piercing betekenis & definitie

Het doorboren van een lichaamsdeel (tong, navel, wenkbrauwen, lip, tepel, neusvleugel, piemel, schaamlip enz.) om daaraan een sieraad te bevestigen.

Het woord ‘piercing’ komt van het Engelse werkwoord ‘to pierce’ (‘doorboren’). Al duizenden jaren maken mensen een gaatje in een lichaamsdeel om er een ringetje of sieraad aan te bevestigen. De Bijbel schrijft over neusbellen, Romeinse soldaten droegen tepelringen als teken van hun moed en matrozen hadden vroeger een gouden oorring. Dat goud zou zijn bedoeld om een begrafenis mee te betalen als mensen een dode matroos op het strand aangespoeld vonden. Vrouwen dragen al heel lang oorbellen in doorboorde oorlelletjes.

Navelpiercings bestaan nog niet zo lang. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam de bikini in de mode. Voor die tijd zag je nooit een navel op het strand of in een zwembad. Supermodellen en popsterren als Madonna, Naomi Campbell, Janet Jackson en Britney Spears versierden hun navel met piercings. Toen kon de grote buikontbloting beginnen. De navelpiercing is tegenwoordig onder meisjes de populairste versiering.

Het metaal van sommige tongpiercings is niet goed voor de werking van spuug in de mond. De mond is niet door de natuur gemaakt om er de hele dag een bonk metaal in te laten rondzwiepen.