injectie betekenis & definitie

Toediening van stoffen, meestal medicijnen, door een naald of dun slangetje (katheter) in een ader (intraveneus) of in een spier.

Voordat je een injectie (prik) in je huid krijgt, wordt die vaak schoongemaakt met een watje dat in alcohol is gedrenkt. Dat heeft eigenlijk nauwelijks zin, want als je door een prik een infectie zou krijgen, komt dat meestal niet doordat de huid niet was schoongemaakt, maar doordat de naald met een ziekteverwekker besmet was (zo krijgen druggebruikers soms het hiv-virus van elkaar).

Als een doktersassistentes, verpleegkundigen en dokters iets in een bloedvat spuiten, moeten ze er zeker van zijn dat ze goed in het bloedvat mikken en daar niet te diep prikken. Er zijn namelijk medicijnen die gemene ontstekingen geven als ze in het weefsel buiten het bloedvat belanden. De meeste prikken moeten trouwens in een spier. Die is zo dik en voelbaar, dat iemand daarin niet gauw fout zal prikken. Dokters die extra willen laten merken dat ze Latijn op school hebben geleerd, zeggen niet ‘injecteren’ (laat staan ‘prikken’), maar heel deftig ‘injiciëren’.

Ook prik, pikuur (in België). Kijk ook bij infuus, punctie.