huisarts betekenis & definitie

Een dokter (‘algemeen arts’) die niet in een ziekenhuis werkt en die in Nederland als eerste iemand met een gezondheidsprobleem ziet.

Oorspronkelijk was een huisarts een dokter die bij de mensen thuis kwam, op ziekenbezoek. Dat doen huisartsen nog steeds, als het nodig is, maar mensen komen toch meestal naar de huisarts(enpost) toe. In Nederland heeft vrijwel iedereen een huisarts. De huisarts heeft de zorg voor veel mensen in de buurt, meestal zo’n 2000 mensen. In veel gevallen kan een huisarts het zelf af, dat wil zeggen: het stellen van een (voorlopige) diagnose en het beginnen van een behandeling. Gaan de klachten niet over of worden ze erger, dan stuurt een huisarts de zieke persoon vaak naar een specialist in het ziekenhuis. Dat heet een doorverwijzing.

Huisartsen beschouwen zichzelf soms als een ‘specialist die van alles wat af weet’. Dat kan eigenlijk niet, want een specialist weet van één ding alles en van de rest heel weinig. Specialisten werken in het ziekenhuis en houden zich met maar één onderdeel van het menselijk lichaam bezig. Huisartsen kijken niet alleen naar de ziekte, maar ook naar wat die ziekte voor iemand betekent, en voor de partner, de thuissituatie en het werk van die persoon.

Ook omnipracticus (in België).