trombose betekenis & definitie

Het ontstaan van een of meer bloedstolsels in een bloedvat (uitspraak: trom-BOO-zu).

Zo’n stolsel (trombus) kan in een slagader of in een ader zitten. De dokter bedoelt met ‘trombose’ meestal trombose in een ader (‘veneuze trombose’). Door trombose in een kransslagader (op het hart) kan een hartinfarct ontstaan. Wanneer het bloedstolsel zo’n kleine slagader verstopt, krijgt een deel van het hart geen bloed meer. Een trombose in een van de slagaderen naar de hersenen kan voor een beroerte (herseninfarct) zorgen.

Een bloedstolsel dat in een ader aan de vaatwand vastzit, kan losschieten en met het bloed meestromen, het hart in en daar voorbij naar de slagaderen in de longen. Daar loopt de prop dan vast (longembolie) in een steeds kleiner wordende slagader.

Een kleine longembolie is niet zo erg, maar een grote longembolie is levensgevaarlijk. Dokters behandelen trombose met medicijnen die het bloed minder snel laten stollen (antistollingsmiddelen) en zorgen zo dat verstopte bloedvaten ‘ontstoppen’ (weer open worden) en organen zo min mogelijk schade krijgen. Vaak moet iemand met trombose zo nu en dan naar de Trombosedienst, waar ze kijken of de geneesmiddelen nog goed werken.

Kijk ook bij trombosebeen, trombus.