TIA betekenis & definitie

Kleine beroerte die vanzelf voorbijgaat en waarbij de klachten erna ook vanzelf overgaan (uitspraak: TIE-jaa).

TIA staat voor het Engelse begrip ‘transient ischemic attack’, ‘voorbijgaande aanval van een bloedtekort’. Dat ‘bloedtekort’ slaat op de hersenen. Een slagader in de hersenen is even afgesloten door een bloedpropje dat erin vastzit. Daardoor krijgt een deel van de hersenen korte tijd te weinig zuurstof.

Mensen krijgen bij een TIA wel klachten, net als bij een beroerte, maar die zijn na een paar uur helemaal verdwenen. Ze kunnen dan even niet meer uit hun woorden komen, zien dubbel of zijn blind aan één oog, hun gezicht trekt scheef of een mondhoek hangt naar beneden. Ze zijn ook duizelig en kunnen moeilijk het evenwicht bewaren.

Een TIA richt geen blijvende schade in de hersenen aan. De dokter weet daardoor na afloop nooit zeker of iemand een TIA heeft gehad en moet afgaan op het verhaal van de persoon of van mensen die erbij waren toen de TIA kwam. Er zijn namelijk ook andere aandoeningen, zoals wegrakingen en epilepsie, die hierop kunnen lijken. Veel mensen die een TIA krijgen, krijgen later (bijvoorbeeld na een paar jaar) alsnog een beroerte. De dokter maakt de kans daarop kleiner door iemand met een TIA elke dag een klein aspirientje te laten slikken. Daardoor komen er minder bloedpropjes in het bloed.

Kijk ook bij beroerte, ischemie, herseninfarct.