diverse terreinen: analyses, adviezen, hulp aan de wijnboeren en het bestrijden van wijnstokziekten. Ook houdt het station toezicht op de herkomstbenamingen op de flessen.

In Luxemburg bestaat de druiventeelt al sinds de Romeinen. De archieven op wijngebied van dit land gaan terug tot 809, wat voor de wijnbouw een catastrofaal jaar was. De wijn van 1866 was opnieuw dermate zuur dat de Luxemburgers hem ‘Bismarck’ doopten. Een ander hard jaar voor de Luxemburgse wijnboeren was 1944, toen het dal van de Moezel tijdens het laatste tegenoffensief van Von Rundstedt als slagveld diende. Het jaar daarop floreerden de Luxemburgse wijngaarden weer.

Benamingen van de Luxemburgse wijnen

Alle wijnstokken van Luxemburg worden verbouwd op de linkeroever van de Moezel, die tussen Duitsland en het Groothertogdom keurig van zuid naar noord stroomt. Zij krijgen dus de eerste stralen van de ochtendzon, een voordeel dat nog wordt versterkt door de beschutting die hun door de bossen op de toppen van de heuvels wordt geboden; deze houden de westenwind tegen, die bijna het hele jaar waait. De oevers van de Luxemburgse Moezel vormen als het ware een schaakbord, waarop de wijnstokken afwisselen met de kerse- en pruimebomen waarvan de vruchten worden gebruikt voor de witte eaux-de-vie die in Luxemburg worden gedistilleerd. Volgens de Luxemburgse wet moeten de wijnen een van de 4 volgende benamingen dragen:

Vin de la Moselle Luxembourgeoise. Wordt zelden gebruikt en dan nog alleen voor de wijnen die in vaten worden uitgevoerd, of voor de gewone wijnen die ook wel Grdchen worden genoemd.

Vin de la Moselle Luxembourgeoise, gevolgd door de naam van het druiveras. Dit is de benaming voor de eenvoudige wijnen, zoals bijvoorbeeld Vin de la Moselle Luxembourgeoise Riesling. Herkomstbenaming (gevolgd door naam plaats van de wijngaard of druivesoort). Zo is een Wormeldange Riesling een Riesling uit de wijngaard van Ettelberg, in de buurt van Wormeldange. Appellation Compléte, soms ook Appellation Contrôlée genoemd, welke overeenkomt met de Franse formule daarvan. Deze benaming wordt gebruikt voor de goede wijnen. Op het etiket moet staan: het jaartal, de plaats van herkomst, de naam van de wijngaard, het druiveras, de naam en het adres van de wijnbouwer.

De wijnen uit de 3 eerste categorieën hoeven het jaartal niet te vermelden, maar voor die uit de vierde categorie is dat verplicht. Verzorging en type van de wijnstok zijn gebonden aan strenge voorschriften en moeten officieel worden gekeurd door de Commission de la Marque Nationale.

Sinds de invoering door de regering van dit Marque Nationale in 1935 prijkt deze term steeds vaker op de etiketten van de Luxemburgse wijnen. Het bestaat uit een klein zegel met de vermelding 'marqué nationale’, dat op de hals van de officieel goedgekeurde flessen wordt geplakt. Van regeringswege wordt toezicht gehouden op het bottelen van deze wijnen.

De druiverassen voor de beste wijnen

De beste wijngaarden liggen op de kalkhoudende grond van Remich en op die van Grevenmacher, waar de bodem bestaat uit klei en kalksteen, bezaaid met stenen. Dit soort grond, vooral in combinatie met een mergelachtige ondergrond, wordt zeer geschikt geacht voor de Riesling, terwijl de kleigrond, die in kleur kan variëren van groen tot rood, zeer goed is voor de Pinot-rassen.

De in Luxemburg voorkomende druivesoorten zijn de volgende: Riesling, Traminer, Rulander (Pinot gris), Pinot blanc, Auxerrois, Sylvaner, Elbling, Rivaner en Muscat Ottonel.

Van deze rassen worden de beste wijnen gemaakt, namelijk:

Rivaner, een lichte, enigszins naar Muscat smakende tafelwijn die aan de Luxemburgse kant van de Moezel overal wordt geproduceerd. Deze druivesoort was vroeger bekend onder de naam Müller-Thurgau.

Pinot Auxerrois, Pinot blanc en Rulander (of Pinot gris), een vollere, royalere wijn dan de vorige, die wel vaak minder bouquet heeft. De bekendste plaatsen van deze wijnen zijn Wellenstein, Remerschen en Schengen.

Riesling, een elegante, zeer voorname wijn die echter de neiging heeft in jaren met veel regen wat aan de zure kant te zijn. De bekendste plaatsen zijn Wormeldange, Stadtbredimus, Wintrange, Schengen, Remich, Grevenmacher en Ehnen.

Traminer, een forse, fluwelige wijn met een typisch kruidige smaak en geur. De bekendste plaatsen zijn Ahn, Wellenstein, Schwebsingen, Schengen en Machtum.

Gedistilleerd

De kersen en pruimen uit de Luxemburgse boomgaarden leveren Kirsch, Quetsch en Mirabelle. Het aantal distilleerderijen kan nog weleens variëren, maar ligt doorgaans rond de 950.