psoriasis betekenis & definitie

Een huidaandoening met rode en schilferende plekken, die verspreid over het hele lichaam kunnen voorkomen (uitspraak: pso-RIE-aa-sis, niet -zis).

Psoriasis komt door een verstoorde groei van de huid. Wel een kwart miljoen mensen in Nederland hebben psoriasis.

Normaal gesproken wordt de huid geleidelijk aan vernieuwd: elke dag schilferen wel wat oude huidcellen af. Daar merk je niets van, die vallen op de grond of worden in de wasmachine uit je kleren gespoeld. Alleen op het hoofd willen de schilfers nog wel eens zichtbaar zijn in de vorm van roos. Aan de onderkant van het huidlaagje dat ‘opperhuid’ heet groeien telkens nieuwe cellen aan. Er zitten zo’n vier weken tussen het ontstaan van een nieuwe, jonge huidcel en het afvallen van de dode, oude huidschilfer.

Bij psoriasis komen er te snel nieuwe huidcellen. De lagen huidcellen die er te veel zijn, worden niet meteen afgestoten. Zo ontstaan dikke plakken huid met een laag onrijpe huidcellen, die moeilijk afschilferen.

De ziekte is niet besmettelijk. Je kunt dus niet psoriasis krijgen door iemand aan te raken die het heeft. De huidschilfers zijn ook niet vies of besmettelijk. Vaak komt de ziekte in de familie voor. Dokters kunnen het goed behandelen met medicijnen die je op de huid kunt smeren of als pil kunt slikken. Daarmee kan iemand de schilfering van de huid een tijdje weg krijgen, maar niet de ziekte genezen. Het is altijd de vraag hoe fanatiek je psoriasis moet behandelen, want de middelen hebben allemaal wel een of andere vervelende bijwerking, die je ook niet wilt. Daarom wisselen mensen met psoriasis die middelen vaak wat af.

Ook schubziekte.