prostaat betekenis & definitie

Een orgaan bij de man, zo groot als een kastanje en onder de blaas om de urinebuis heen, in vorm te vergelijken met een appeltje waaruit het klokhuis geboord is (uitspraak: pros-TAAT).

De prostaat bestaat uit klierbuisjes die worden omgeven door spierweefsel en bindweefsel. De klierbuisjes maken het prostaatvocht. Bij een zaadlozing komen de zaadcellen met dit prostaatvocht naar buiten via de plasbuis. Deze vloeistof zorgt ervoor dat zaadcellen door de baarmoeder naar de eileiders kunnen zwemmen. De prostaat wordt aangestuurd door mannelijke geslachtshormonen (vooral testosteron) uit andere organen, vooral de zaadballen en ook een beetje uit de bijnieren. Die stoffen regelen de groei van de prostaat en het aanmaken van prostaatvocht.

Tot 1998 noemden Nederlandse dokters de prostaat ‘glandula prostatica’, ‘voorstanderklier’ of ‘prostaatklier’. Maar in dat jaar liet de hoogste raad in de wereld voor medische naamgeving, die voor alle dokters wereldwijd de Latijnse namen in de anatomie vaststelt, weten dat die namen officieel fout zijn. Urologen wisten nu toch wel zeker dat dit mannenorgaan meer dan een klier is. De lange naam doet de prostaat te kort! Over de hele wereld veranderde de Latijnse naam ‘glandula prostatica’, waarbij ‘glandula’ ‘klier’ betekent, in ‘prostata’. Maar denk niet dat dokters die oude naam nooit meer gebruiken. Zo’n naamsverandering is voor dokters even lastig als voor jouw (groot)ouders om sinds 2001 niet meer in guldens, maar in euro’s te rekenen...

Ook voorstander.