infectie betekenis & definitie

Het binnendringen in het lichaam van een ziekteverwekker (bacterie, virus, schimmel, parasiet) met daarna een ontsteking.

Een infectie gebeurt pas na een besmetting. Bij besmetting komt de ziekteverwekker op of in het lichaam. Maar hierna komt niet altijd een infectie. Soms heb je geluk en gebeurt er niks. De ziekteverwekker is dan bijvoorbeeld met te weinig.

Soms is een infectie vervelend, maar niet ernstig: verkoudheid (virus), krentenbaard (bacterie), zwemmerseczeem (schimmel) en luizen (parasiet). Er zijn ook ernstige infecties, waarvan je doodziek kunt worden: hersenvliesontsteking (bacterie), hiv-infectie (aidsvirus) en hondsdolheid. Soms is de ontsteking bij een infectie maar op één plaats (bijvoorbeeld een steenpuist, door bacteriën), soms uitgebreid in je hele lichaam (bijvoorbeeld griep, door een virus).

Bij een wondinfectie zijn bacteriën terechtgekomen in een wond, een onnatuurlijke opening aan de buitenkant van je lichaam. Bacteriën zie je niet, maar ze zijn overal en op alles aanwezig. Soms rekent je afweersysteem snel met deze indringers af. Hoe snel dat gebeurt, hangt van verschillende dingen af. Je lichaam moet gezond en sterk zijn. De wond moet goed worden schoongemaakt en afgedekt zijn. De bacteriën moeten van een minder gevaarlijke soort zijn en niet met al te velen zijn. Het afweersysteem moet ze bovendien herkennen van een eerder bezoek. Dan kan het lichaam ze beter bestrijden.

Kijk ook bij besmetting.