huid betekenis & definitie

Weefsel dat het lichaam aan de buitenkant bedekt.

De huid is het grootste orgaan van het lichaam. De bovenste laag van de opperhuid, de buitenkant van de huid, bestaat uit dode cellen. Mensen stoten per minuut gemiddeld zo’n 30.000 van deze cellen af in de vorm van schilfers (soms op het hoofd zichtbaar als roos). Bij mensen met psoriasis gaat dit te hard. In een andere laag van de opperhuid worden voortdurend nieuwe cellen aangemaakt. Onder de opperhuid ligt de lederhuid.

Die bevat bloedvaten, zenuwuiteinden en klieren. Onder de lederhuid zit een vetlaag. Die isoleert, vangt schokken op en levert energie.

De huid beschermt het lichaam tegen grote temperatuurwisselingen, zonlicht, vocht en bacteriën, virussen en schadelijke stoffen. Talg, een vettige vloeistof uit talgkliertjes in de lederhuid, houdt de huid soepel. De huid bevat allerlei soorten zenuwuiteinden die tast, druk, koude en hitte voelen.

Ook derma (uitspraak: DER-ma), cutis (uitspraak: KUU-tis).