pijnstiller betekenis & definitie

Medicijn dat pijn vermindert of helemaal wegneemt.

Bekende pijnstillers zijn paracetamol, aspirine en morfine. Ze doen vaak meer dan het onderdrukken van pijn: ze verminderen bijvoorbeeld een ontsteking en brengen daardoor de koorts omlaag. De dokter geeft dan ook vaak aspirine of paracetamol bij een ontsteking waarvan je koorts krijgt.
Aspirine en pijnstillers die daarop lijken (NSAID’s) prikkelen wel het slijmvlies aan de binnenkant van de maag. Ze bezorgen daardoor soms mensen een maagzweer als die daarvoor gevoelig zijn. Daarnaast beïnvloedt aspirine de bloedstolling.

Dit hoofdpijnpilletje, dat al meer dan een eeuw bestaat, zorgt ervoor dat bloedplaatjes minder goed aan elkaar vastplakken. Zo voorkomt aspirine dat mensen bloedstolsels in de bloedvaten krijgen. De kans wordt dan kleiner dat iemand een hartinfarct of een beroerte krijgt. Maar aspirine kan daardoor ook eerder bloedingen geven. Bij mensen die al een maagzweer hebben, is aspirine dan extra gevaarlijk. Doordat hun bloed minder goed stolt, kunnen ze een maagbloeding krijgen. Te vaak een aspirientje is dus niet ongevaarlijk.

De gemiddelde volwassen Nederlander slikt zo’n 27 keer per jaar een pijnstiller: één keer in de twee weken. Als je ervan uitgaat dat er 12 miljoen Nederlanders van 18 jaar en ouder zijn, worden door hen elke dag bijna… een miljoen pijnstillers geslikt.

Ook analgeticum. Kijk ook bij aspirine.