pupil betekenis & definitie

Het zwarte rondje midden in je oog, waardoor het licht naar binnen komt (uitspraak: puu-PIL).

De pupil zit in het midden van je iris (regenboogvlies). De iris regelt de hoeveelheid licht die door de pupil in het oog komt door zich samen te trekken of wijder te worden. In het zonlicht is de pupil twee millimeter groot, in het donker ongeveer acht millimeter. Het zenuwstelsel en ook hormonen en het gebruik van medicijnen en drugs bepalen allemaal hoe groot de pupil wordt. Als je met een lampje op de pupil schijnt, wordt die kleiner. Dat is een reflex, waar je dus niets aan kunt veranderen. Als de dokter met een lampje schijnt en de pupil reageert niet, is er iets mis met de hersenen. Bij iemand die bewusteloos is na een auto-ongeluk is dat een van de eerste dingen waar ze in het ziekenhuis naar kijken.

Vooral vroeger druppelden dames die zich mooi wilden maken een stof in hun ogen, atropine, waardoor de pupil extra groot wordt. Dan kregen ze donkere, verleidelijke en zwoele ogen. Mensen haalden die stof uit de plant wolfskers. Plantkundigen noemen die plant niet voor niets ‘Atropa belladonna’, want ‘bella donna’ is Italiaans voor ‘mooie vrouw’. De dokter gebruikt die stof ook, maar wel alleen als medicijn, bijvoorbeeld bij hartklachten. Bij angst krijgt iemand grote pupillen. Een junk die drugs spuit, krijgt kleine pupillen (‘speldenknoppupillen’).

Een pupil is eigenlijk een popje, van het Franse woord ‘pupille’, dat teruggaat op het Latijnse pupilla.
Als je iemand vanaf dichtbij in de ogen kijkt, zie je bij goede lichtinval jezelf als klein popje in de pupil van de ander.