vitamine betekenis & definitie

Groep van stoffen die je niet zelf kunt maken in je lichaam en die je wel nodig hebt, ook al is het maar in kleine hoeveelheden.

De vitaminen zijn ‘genummerd’ van A tot en met K. Vitamine A zorgt dat de staafjes in het netvlies van het oog goed werken. Te weinig ervan maakt dat je slecht in het donker ziet. Vitamine B is belangrijk voor de aanmaak van de bloedcellen. Je hebt de stof nodig voor je zenuwstelsel. Vitamine C is goed voor de genezing van wonden en botbreuken. Bij te weinig ervan krijg je bloedend tandvlees. Vitamine D is nodig voor het groeien van je botten. Het lichaam kan een beetje ervan maken door zonlicht op de huid (zie rachitis). Zonder vitamine K stolt je bloed niet goed. De stof wordt gemaakt door bacteriën die in je darmen zitten. Je hoeft het dus niet met voeding naar binnen te krijgen.

De Pool Casimir Funk (1884-1967) ontdekte dat in voedsel vitaminen zitten. Toen hij zijn ontdekking deed, bestond er dus nog geen woord voor. Hij koos voor een combinatie van het Latijnse woord ‘vita’ (= leven) en het Duitse woord ‘Amin’ (van ‘aminozuren’). Hij dacht dat die zuren in vitaminen zitten.