immuniteit betekenis & definitie

Weerstand van het lichaam tegen vreemde stoffen (zoals gifstoffen) en ziekteverwekkers (bacteriën, virussen, schimmels, parasieten).

Mensen bedoelen met dit woord meestal dat iemand weerstand heeft tegen een infectieziekte doordat die persoon de ziekte vroeger (als kind) heeft gehad of toen ervoor is ingeënt. De meeste kinderziektes, zoals mazelen, rodehond en bof, geven na afloop ervan levenslang bescherming. Vaccinatie (inenting) geeft maar tijdelijk weerstand, bijvoorbeeld vijf of tien jaar lang. Bij griep is de bescherming van een prik nog korter. Daartegen moeten sommige mensen elk jaar worden ingeënt.